Beeldvorming

In Nederland zijn boeren een beetje heilig

null Beeld Brechtje Rood
Beeld Brechtje Rood

Zichtbaar en zeer invloedrijk als ze waren, wisten de boerenbedrijven lang rigoureuze ingrepen als de stikstofmaatregelen te voorkomen. De plattelandsidylle staat nu onder druk, maar is waarschijnlijk nog niet uitgewerkt.

Paul van der Steen

Rigoureus ingrijpen duldt geen uitstel meer, maakte minister Christianne van der Wal (VVD, natuur en stikstof) vorige week duidelijk. “Ik denk dat we de afgelopen jaren te veel uitvluchten hebben gezocht en dat we daarom ook tegen de muur zijn gelopen als overheid. Uitvluchten, geitenpaadjes; dat kunnen we ons niet meer permitteren.”

De agrarische sector droeg die uitvluchten en geitenpaadjes in veel gevallen zelf aan, kon die ook aandragen en er gehoor voor vinden. De macht van vertegenwoordigers van deze pijler van de economie was immers velen malen groter dan de werkelijke omvang rechtvaardigde. Het grote publiek overschatte ondertussen die omvang en hield vast aan een geromantiseerd beeld van het boerenbedrijf.

Boerenzoon als premier

Het derde kabinet-Colijn, dat in 1935 aantrad, had de primeur: voor het eerst kwam er een aparte minister van landbouw en visserij. De premier was een boerenzoon. Voor Laurent Deckers, de bewindsman op het nieuwe departement, gold dat niet, maar hij kende de agrarische wereld als zoon van een onderwijzer in plattelandsdorp Heeze wel goed.

Na zijn studie politieke en sociale wetenschappen aan de universiteit van Leuven was Deckers gepromoveerd op een proefschrift met de titel De landbouwers van den Noordbrabantschen zandgrond. Eene bijdrage tot de kennis der maatschappelijke en oeconomische ontwikkeling van den Nederlandschen Boerenstand in de negentiende en twintigste eeuw. Daarna had hij naam gemaakt als bestuurder, onder meer met functies bij de Boerenleenbank. In de katholieke Tweede Kamerfractie was hij de stem van de agrariërs geweest. Nu mocht hij na zes roerige jaren als bewindsman op Defensie (met onder meer de muiterij op de Zeven Provinciën) aan de slag op een departement voor ‘zijn’ sector.

Midden jaren dertig van de vorige eeuw leek nog best wat te zeggen voor zo’n apart ministerie. Een op de vijf werkende Nederlanders was actief in de landbouw. Toch betekende dat al een forse afname ten opzichte van een eeuw daarvoor. Toen ging het nog om ruim twee op de vijf werkende Nederlanders. Na 1935 ging die teruggang versterkt door. Rond het jaar 2000 betrof het 3 op de 100 Nederlanders. Inmiddels zijn het er opnieuw een stuk minder.

Buitenstaanders konden rekenen op hoon

Maar dat aparte departement bleef lang bestaan. In de loop der jaren werden – soms tijdelijk – wat aandachtsgebieden toegevoegd, zoals Voedselvoorziening (in de jaren van schaarste direct na de Tweede Wereldoorlog), Natuur(-beheer) in 1989 en Voedselkwaliteit in 2003. Ministers hadden bij voorkeur wortels in de sector zelf. Sicco Mansholt (PvdA), Gerrit Braks of Cees Veerman (CDA) wisten tenminste waar ze over praten. Buitenstaanders konden bij voorbaat rekenen op hoon van de boeren: Jozias van Aartsen (VVD) en Laurens Jan Brinkhorst (D66) kenden de aardappel hooguit vanuit hun keel.

Tussen 2010 en 2017 was het even behelpen met ‘slechts’ een staatssecretaris (achtereenvolgens de CDA’er Henk Bleker en Sharon Dijksma van de PvdA), maar de laatste jaren is er weer een aparte minister voor de sector. Volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek draagt die direct slechts 1,4 procent bij aan de Nederlandse economie. Met de bedrijven eromheen gaat het om iets meer dan het viervoudige daarvan.

De landbouw was niet alleen prominent aanwezig aan de verschillende regeringstafels, maar ook meer dan evenredig vertegenwoordigd in de Eerste en Tweede Kamer. Grote en kleine partijen hadden, als het even kon, een of meer volksvertegenwoordigers in de gelederen die de boeren een stem konden geven.

Eigen politieke bewegingen

Boerenvoormannen boekten electorale successen met eigen bewegingen: Boer Braat met zijn Plattelandersbond en Boer Koekoek met zijn Boerenpartij. Wien van den Brink was in de jaren negentig van de vorige eeuw als leider van de mede door hem opgerichte Nederlandse Vakbond Varkenshouders (NVV) het gezicht van acties tegen voorgenomen kabinetsbeleid en nam in de nieuwe eeuw zitting in de Tweede Kamer namens de Lijst Pim Fortuyn.

Politici uit en voor de landbouwsector schopten het vaak ver. Boerenzoon Piet Bukman werd de eerste voorzitter van het CDA, was minister van ontwikkelingssamenwerking en van landbouw en visserij en werd daarna voorzitter van de Tweede Kamer. Boerenzoon Barend Biesheuvel leidde tussen 1971 en 1973 als premier zijn eigen centrumrechtse kabinet. Hij had daarvoor al carrière gemaakt via functies bij onder meer het Landbouwschap, de Christelijke Boeren- en Tuindersbond en de Centrale Raiffeisenbank, en als minister van Landbouw en Visserij.

Rondom de politiek zoemt de agrarische lobby, niet zelden bestaande uit lieden met ambities of ervaring in het Haagse. Caroline van der Plas, het gezicht van de BoerBurgerBeweging, was voor haar verkiezing in de Tweede Kamer onder meer communicatiemedewerker voor LTO Noord en de Nederlandse Bond van Varkenshouders.

De lobby munt uit in klagen

Gert-Jan Oplaat en Helma Lodders werden in een aantal media recent nog opgevoerd als VVD’ers met onvrede over de stikstofmaatregelen en niet als vicepresident van de Europese brancheorganisatie voor pluimveeslachterijen en kipverwerkers en voorzitster van Vee & Logistiek Nederland.

De lobby muntte en munt uit in klagen. Dat is zo consequent volgehouden dat een behoorlijk deel van de publieke opinie ook nu gelooft in een slachtofferrol in plaats van deels over zichzelf afgeroepen, harde consequenties van jarenlang volharden in struisvogelpolitiek en onstuimig groeien.

Macht is een politieke stem hebben, invloed hebben als het er echt om gaat. Macht is ook de beeldvorming mee hebben. Die laat de sector sinds mensenheugenis groter lijken dan die is en kleurt hem roze.

Miljoenen voor beïnvloeding

Door overheden (mee) gefinancierde campagnes bewierookten de agrarische producten. Sterker zelfs: ze werden neergezet als onmisbaar. ‘Een ei hoort erbij.’ Het personage Joris Driepinter die een regime van minstens drie glazen zuivel per dag afkondigt. ‘Ik drink melk. U ook?’ ‘Melk, de witte motor.’ Met name de Europese Unie steekt nog steeds miljoenen euro’s in dit soort beïnvloeding, ook ter promotie van vlees.

Zuivelflessen verdwenen van de Nederlandse eettafels. Daar kwamen pakken voor in de plaats met volop ruimte om vredig grazend koeien te laten zien, nooit stallen waar de herkauwers kont aan kont staan. Reclamespotjes communiceerden dezelfde boodschap of ze presenteerden de dames als een tikje ondeugende gezelligheidsdieren die bommetjes maken in het zwembad of in koor zingen over hun dagelijkse bezigheid: “Boeboe, blabla, wij maken Domo Vla. Hopjes, vanille en chocola. Aardbeien en blanke vla.”

De omroepen zelf koesterden lang het boerendrama uit vervlogen tijden met series als Bartje (“Ik bid niet veur brune bon’n”), Dagboek van een herdershond en Het wassende water. In de decennia dat de boterberg en melkplas enorme vormen aannam, keek Nederland massaal naar dit land van ooit. Het satirisch programma Verona van Henk Spaan en Harry Vermeegen verzorgde in de jaren tachtig van de vorige eeuw nog een persiflage met afleveringen van De boerderie (“Sloan, pa!”).

Reality-tv door een roze lens

De nieuwe eeuw bracht de agrarische sector een nieuw uithangbord op de beeldbuis: Boer zoekt vrouw. De eerste serie dateert uit 2004-2005. De onlangs geëindigde twaalfde serie was nog altijd een kijkcijferhit. Het pretendeert reality-tv te zijn, maar de camera legt de werkelijkheid toch het liefst met een roze lens vast. Wel de ontroering bij de geboorte van het kalf (en zelfs het waarnemen van een hartje op zijn voorhoofd), niet de spoedige scheiding van moeder en pasgeborene ten bate van de productie.

In melken op een krukje onder de uier gelooft zelfs de kijker van Boer zoekt vrouw niet meer. Dat ouderwetse ritueel zorgt bovendien voor te veel mensenrug en koeienlijf in beeld. Dus is de moderne melkput wel een geliefde locatie. Maar dat is dan ook meteen het meest vergaande inkijkje in het echte bedrijf. Scènes over geworstel met emissierechten of een opnames vanuit het slachthuis ontbreken.

In talkshows zijn boeren en boerenvertegenwoordigers gewild. Babbeltafels leven van felle tegenstellingen. De agrarische sector levert wat dat betreft altijd, zet gegarandeerd wat nuchterheid tegenover doorgeschoten stadse fratsen. Een boze boer geldt ook als een bijdehante boer.

De høkers van de popgroep Normaal voedden de trots van en op het platteland met liedjes als De boer is troef. In hun spoor scoorde een onwaarschijnlijke act als Mannenkoor Karrespoor hitjes met nummers als Koe, kalverij en Lekker op de trekker (‘Want het is lekker op de trekker / Met het rubber deur de blubber / Ja, het is lekker op de trekker / Geef je leven zin, toe vrouwgies wordt boerin’).

Boeren zijn een beetje heilig

Dat de agrarische sector voor 80 procent voor de export werkt, is verbazingwekkend in zo’n dichtbevolkt land als Nederland. Maar in werkelijkheid heeft het lang de nationale trots opgewekt. Boeren zijn een beetje als die blauwe vogels van KLM en de watermanagers en hun kustverdedigingswerken die het land vooralsnog aardig droog weten te houden. Ze zijn een beetje heilig en mogen vooraan staan bij de handelsmissies die de koning en ministers vergezellen tijdens staatsbezoeken.

De heilige drie-eenheid van de Holland Promotion ruikt eveneens naar het boerenleven. Molens, tulpen en klompen winnen nog steeds mensen van elders voor een bezoek aan of producten uit Nederland. En anders doet de innemende glimlach van de in klederdracht gestoken Frau Antje wel haar zegenrijke werk.

Toeristen en zakenlui uit het buitenland zullen met een blik vanuit het vliegtuig vlak voor de landing, of uit het auto- of treinraampje misschien wel blijven geloven in de marketingmythe. Sterker zelfs, een Nederlander die per snelweg van noord naar zuid of van oost naar west rijdt, ziet behalve blokkendozerige bedrijfspanden neergestreken op zichtlocaties volop weilanden en akkers. Bijna tweederde van het Nederlandse landoppervlak nemen die in.

De plattelandsidylle wordt met de paplepel ingegeven

Zelfs als vrijwel niets van het klassieke beeld van schilderijen van weleer (lukraak uitgestrooid vee grazend onder Hollandse wolkenluchten) niet meer zichtbaar is, menen we het nog te zien. Het agrarische leven als plattelandsidylle wordt dan ook met de paplepel ingegeven. Generaties kinderen groeiden op met boerderijen als die uit Nijntje op de boerderij of die van Oma Duck. Van elke soort vee een, hooguit een paar dieren. Niet het drukke ondernemersleven maar een vrolijk kabbelend bestaan waar de aartsluie knecht Gijs Gans rustig een groot deel van de tijd kan verslapen.

De mythe van dat pastorale leven op het platteland zit – onbewust – diep in de volksziel, en niet volle stallen met honderden koeien of duizenden varkens en kippen. Het levert een natuurlijk soort sympathie op, waar de boeren samen hun invloedrijke posities in en rond de macht de komende tijd nog flink van kunnen profiteren. Als ze het tenminste niet te bont maken met hun acties.

Lees ook :

Hoogleraar stikstof: boeren moeten snel technische, financiële en psychologische hulp krijgen

Hoogleraar stikstofproblematiek Jan Willem Erisman is een van de prominentste experts op het gebied van stikstof en gaf talloze adviezen aan de overheid. Het kabinetsplan volgt zijn denklijn. Hoe kijkt hij aan tegen de gepresenteerde plannen?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden