Excuses

Hoe de discussie over het slavernijverleden van de brievenrubriek naar de voorpagina verschoof

Ketikoti-optocht in Amsterdam in 2022.  Beeld ANP / Berlinda van Dam
Ketikoti-optocht in Amsterdam in 2022.Beeld ANP / Berlinda van Dam

Dat het kabinet voor het eind van dit jaar nog excuus maakt voor het slavernijverleden, is niet los te zien van het jarenlange maatschappelijke debat hierover. Een reconstructie: hoe ‘hun’ geschiedenis ‘onze’ geschiedenis werd.

Rianne Oosterom

Wie alle dikke krantenkoppen ziet over het excuus dat het kabinet gaat maken voor het slavernijverleden, kan zich bijna niet voorstellen dat het debat daarover nog geen dertig jaar geleden een kwestie was van hier en daar een lezersbriefje. Een briefje als dat van Roy Kaikusi Groenberg, dat hij in 1995 naar de Volkskrant stuurde.

De Duitse bondskanselier Helmut Kohl had op dat moment net nederig zijn excuus gemaakt voor wat zijn vaderland Nederland had aangedaan in de Tweede Wereldoorlog. Groenberg riep Wim Kok, de toenmalige premier, op deze houding over te nemen en een excuus te maken voor alles wat de Nederlanders het Surinaamse volk hebben aangedaan.

Het zijn op papier de eerste sporen van het slavernijdebat in Nederland, dat vanaf de jaren negentig mondjesmaat óók buiten de gemeenschappen van nazaten gevoerd wordt. Dit verhaal begint met Groenberg, maar had net zo goed bij één van de honderden, dan niet duizenden andere nazaten kunnen beginnen die zich al jaren over slavernij uitspreken.

Knipsel uit het archief van Roy Kaikusi Groenberg. In de krantenarchieven één van de eerste keren dat een excuus voor het slavernijverleden ter sprake komt.  Beeld Roy Kaikusi Groenberg
Knipsel uit het archief van Roy Kaikusi Groenberg. In de krantenarchieven één van de eerste keren dat een excuus voor het slavernijverleden ter sprake komt.Beeld Roy Kaikusi Groenberg

Zoals Groenberg zelf zegt: “We hebben een kleine sneeuwbal gemaakt die is gaan rollen en tot op de dag van vandaag door rolt.” In een van de eerste interviews die hij gaf over zijn missie, aan Trouw, motiveerde hij zijn strijd als volgt: “De striemen op ons lichaam zijn weggewerkt, nu willen we ook die op onze geest wegwerken.”

Juist omdat hij en andere nazaten zich niet gehoord voelden, verenigden ze zich in grassrootorganisaties. Die zijn, zeggen alle experts met wie Trouw sprak voor deze reconstructie, de motor geweest achter het debat, culminerend in het excuus dat de overheid nu voornemens is te maken voor het slavernijverleden.

De vraag is hoe dat verleden in dertig jaar van de lezersrubriek op de voorpagina terecht kwam.

1990 - 2000: De emancipatie van nazaten

“Je kunt je grootmoeder verbergen in de kast, maar je bezoek zal haar gekuch horen.” Met dit gezegde, dat Groenberg van zijn Surinaamse moeder kent, maakt hij duidelijk dat het slavernijverleden niet verdwijnt, als je het verzwijgt. Dáár wilde hij al vanaf zijn tienerjaren, als achterkleinkind van een tot slaaf gemaakte vrouw, verandering in brengen.

Volgens de nu 69-jarige Groenberg waren er in de jaren zestig al groepjes Surinamers die in Amsterdam in optochten aandacht vroegen voor het slavernijverleden. Maar in de jaren negentig werd dit pas echt zichtbaar voor de buitenwereld toen nazaten met Ketikoti, het feest om de afschaffing van de slavernij te vieren, het Surinameplein in Amsterdam confisqueerden.

Gert Oostindie, indertijd hoogleraar Caribische geschiedenis, toen nog een ‘perifere tak van wetenschap’, werd gevraagd deze ontwikkeling te duiden op televisie. “Kenmerkend voor die tijd was dat de media hierover liever een witte professor interviewden dan de Surinaamse actiegroep zelf”, zegt hij.

Het Parool noemde slavernij in de Nederlandse koloniën in deze jaren ‘een gevoelig onderwerp waar tot nu toe het liefst over gezwegen werd.’ Aanvankelijk leek er geen behoefte te bestaan onder nazaten dat verzwegen verleden bespreekbaar te maken, schreef de verslaggever. “Maar daar begint verandering in te komen.”

In de loop van de jaren negentig werd de strijd voor aandacht voor het slavernijverleden georganiseerder en richtte zich duidelijker op de politiek. Eind jaren negentig werd het Platform Slavernijverleden opgericht, waar ook de door Groenberg opgerichte stichting Eer en Herstel onder viel. Volgens hem waren er op dat moment meer dan tachtig organisaties die zich in het platform verenigden.

Groenberg en andere nazaten stuurden in die jaren diverse brieven aan bewindslieden, waarin zij vroegen om excuses, herstelbetalingen of op z’n minst een eigen monument. “Maar pas toen de zwarte intellectueel Martinus Arion diezelfde zaken bepleitte, drong tot het tweede kabinet-Kok door: dit kunnen we niet langer negeren”, zegt Oostindie.

De toegenomen aandacht voor het slavernijverleden past volgens Gert Oostindie in een bredere ‘herondekking van het koloniale verleden’ in dit decennium. “Met herontdekking tussen haakjes, want dit gold niet voor de gemeenschappen.”

Ontroering bij de onthulling van het Slavernijmonument in Amsterdam in 2002. Beeld ANP
Ontroering bij de onthulling van het Slavernijmonument in Amsterdam in 2002.Beeld ANP

2000-2006: Een plek voor ‘hun geschiedenis’

Toen duidelijk werd dat er een monument kwam, ging een sceptische Telegraaf-verslaggever verhaal halen bij slavernijplatformvoorzitter Barryl Biekman. Die vertelde hem: “Het is geen modegril. We zijn al 137 jaar bezig. Wil je racisme en discriminatie begrijpen, dan moet je weten waar het vandaan komt. (...) Het nationaal monument is een begin van erkenning.”

“In het vuur van haar betoog”, schreef de journalist, “waarin de emotie het wint van de logica, gunt zij de witte Telegraaf-verslaggever ook een rol in haar drama. Biekman: ‘Ik ben de nazaat van een slachtoffer. U bent de nazaat van een dader!’ Tja, dan zijn we gauw uitgepraat.”

“Journalisten waren heel onvriendelijk”, zegt Marian Markelo, wintipriesteres (een Surinaamse religie) over deze jaren. Zij was vanaf het begin actief in het Landelijk Platform Slavernijverleden. “Toen wij begonnen slavernijverleden te adresseren, om het erover te hebben, riep dat heel veel weerstand op in Nederland. Het was in woorden van vandaag: een onveilig klimaat.”

Marian Markelo. Beeld Mark Kohn
Marian Markelo.Beeld Mark Kohn

Gewone Nederlanders hielden zich nog niet echt bezig met het slavernijverleden, blijkt uit krantenartikelen uit die tijd. Volgens Nicole Immler, als hoogleraar aan de Universiteit van Humanistiek gespecialiseerd in de omgang met historisch onrecht, leefde in deze jaren sterk het idee dat slavernij ‘hun geschiedenis’ was en niet ‘onze geschiedenis’.

De Telegraaf-verslaggever vroeg daarna opheldering aan ‘de witte professor’ Piet Emmer. Die had op dat moment net een boek uitgebracht De Nederlandse Slavenhandel 1500-1850, waarin hij volgens nazaten de ernst van de slavernij relativeerde, door te stellen dat het Nederlandse aandeel in de wereldwijde slavenhandel ‘maar’ 5 procent bedroeg.

Zijn boek maakte veel los, weet Martine Gosselink, nu directeur van het Mauritshuis en gespecialiseerd in zeventiende-eeuwse geschiedenis. Ze herinnert zich een lezing van Emmer in het Tropenmuseum, waarbij mensen opstonden en wegliepen. Voor een excuus vanuit de overheid was het debat nog te pril. In 2001 sprak Roger van Boxtel, toenmalig minister van integratie, wel van ‘diepe spijt, neigend naar berouw’, wat veel minder ver gaat dan excuus en juridisch vrijblijvender is.

De gang van zaken rond de onthulling van het slavernijmonument in 2002, was volgens Groenberg symbolisch. Waar de hoogwaardigheidsbekleders rond het monument stonden, moest het publiek, onder wie veel Surinamers, bij de opening vanachter dranghekken toekijken. “Alsof je tegen kinderen zegt: ‘Hier is een snoepje maar je krijgt het niet’.”

Toen de hekken werden verwijderd, zag hij ontroerende taferelen. “Mensen raakten in extase, anderen vielen flauw van de emotie, grote mensen gingen als kleine kinderen janken.” Na de onthulling van het monument werd het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (Ninsee) opgericht dat grotendeels door de nationale overheid gesubsidieerd werd. Ook kreeg het slavernijverleden een plek in de canon. Spijt, een monument, subsidies: van een verzwegen verleden was inmiddels geen sprake meer.

2006-2013: De VOC-mentaliteit en verharding

Hij kon beter het vliegtuig uitvallen, de zee in. Hij mocht als man ‘uit de rimboe’ niet vertellen wat Nederlanders wel en niet mochten doen. Het was in deze jaren dat Groenberg de weerstand begon te voelen tegen zijn strijd. In dit geval specifiek in zijn strijd tegen de ‘negerzoen’, die in 2006 ‘Buijszoen’ ging heten.

Nu het slavernijdebat het onderwijs en de supermarkt was binnengedrongen, zorgde dat voor verzet. Minister Jan-Peter Balkenende roemde in het jaar daarna de VOC-mentaliteit van Nederland, wat door nazaten als kwetsend werd ervaren. De polarisatie in het debat was geboren.

Willem-Alexander en Máxima bij Ketikoti in 2013.  Beeld Rob Huibers
Willem-Alexander en Máxima bij Ketikoti in 2013.Beeld Rob Huibers

“Na het monument zakte het slavernijverleden een beetje weg. Het was kennelijk genoeg geweest”, zegt wetenschapper Oostindie. Het slavernijdebat was ‘harteloos en rancuneus’ geworden, concludeerde de Surinaams-Nederlandse schrijver Anil Ramdas in een opiniestuk. Hij zag de nazaten bozer worden, schreef hij, en wetenschappers zoals Emmer zakelijker.

Toen het in 2013 anderhalve eeuw geleden was dat de slavernij afgeschaft was, hoopten nazaten op een geste. Excuses, herstelbetalingen. Maar Lodewijk Asscher, indertijd minister van sociale zaken, betuigde nog eens ‘diepe spijt en berouw’ net zoals zijn voorganger Van Boxtel. En koning Willem-Alexander, ook aanwezig, zweeg.

De rijkssubsidie voor het Ninsee werd op datzelfde moment stopgezet, waardoor de ‘diepe spijt’ voor velen als een wassen neus voelde. Sandew Hira, een Surinaamse historicus, zei in Vrij Nederland: “Eigenlijk interesseert dat hele slavernijverleden Nederland geen reet.” De teneur volgens hem: “Als het echt niet anders kan, dan moet het maar herdacht worden.”

Ja, de aandacht kakte in deze jaren misschien in, zegt wintipriesteres Markelo, die de 2013-herdenking mede-organiseerde, maar in eigen kring ging het debat door. Wel was het stopzetten van de subsidie een nekslag. “We boetten aan slagkracht in. En ook aan morele kracht.”

2013-2019: Van slachtofferschap naar rechten opeisen

Wie denkt dat het debat hierna verstomde, heeft het meer dan mis. Er was een stevige basis gelegd en de periode die volgde, vormde in alle opzichten een kantelpunt. Het eerste excuus voor het slavernijverleden werd gemaakt door de Raad van Kerken. Twee slavernijfilms werden door een breed publiek bekeken: 12 Years a Slave en Django Unchained.

De zwartepietendiscussie, die al heel lang sluimerde, brak door nadat een delegatie van de Verenigde Naties Nederland op de vingers tikte voor het racistische stereotype van Zwarte Piet. De actiegroep Kick Out Zwarte Piet werd opgericht en de link tussen Piet en het slavernijverleden werd bekender, en daarmee het slavernijverleden ook.

Tegenstanders van Zwarte Piet voeren actie tijdens de intocht van Sinterklaas in Gouda in 2015 Beeld ANP
Tegenstanders van Zwarte Piet voeren actie tijdens de intocht van Sinterklaas in Gouda in 2015Beeld ANP

De wereld was te klein toen het Rijksmuseum de koloniale taal van de bordjes verwijderde, waarbij ook veel aandacht was voor woorden gerelateerd aan slavernij. Martine Gosselink, indertijd hoofd geschiedenis van het museum, werd gebeld door buitenlandse media, van The New York Times tot en met El Mundo. “Ik dacht dat we hier laat mee waren, maar we bleken een soort pionier.”

De protestbeweging Black Lives Matter in 2019 maakte net als de zwartepietendiscussie de sporen van het koloniale verleden onmiskenbaar duidelijk. Demonstranten droegen Haïtiaanse vlaggen, waarmee verwezen werd naar de grote slavenopstand zeventig jaar voor de afschaffing van de slavernij. “De revolutie van toen probeerde een einde te maken aan slavernij en racisme. Bij deze protesten gaat het nog steeds over de erfenis daarvan”, zei historicus Karwan Fatah-Black hierover in zijn toespraak op Ketikoti.

In deze periode is het slavernijdebat volgens historica Immler verschoven van ‘slachtoffernarratief’ naar een ‘rechtennarratief’. “Het verleden werd het referentiekader voor de verbeelding van een betere toekomst, en de herinnering aan de ervaringen van de voorouders symboliseerde het eigen streven naar een meer rechtvaardige samenleving.”

Roy Kaikusi Groenberg met Femke Halsema tijdens het excuus voor het slavernijverleden in Amsterdam.  Beeld Roy Kaikusi Groenberg
Roy Kaikusi Groenberg met Femke Halsema tijdens het excuus voor het slavernijverleden in Amsterdam.Beeld Roy Kaikusi Groenberg

2020 - 2022: Van ‘hun’ geschiedenis naar een ‘gedeelde geschiedenis’

De tijd was rijp voor daden. En zo kwam het dat Groenberg glimlachend met burgemeester Femke Halsema op de foto ging op een voor hem historische dag: de dag waarop het Amsterdamse stadsbestuur excuses aanbood voor zijn rol in het slavernijverleden. Ook Rotterdam en Utrecht en twee banken deden dat.

Deze particuliere excuses van instituties legden druk op de nationale overheid om ook over de brug te komen. Coalitiepartijen D66 en ChristenUnie vroegen hier in 2020 om. Er werd subsidie vastgesteld voor Ketikoti, en het kabinet wilde ‘een dialoog’ over het slavernijverleden. Maar premier Mark Rutte was duidelijk: een excuus was ‘een raar verzoek’.

Want verzet was en is er ook, tegen de ‘excuuscultuur’ die ingegeven zou zijn door de woke-beweging, overgewaaid uit de Verenigde Staten. Vooral rechts spreekt zich ertegen uit. Uit een enquête van I&O Research in 2021, in opdracht van Trouw, bleek dat 55 procent nee zegt tegen een excuus, hoewel veel Nederlanders het slavernijverleden ernstig vinden.

Immler ziet tussen de regels van deze discussie wel de opmars van het filosofische concept ‘transgenerationele verantwoordelijkheid’, het idee dat onrechtvaardigheid telt zolang ze ervaren wordt in de samenleving. Dat geldt niet bij de bezetting door de Romeinen of de rooftochten van de Vikingen, maar wel voor het slavernijverleden.

Dat was overigens ook de conclusie van een adviescollege dat het kabinet had ingeschakeld om de gevolgen van het slavernijverleden anno nu te peilen: er is een directe lijn tussen slavernij en hedendaags racisme en structurele ongelijkheid. Deze commissie pleitte daarom voor een excuus én adviseerde in de wet op te nemen dat slavernij een misdaad tegen de menselijkheid is.

Juist het besef dat slavernij doorwerkt vandaag de dag, wordt nu breder gedeeld, ziet ook Gosselink. “Wat sommige mensen allang wisten, de Gloria Wekkers (bekend van haar boek Witte onschuld) van deze wereld, beklijft nu. Het wordt beter uitgelegd. Het is een olievlek die zich verspreidt.”

Doordat de slavernijgeschiedenis nu meer over vandaag gaat, is het volgens Immler niet langer ‘hun geschiedenis’ maar ook ‘onze geschiedenis’. Familieverhalen die het slavernijverleden met vandaag verbinden spelen daarin een sleutelrol, ziet zij, zoals in de veelbeluisterde podcast De plantage van mijn voorouders gebeurt.

De inzet van een nieuwe generatie jonge mensen heeft het verschil gemaakt, zegt wintipriesteres Markelo. “Zij hebben meer vuurkracht om het slavernijverleden onder de aandacht te brengen. Toen ik hen bezig zag, dacht ik: ik kan met pensioen! Ik ga niet meer strijden, alleen maar plengoffers brengen, zodat zij de kracht vinden om door te gaan.”

Lees ook:

Vijf experts over de zin en onzin van een slavernij-excuus

Autochtone Nederlanders zien weinig heil in excuses voor het slavernijverleden, waar vooral de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap om vraagt. Wat is de zin van excuses als het draagvlak zo gering is? Doen andere landen dat wel? Wat kost het? Waarom zijn Marokkanen warm voorstander en kan het Indonesische Nederlanders minder schelen? Vijf experts geven het antwoord.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden