EssayWeggedrukt

Hoe yup een scheldwoord werd in Amsterdam-Noord

Beeld Ilse van Kraaij

Amsterdam liet Noord in de twintigste eeuw uitgroeien tot het armoede-eiland van de stad. Nu pikken hoogopgeleiden de huizen in. Logisch dat dit leidt tot yuppofobie, schrijft Bas Kok. En toch moet de stad doorpakken. 

September 1976 verhuisde ik van Amsterdam-West naar de andere kant van het IJ. Tien jaar was ik toen mijn ouders vertelden ‘dat er een groter huis was in Amsterdam-Noord’. ‘Niet-Naar-Nóórd!’, riep een van mijn broers met opengesperde ogen.

Dat was mijn eerste kennismaking met de Amsterdamse beeldvorming van het gebied waar de rest van mijn jeugd zich zou afspelen. Noord was geen plek die je uitkoos om naartoe te vertrekken. Je vertrok ernaartoe omdat het lot (lees: een woning) je uitkoos om te verhuizen. Het stadsdeel aan de overkant van het IJ gold als the wrong side of the tracks. Er woonde gajes, er was geen klap te doen en het was onbereikbaar.

De nieuwbouwwijk waar we terechtkwamen, de Banne 2, bevatte ruim tweeduizend gloednieuwe sociale huurflats. Deze waren gereserveerd voor de extra lage inkomens, met een modaal inkomen was je te rijk. De uitbreidingswijk was nodig omdat de oude volkswijken werden ‘gesaneerd’. Ons gezin bestond uit zes en was groot en arm genoeg om een plekje in de wijk te bemachtigen.

Bas Kok (Amsterdam, 1966) is schrijver en publicist. Over Noord publiceerde hij onder meer de boeken Oerknal aan het IJ (2016) en Metromorfose (2018).

De integratie in Noord ging van een leien dakje. Met ons overjarige Dafje en half kapotte zwart-wit tv, waren we geknipt voor Noord. In de Banne hoorden we niet meer bij de armen – eindelijk waren we gemiddeld. Ik sprak Amsterdams als Ciske de Rat, net als mijn nieuwe klasgenootjes.

Ja, de vriendjes die ik in Noord had waren uit een wat ruwer hout gesneden dan die in West. Zoals de buurjongen wiens oudere neef soms bij hun moest logeren vanwege ‘ruzie met collega’s’. Op een dag werd de neef opgevist uit het IJ, een afrekening binnen het circuit. Of het vriendje wiens moeder uit werken ging in strakke, goudkleurige glanskleding. Ik kan met gemak een bonte stoet aan types beschrijven, maar ik wil geen karikaturaal beeld neerzetten. De meeste families in de Banne waren namelijk keurig. En allemaal laagopgeleid, zoals mijn eigen familie. Nergens stond een boekenkast, laat staan een piano. Voor mij was Noord al snel de enige normale biotoop. 

Beeld Louman & Friso

Dat in Amsterdam ook een compleet andere wereld bestond, zag ik bij incidentele bezoekjes aan Zuid. Tandarts Wolvetang huisde in de Jacob Obrechtstraat, orthodontist Hillegondsberg in de Händelstraat. Vooraf inspecteerde mijn moeder onze kleding. We moesten ­beleefd zijn en met twee woorden spreken. Verder mochten we alleen fluisteren. Daar in die eind-negentiende-eeuwse herenhuizen was alles anders. De geoliede geur van de parketvloer, de fluwelige loper op de trap, het behang. Aan de wand geen posters of tegeltjes, maar ingelijste schilderijen als in een museum. In een grote vitrine stond een antiek modelschip, een driemaster. 

In de wachtruimte was mijn anders zo spraakzame moeder opvallend stil. De andere mensen en kinderen leken van een andere planeet afkomstig, wachtend als Madame Tussauds-beelden. De spaarzame woorden die ze spraken klonken deftig. Dat is ook wat mijn moeder eens had gezegd, dat het ‘er een beetje chic was’.

Een geliefd stadspark voor de bourgeois

Het IJ is in de geschiedenis van Amsterdam altijd een vrij harde scheidslijn geweest. De ‘overkant’, zoals Noord werd aangeduid, hoorde er nooit echt bij. Vanaf de late middeleeuwen lag op de Volewijck, zoals het stadsdeel toen genoemd werd, het galgenveld van Amsterdam. Met de komst van de Fransen in 1795, werd dit ontmanteld. Wat overbleef was een weids veld met wat boerderijen, vissershuisjes en een tolhuis erop. Daar ontwikkelde zich in de negentiende eeuw de Tolhuistuin, een geliefd stadspark voor de bourgeois van de grachtengordel. De toekomst van Noord leek maar één kant op te kunnen. Er kwamen plannen voor een chique stadswijk, inclusief een brug over het IJ en een Koninklijk Paleis.

Maar het liep anders, totaal anders. Het open havenfront aan het IJ werd in 1889 afgesneden van de binnenstad door de oplevering van het Centraal Station en de spoordijk. De Tolhuistuin werd niet veel later gesloten en de rol van stadspark verplaatste zich naar nieuw aangelegde parken als het Vondelpark. De IJ-oevers verwerden in de twintigste eeuw tot hét industriegebied van Amsterdam. In Noord werden geen luxe woonkwartieren gebouwd, maar verschillende tuindorpen met grote aantallen arbeiderswoningen.

Een bijzondere plaats was daarbij ingeruimd voor ‘de ontoelaatbaren’ uit de krottenwijken. De tuindorpen hadden een opvoedkundig karakter en de meest asociale inwoners kwamen in een speciale ‘woonschool’ terecht. Het idee was dat ze vandaaruit konden doorstromen naar een ander deel van Noord. In een van die tuindorpen speelt zich een episode af van Het Pauperparadijs, de armoedegeschiedenis die Suzanna Jansen over haar familie schreef.

Van hogerhand toegewezen aan de lagere sociale klassen

Je zou Amsterdam-Noord kunnen zien als het gevolg van planmatige segregatie. Niet alleen voor de Tweede Wereldoorlog maar ook erna selecteerde Amsterdam bewoners op hun lage inkomen voor huisvesting in Noord. Het stadsdeel boven het IJ leek van hogerhand aangewezen om de lagere sociale klassen te huisvesten. Andere delen van de stad werden voorbestemd voor behuizing van de opgeleide burgerij en welgestelden. 

Vanwege deze ‘contra-gentrification’ groeide Noord in de twintigste eeuw uit tot het armoede-eiland van Amsterdam. In de eerste helft twintigste eeuw kon je het concentreren van woonscholen, ‘asodorpen’ en arbeiderswijken nog beschouwen als naïviteit, maar in de jaren tachtig was het uitbouwen van dit armoede-eiland mismanagement. Na de faillissementen van scheepswerven als NDSM en ADM deed Amsterdam geen serieuze poging om de werkgelegenheid boven het IJ te herstellen. In elk stadsdeel bouwde de stad grote kantoordistricten. In Noord bouwde de stad op de grote lege plek van de failliete ADM het IJplein, de grootste sociale nieuwbouwwijk van dat moment.

Ilse van Kraaij

Het huidige Noord draagt daarvan de erfenis. Er is armoede met daarmee samenhangende problematiek: schulden, drugs- en alcoholmisbruik, diabetes, huiselijk geweld en laaggeletterdheid. Door de grote concentratie arme bewoners en de afgezonderde ligging, leeft bij de inwoners een sentiment van splendid isolation. Een dubbeltje wordt nooit een kwartje, lijkt de volksmantra boven het IJ. ‘Noordgestoord’ is een geuzenleus en de lastige bereikbaarheid van het brugloze Noord is voor de arme inwoners een verworvenheid.

De IJ-oever begint de goudkust van de hoofdstad te worden

Tegelijkertijd valt niet te ontkennen: Noord verandert. Zeker de IJ-oever, met z’n blitse EYE filmmuseum, A’dam toren en vele fancy restaurants, begint de goudkust van de hoofdstad te worden. Op de beste plekken staan appartementen van 3,5 miljoen euro. Het pauperparadijs vertoont barsten nu in de tuindorpen, het bastion van de volkse Noorderling, sociale huurwoninkjes tegen enorme vierkantemeterprijzen worden verkocht. Alsof Lelystad plotseling Londen is. De sociale stijging van het stadsdeel maakt de ‘echte’ Noorderling bang, er dreigt iets eigens verloren te gaan. Ik herinner me nog die bezorgde opmerking op een tijdlijn van een Noordse Facebookgroep. ‘Liever geen mooie winkeltjes en musea in Noord, straks wordt het hier nog leuk.’

Behalve de Noorderling zelf, wilde vroeger niemand een huurwoning in Noord, nu staat iedereen in de rij. Vooral jonge hoogopgeleiden azen op corporatiewoningen die voor hen nog juist betaalbaar zijn. Het verklaart waarom yup in Noord een scheldwoord is.

Er lijkt zich een geschiedenis te herhalen, want in de jaren negentig van de afgelopen eeuw werden de sociale huurwoningen ook ‘ingepikt’. Destijds door allochtonen uit de sloopwijken van de Bijlmer en Nieuw-West. Etnische minderheden stroomden plotseling het tot dan toe ‘witte’ Noord in. Nergens in Amsterdam verwierf extreem-rechts (destijds Centrumpartij, nu PVV en FvD) zo’n hoog percentage stemmen als in een aantal tuindorpen van Noord. Maar zie: één generatie later is menig witte Noorderling getrouwd met een gekleurde nieuwkomer.

De afkeer van hoogopgeleiden lijkt dieper te zitten dan destijds met allochtonen. Hoogopgeleiden zijn een andere sociale klasse. Niet alleen pikken ze woningen in, ze maken het gebrek aan rijkdom zichtbaar. De nieuwe cafés en restaurants met dure koffie en biersoorten, tasten de identiteit van Noord aan – ooit een van ’s lands grootste communistische bolwerken.

Wie tijdlijnen op Facebook naspeurt, stuit op yuppofobie

Natuurlijk heeft de gentrificatie-tendens ook positieve kanten. De werkgelegenheid en het voorzieningenniveau nemen toe door de komst van hotels, kantoren, toeristen. En na een halve eeuw klagen over de afwezigheid van een bioscoop boven het IJ, heeft Noord er sinds kort opeens drie. Maar wat heeft de arme Noorderling eraan als die zelf wordt verdreven?

Er zijn verschillende groeperingen die zich verzetten tegen de upgrading van het stadsdeel. Wie tijdlijnen op Facebook naspeurt, stuit op een fenomeen dat zich laat kenschetsen als ‘yuppofobie’. Een opvallende groep is Verdedig Noord. Onder leiding van rapper Massih Hutak organiseert dit gezelschap regelmatig manifestaties. Het eist alle sociale huurwoningen op voor de eigen inwoners. Toeristen zijn persona non grata. Zo voerden ze actie tegen de I-Amsterdam-letters op het Van der Pekplein, in Noord het symbool van het toerisme uit het centrum. Ze willen een verplichte inburgeringsprocedure voor hoogopgeleide nieuwe inwoners en inperking van de vrijheid van onderwijs: alle kinderen moeten naar dezelfde school.

Een opvallend ­gezicht in de strijd tegen de gentrifi­catie van Amsterdam-Noord is ­rapper, schrijver en columnist Massih Hutak (1992). Later deze maand verschijnt zijn boek Jij hebt ons niet ­ontdekt, wij waren hier altijd al, over de schaduwkant van de gentrificatie. Voor dat boek toog hij naar Berlijn, New York, Londen en Los Angeles, waar hij overal hetzelfde zag gebeuren: in arme buurten worden de prijzen kunstmatig opgedreven en de oorspronkelijke ­bewoners verdreven.

Op zijn tweede vluchtte het gezin van Hutak van zijn geboorteland Afghanistan naar Pakistan. Hutak kwam in 1998 naar Nederland. Hij was onder meer ­leraar op een ­vmbo-school in Amsterdam-Noord.

Was het aandeel sociale huurwoningen in Noord rond de eeuwwisseling nog zo’n 90 procent, tegenwoordig is dat gedaald tot iets meer dan 50 procent. Daarmee heeft Noord nog steeds het grootste aandeel sociale huur, inclusief armoedeproblematiek, van de verschillende stadsdelen. Hoe dit aan te pakken? In een tijdperk dat Amsterdam het bestrijden van segregatie als speerpunt ziet, is het logisch om in het armste stadsdeel rijke mensen toe te laten. Toch is het gemeentelijk beleid om tweedeling te bestrijden tweeslachtig. 

Gratis naar het centrum kan alleen via trage pontveren

Zo is er de strikte gemeentelijke regel dat veertig procent van alle nieuwbouw sociaal is, ook in de arme stadsdelen met een meerderheid aan sociale huurwoningen zoals Noord. Met een dergelijk beleid zet je de segregatiemisser uit het verleden maar langzaam recht. Veel doeltreffender zou zijn de komende jaren uitsluitend sociale nieuwbouw neer te zetten in rijke stadsdelen en een bouwstop te gelasten voor sociale huurwoningen in arme stadsdelen. Universiteiten en wetenschapsparken – die tot op de dag van vandaag uitsluitend in de rijke stadsdelen gebouwd worden – zouden gespreid moeten worden. Maar een dergelijke serieuze aanpak tegen tweedeling durft Amsterdam niet aan.

Wat Noord betreft is, ondanks 160 jaar plannenmakerij, de eerste vaste verbinding voor fietsers en voetgangers tussen Noord en het centrum nog steeds toekomstmuziek. Ja, sinds twee jaar rijdt de veelbesproken Noord/Zuidlijn, maar dat is betaald OV. Fietsers en voetgangers kunnen het centrum uitsluitend bereiken via trage pontveren, een systeem dat al meer dan een eeuw piept en kraakt.

En ik? Ik woon nog altijd in Noord. Na het vwo ging ik psychologie studeren en haalde als eerste van de familie een universitair diploma. Pas tijdens mijn studie kwam ik in aanraking met leeftijdgenoten zonder arbeidersachtergrond. Ouders die onderwijzer, verpleegkundige, ingenieur of zelfs arts waren. Terwijl ik begon te beseffen hoe arm en laagopgeleid de omgeving was waarin ik opgroeide, drukte mijn moeder me bij herhaling op het hart dat ik ‘dan op de universiteit mocht zitten maar niet moest denken dat ik nu beter of slimmer was. Integendeel.’ Dan vielen er ongemakkelijke stiltes.

Nu pas, vele jaren later zie ik het: ik was een sociale stijger en mijn moeder dreigde iets eigens te verliezen. 

Lees ook:

Onvrede in Amsterdam-Noord: Die rijken maken de buurt er niet beter op

Luxe appartementen en hippe koffiebarretjes rukken op in Amsterdam-Noord. Daar hebben de armere inwoners van het stadsdeel niets aan. Fotografe Willeke Duijvekam portretteert ze in haar fotoserie ‘Vetarm’.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden