Koloniale oorlog

Hof: grove oorlogsmisdaden verjaren niet, dus ook niet de executies in Zuid-Sulawesi

Den Haag, 27 juni 2019 Mevrouw Talle en Andi Monji bij de rechtbank in Den Haag waar twee oude zaken over schadevergoeding voor slachtoffers van de koloniale oorlog dienen. Beeld Phil Nijhuis

Ernstige misdaden van Nederlandse militairen tijdens de koloniale oorlog tussen 1945 en 1949 verjaren niet. Zo oordeelde dinsdag het gerechtshof in Den Haag. Verjaring geldt dus ook niet voor leed dat de nabestaanden van executies in Zuid-Sulawesi is aangedaan.

“Een belangrijk principieel besluit, we zijn heel erg blij”, reageert advocaat Liesbeth Zegveld, die een groep nabestaanden vertegenwoordigt van in die periode door Nederlandse militairen standrechtelijk geëxecuteerde mannen. Hun kinderen eisen schadevergoeding van de Nederlandse staat vanwege het leed dat hen is aangedaan. Dat gebeurde tijdens de koloniale oorlog na de capitulatie van Japan en het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Eind juni waren twee van de inmiddels zelf hoogbejaarde kinderen uit Zuid-Sulawesi, die zonder vader opgroeiden, nog naar het gerechtshof in Den Haag gekomen om hun zaak te bepleiten. Ze getuigden emotioneel over de moord op hun vader en hoe dit hun verdere leven beïnvloedde. Op 28 januari 1947 werden in Zuid-Sulawesi honderden mensen geëxecuteerd zonder enige vorm van proces. 

In 2011 wonnen de weduwen van Rawagedeh, een Javaans dorp waar eveneens een bloedbad is aangericht door Nederlandse militairen, een rechtszaak over een vergelijkbare kwestie. De termijn voor verjaring van rechtszaken gold in die zaak niet, stelde de rechtbank toen, onder meer vanwege de ernst van wat zich afspeelde. Excuses van de Nederlandse regering volgden en weduwen kregen 20.000 euro schadevergoeding. 

Buitengewone ernst

Daarop meldden zich ook slachtoffers uit Zuid-Sulawesi, onder wie de twee die dit voorjaar in de rechtbank aanwezig waren. Al in 2015 had de rechtbank geoordeeld dat, net als voor Rawagedeh-weduwen, voor hen geen verjaringstermijn geldt. Maar de staat ging tegen die uitspraak in beroep. Het is te lang geleden gebeurd, betoogde de landsadvocate in juni, er zijn geen documenten of andere schriftelijke bewijzen meer. En getuigen zijn vaak oud, hun geheugen onbetrouwbaar. Er is niet voor niets een juridische verjaringstermijn, redeneerde zij.

Maar het Hof gaat daarin niet mee, blijkt uit de uitspraak van dinsdag. “Waar het de buitengewone ernst en de grote mate van verwijtbaarheid betreft, vallen de ter beoordeling staande onrechtmatige gedragingen in een buitencategorie”, aldus het vonnis. Het gaat om grove schendingen van de mensenrechten tegen de achtergrond van zuiveringsacties in een koloniale oorlog. Zulke ernstige zaken kunnen volgens het oorlogsrecht niet verjaren, aldus het Hof. Het is bovendien de Staat zelf te verwijten dat er achteraf moeilijk bewijsmateriaal te vinden is. Want ook volgens het toen geldende recht moest er goed geregistreerd worden en dat is niet gebeurd.

Advocate Zegveld zegt ruim tien Indonesische cliënten te hebben die op deze uitspraak hebben gewacht. Zij zullen nu voortgaan met hun rechtszaken en financiële schadevergoeding eisen voor leed dat hen ruim zeventig jaar geleden is aangedaan.

Lees ook:

Nabestaande bloedbad Nederlands-Indië: ik wil dat er recht gedaan wordt

De vader van Andi Monji en Talle uit Indonesië werden in 1947 door Nederlandse militairen om het leven gebracht. Ze willen gerechtigheid en een schadevergoeding. Daarom zijn ze nu in Den Haag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden