De biologische moeder van Hans van Rijssel had hem willen ophalen uit kindertehuis Aldegonde. Eenmaal daar bleek het jongetje net te zijn weggebracht. “Ik ben nooit uit haar leven geweest."

Afstandsmoeders / WeggeefkinderenHans van Rijssel

Hoe Hans van Rijssel zijn moeder kwijtraakte (en vlak voor haar dood weer terugvond)

De biologische moeder van Hans van Rijssel had hem willen ophalen uit kindertehuis Aldegonde. Eenmaal daar bleek het jongetje net te zijn weggebracht. “Ik ben nooit uit haar leven geweest." Beeld Hanne van der Woude

In dezelfde periode waarin de druk op ongehuwde vrouwen om afstand te doen van hun baby wordt opgevoerd, wordt ook steeds onduidelijker wie er verantwoordelijk is voor de duizenden kinderen van wie afstand wordt gedaan. Moeders en kinderen worden vermalen in een ondoorzichtig en chaotisch systeem

Gertha staat voor de deur van kindertehuis Aldegonde in Amersfoort. Het is 23 februari 1960, een koude en bewolkte dag. Gertha’s dan driejarige zoon Hans woont in het statige tehuis. Ze was ongehuwd toen ze hem kreeg, heeft onder druk van haar ouders afstand van hem gedaan.

Vandaag haalt ze haar zoon op, denkt ze. Ze heeft een afspraak met de Raad voor de Kinderbescherming Utrecht: eenmaal getrouwd mag ze haar kind ophalen. Over een paar dagen is de bruiloft. Ze gaat trouwen en haar aanstaande heeft Hans op 11 februari erkend. Het kind is voor de wet zijn zoon, samen zullen ze hem mee naar huis nemen.

Het loopt anders. Hans is al naar een pleeggezin, krijgt Gertha te horen aan de deur van Aldegonde. Ze krijgt hem niet mee en ze krijgt niet te horen waar hij is.

Wat zijn moeder op dat moment niet weet, is dat het jongetje slechts vijf dagen eerder, op 18 februari 1960, door de Kinderbescherming naar een gezin in Woerden is gebracht. Daar komt haar zoon pas decennia later achter, als hij op zoek gaat naar zijn eigen geschiedenis. In zijn dossier is te zien hoe de gebeurtenissen elkaar opvolgen.

“Ik ben nooit uit haar leven geweest”, zegt de inmiddels 64-jarige Hans van Rijssel. Zijn moeder kreeg met de man die hem erkende nog twee kinderen, Hans heeft sinds een aantal jaren contact met hen. Zijn halfzus heeft hem gezocht en gevonden. “Zij hebben altijd geweten van mijn bestaan. Ze had geen afstand van mij willen doen, Hansje was er altijd.” Dat zijn moeder hem had willen ophalen, hoorde hij van zijn halfzus. Voor ze overleed hebben moeder en zoon elkaar een half jaar gekend.

Waarom de peuter vijf dagen voor zijn moeder hem zou ophalen is weggebracht, zal waarschijnlijk altijd gissen blijven. Het dossier van de Kinderbescherming is vernietigd, ook dat van Huize Aldegonde is er niet meer. Zelf heeft Van Rijssel er wel een idee over. “Mijn pleegmoeder werkte voor de Raad voor de Kinderbescherming in Utrecht. Ik denk dat ze gezegd heeft: geef mij die maar snel.” Hij denkt dat zijn opa en oma hoe dan ook niet wilden dat hun dochter hem zou ophalen en dat de Kinderbescherming daar in mee is gegaan. Dit is vooral opvallend omdat zijn moeder al meerderjarig was toen ze van hem beviel. Haar ouders hadden wettelijk gezien niets te maken met haar keuze.

Van Rijssel is niet het enige kind dat eenmaal volwassen hoort dat zijn biologische moeder hem had willen ophalen uit een kindertehuis of doorgangshuis.

Liegen en mistgordijnen

Nederlandse Raden voor de Kinderbescherming en organisaties die zich bezighielden met ongehuwde moeders hielden bewust informatie achter voor ‘afstandsmoeders’ die voor hun eigen kind wilden zorgen. Ook is tegen sommige vrouwen niet de waarheid verteld over waar hun kind was. Dat blijkt uit onderzoek van Trouw en Omroep Gelderland naar de gevolgen van de adoptiewet in Nederland.

Moeders die terug wilden komen op hun vaak onder druk gemaakte beslissing hun kind af te staan, hadden daar in principe het recht toe. In de praktijk, zo blijkt uit het onderzoek, maakte het opgetuigde systeem met Raden voor de Kinderbescherming, tehuizen en voogdijraden het dat hen moeilijk of zelfs onmogelijk. 

Afstandsmoeders en weggeefkinderen

De adoptiewet lijkt in Nederland een eigen dynamiek tot stand te hebben gebracht, blijkt uit onderzoek van Trouw en Omroep Gelderland. Een waarin ongehuwde vrouwen onder grote druk afstand deden van hun baby of zelfs, decennia later, zeggen gedwongen te zijn hun kind af te staan. Schattingen over het aantal vrouwen dat zijn kind heeft afgestaan tussen 1956 - het moment dat de adoptiewet van kracht werd - en 1984 - toen abortus gelegaliseerd werd - lopen uiteen van 13.000 tot 20.000. Dat terwijl de Fiom (Federatie Instellingen voor Ongehuwde Moederzorg) in de twintig jaren daarvoor bemiddelde voor 328 kinderen van wie afstand was gedaan. 

In een reeks artikelen, te raadplegen via trouw.nl/adoptie, onderzoeken we wat er allemaal misging, hoe het zo mis kon gaan, en wat de impact ervan is op de levens van mensen. De verhalen van Omroep Gelderland zijn hier te bekijken. 

Waarom er tegen vrouwen is gelogen en op welke schaal dit gebeurde, is niet duidelijk. Wel duidelijk is dat het plaatsvond in een tijd waarin ongehuwd moederschap een schande was en men dat zag als een gevaar voor de samenleving. Ook was het systeem van afstand en adoptie vooral gericht op de belangen van pleegouders, blijkt uit het onderzoek van Trouw en Omroep Gelderland.

Voorgeschiedenis adoptiewet

Dat valt te verklaren uit de voorgeschiedenis van de adoptiewet. Die werd in 1956 weliswaar gelanceerd als zijnde een wet om kinderen te beschermen, maar kwam vooral voort uit de sterke lobby van pleegouders. Die wilden ook juridisch ouder worden van kinderen voor wie ze zorgden. Men wilde daarnaast af van de onzekerheid dat biologische ouders hun kind elk moment weer konden ophalen. Met alle gevolgen van dien, niet in de minste plaats voor kinderen die bij hun biologische ouders niet veilig waren. Andere Europese landen hadden al een adoptiewet, Nederland was een van de laatste.

Een adoptie werd officieel in gang gezet nadat een pleeggezin die had aangevraagd bij de rechtbank. In de praktijk was het besluit vaak al jaren daarvoor onvermijdelijk geworden, namelijk vanaf het moment dat een kind werd geplaatst in het pleeggezin. Bij de opheffing in 1974 schrijft de Centrale Adoptieraad, die de rechter adviseerde bij een adoptie, dat in slechts drie procent van de aanvragen een adoptie werd afgewezen. Daarbij heeft de raad ‘heel wat gevallen’ gezien waarbij de overweging om toe te stemmen was dat de zaak nu eenmaal niet meer was terug te draaien.

Lees ook het  verhaal Jessica Bijvang. Zij vond in haar dossier een briefje waarop staat dat de rechter weliswaar niet gelukkig is met de keuze voor het gezin waarin zij is geplaatst, maar dat hij na zeven jaar ‘niet anders kan’ dan de voogdij over te dragen. 

De Kinderbescherming had een centrale rol in het proces van afstand en adoptie. Die moest ten eerste op de hoogte worden gebracht als een vrouw afstand wilde doen en potentiële pleeggezinnen onderzoeken.

In de praktijk kwam daar lang niet altijd iets van terecht. “Wij weten allemaal dat het systeem een fictie is”, zegt secretaris Sark van de Fiom (Federatie Instellingen Ongehuwde Moeders) in 1958 bijvoorbeeld tijdens een vergadering waar ook de Raden voor de Kinderbescherming en de Centrale Adoptieraad bij aanwezig zijn. Het is volgens de secretaris onmogelijk om van alle gezinnen vast te stellen of ze geschikt zijn een pleegkind op te nemen.

De Kinderbescherming krijgt meer taken toebedeeld. Ze moest altijd op de hoogte worden gebracht van plaatsingen van kinderen onder de zes maanden - om snelle afstand te voorkomen. Ook om een moeder uit de voogdij te zetten was de instantie nodig.

Een chaotische toestand

Hoewel dat overzichtelijk klinkt, concludeert de Fiom in 1963 toch haast wanhopig dat er ‘een chaotische toestand’ is ontstaan. In dezelfde periode waarin de druk op ongehuwde vrouwen om afstand te doen van hun kind wordt opgevoerd, wordt steeds onduidelijker wie er verantwoordelijk is voor de plaatsing van de duizenden kinderen van wie afstand wordt gedaan.

Zowel de Raden voor de Kinderbescherming als de Fiom, de tehuizen als de voogdijverenigingen plaatsen kinderen bij gezinnen. Daardoor zijn op al die verschillende plekken lijsten ontstaan met kinderloze echtparen die graag een baby willen. Sommige echtparen worden door de Fiom ongeschikt geacht maar krijgen van de Kinderbescherming wel een kind. Opvallend is dat de lijsten met potentiële pleegouders steeds langer worden, maar dat kinderen langer dan gewenst in tehuizen doorbrengen.

Verantwoording

Trouw en Omroep Gelderland deden voor deze verhalen archiefonderzoek bij de Fiom, de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters, en het Gelders Archief en spraken met moeders, kinderen, andere betrokkenen, experts en onderzoekers. Ook is gebruik gemaakt van eerdere onderzoeken over en verkenningen naar afstand en adoptie. Het archief van de Fiom is doorzocht door Sylvana van den Braak. Het slotakkoord van de Centrale Adoptieraad is verkregen dankzij Eugenie Smits-van Waesberghe. 

Daarbij spelen een aantal problemen een rol. Ten eerste zat er een perverse prikkel in het systeem, concludeert de Universiteit van Amsterdam in 1971. Tehuizen hebben een permanent gebrek aan geld en krijgen betaald per kind dat ze opvangen. Sommige tehuizen houden kinderen daarom langer vast dan noodzakelijk, is het vermoeden, enkel om de boel draaiende te kunnen houden.

Tweede probleem is dat sommige verenigingen kinderen niet bij een gezin willen plaatsen tot het moment dat hun moeder definitief afstand van ze doet. Daarmee komen de kinderen in een soort limbo terecht, waarin ze niet met hun moeder mee kunnen of mogen maar ook niet wegkomen uit het tehuis. Dat leidt op zichzelf weer tot een spiraal aan problemen, omdat kinderen ‘hospitaliseren’ en daarmee minder populair zijn.

Ook achterstanden bij de verschillende organisaties die kinderen moeten plaatsen en het gebrek aan overzicht over lijsten met pleegouders, lijken een rol te spelen in de lange periode die kinderen in tehuizen zitten.

Pogingen de chaos te beteugelen 

Om die chaos enigszins te beteugelen, stelt de Fiom begin jaren zestig een centraal pleegouderregister voor. De Raden voor de Kinderbescherming houden dat tegen omdat het in hun ogen niet nodig is. Dat frustreert de Fiom. Ondertussen zijn de verschillende Raden voor de Kinderbescherming het overzicht compleet kwijt. Ze zien het niet allemaal als hun taak om aspirant-pleegouders te screenen en kinderen komen zonder hun medeweten in gezinnen terecht terwijl dat niet mag. 

Waar het gebrek aan toezicht toe kan leiden, blijkt uit de rest van het levensverhaal van Van Rijssel. 

U kunt de podcast die Trouw maakte over dit onderwerp via onderstaande speler beluisteren, of zoek hem op via de bekende kanalen als iTunesSpotify of Google Podcasts. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden