Zuigelingenkamer van de stichting Moederheil in Breda, foto gemaakt tussen 1930 en 1935.

Afstandsmoeders / WeggeefkinderenTijdgeest

Hoe afstand doen van je kind de norm werd

Zuigelingenkamer van de stichting Moederheil in Breda, foto gemaakt tussen 1930 en 1935. Beeld Stadsarchief Breda.

Moeder en kind horen bij elkaar was in 1956 het credo. Maar na introductie van de adoptiewet was dat uitgangspunt verdwenen. Hoe kan het dat in tien jaar tijd duizenden vrouwen werden gescheiden van hun kind? 

Het is augustus 1967 en in Oosterbeek, in het groen aan de Nico Bovenweg, wordt het nieuwe gebouw geopend van de Paula Stichting. Hier zullen de komende jaren honderden ongehuwde moeders bevallen en even zoveel baby’s hun eerste maanden of zelfs jaren doorbrengen. Het moderne en nieuwe gebouw wordt geopend door psychiater Gribling.

Zijn toespraak ademt een nieuw tijdperk. Vroeger, zegt hij, gold als uitgangspunt: moeder en kind horen bij elkaar. Maar ‘het zal u bekend zijn’, vervolgt hij, ‘dat dit uitgangspunt met name in de laatste tien jaar volstrekt verlaten is, om zo vanzelfsprekende redenen dat wij ons nu nog slechts over het hanteren ervan kunnen verwonderen’.

De adoptiewet is dan elf jaar van kracht, sinds 1956. Die wet was ingegeven door de wens van pleegouders om ook juridisch ouderschap te krijgen over hun pleegkinderen. Dat ging toen toen om kleine aantallen. Want het motto was destijds: moeders, hoe gevallen ook, moeten voor hun baby’s zorgen. Een uitgangspunt dat inmiddels ook weer geldt.

De adoptiewet lijkt onbedoeld een eigen dynamiek tot stand te hebben gebracht

Maar in de jaren zestig gold die gedachte plots als ouderwets. Schadelijk zelfs. De adoptiewet lijkt onbedoeld een eigen dynamiek tot stand te hebben gebracht. Een waarin ongehuwde vrouwen onder grote druk afstand deden van hun baby of zelfs, decennia later, zeggen gedwongen te zijn hun kind af te staan. Schattingen over het aantal vrouwen dat hun kind heeft afgestaan tussen 1956 - het moment dat de adoptiewet van kracht werd - en 1984 - toen abortus gelegaliseerd werd - lopen uiteen van 13.000 tot 20.000. Dat terwijl de Fiom (Federatie Instellingen voor Ongehuwde Moederzorg) in de twintig jaren daarvoor bemiddelde voor 328 kinderen van wie afstand was gedaan.

Het werkelijke aantal kinderen zal overigens hoger gelegen hebben, want de Fiom zag niet alles. In het begin van de vorige eeuw werden kinderen ook via krantenadvertenties aangeboden of geplaatst bij zussen, tantes of andere bekenden als zijnde een eigen kind.

Toch is wel degelijk duidelijk dat er een enorme verschuiving heeft plaatsgevonden. Waar de Fiom in 1954 nog wist dat vier procent van de moeders die in een tehuis beviel afstand deed van haar kind, was dat percentage tien jaar later 39 procent.

Tussen 1956 en en 1984 zijn ruim vijftienduizend Nederlandse kinderen daadwerkelijk geadopteerd, het grootste deel in de jaren zeventig. Op het hoogtepunt, in 1974, spraken rechters 1259 adopties uit. Dat zijn er bijna vier per dag. Omdat er vaak jaren zaten tussen het moment dat een vrouw afstand deed en de daadwerkelijke adoptie is het veilig om te stellen dat het overgrote deel van de geadopteerden in de jaren zestig is geboren. Hoe heeft het zo ver kunnen komen dat in tien jaar tijd duizenden vrouwen werden gescheiden van hun kind? 

Beeld Thijs Van Dalen
Kinderen in het opvangtehuis van de Paula Stichting. Beeld *

Het sentiment slaat om

Het was de tijdsgeest, is een veelgehoord antwoord op die vraag. Maar die tijdgeest veranderde in de jaren nadat de adoptiewet werd ingevoerd: tot begin jaren zestig werden ongehuwde moeders, hoe gevallen ook, geacht zelf voor hun kind te zorgen. De Fiom, waar 144 instellingen voor ongehuwde moederzorg bij waren aangesloten, hamert in die eerste jaren na 1956 nog op het uitgangspunt dat moeder en kind bij elkaar horen. Het is niet de bedoeling, waarschuwt de federatie, dat de adoptiewet in de hand werkt dat het normaal wordt om afstand te doen.

Begin jaren zestig slaat het sentiment om, onder invloed van de opkomst van de psychiatrie en de professionalisering van het maatschappelijk werk. Zenuwarts Kees Trimbos, fervent voorstander van het idee dat afstand het beste is voor kinderen van ongehuwde moeders, mag in 1962 een inleiding houden op een vergadering van de Fiom. ‘Sportief en loyaal’ noemt hij dat, omdat de federatie op dat moment nog ‘propageert’ dat moeder en kind samen horen.

Die gedachte, zegt hij, gaat alleen maar uit van wat het beste is voor de moeder niet voor het kind. Die zou gebaat zijn bij een ‘echt’ gezin, met een vader, een gezinssfeer en sociale status. Hoewel hij zegt dat elk ‘geval’ individueel moet worden bekeken, houdt hij zijn toehoorders ook voor dat het niet enkel aan de moeder zelf is wat er met haar kind gebeurt, ‘want ze is niet de enige die de gevolgen moet dragen’. “Als sociaal-pathologisch verschijnsel ligt de oplossing op gemeenschapsniveau”, aldus Trimbos. In die gemeenschap komen ‘ook gezinnen voor, die geen kinderen hebben en zeer goed de zorg voor een kind op zich kunnen nemen’.

Hij bepleit dan ook dat de beslissing om afstand te doen zo vroeg mogelijk moet worden genomen, het liefst voor de bevalling.

De Maasbode, 16 november 1961. (klik op de afbeelding om hem te vergroten) Beeld Delpher / KB

Die visie is niet geheel nieuw. Zenuwarts Trimbos schrijft die voor het eerst op in 1953, samen met psychiater Han Heijmans. In de tien jaar daarna krijgen zij steeds meer invloed. Heijmans wordt in 1963 adviserend lid van de Fiom en is dan directeur van het Katholiek bureau Moederhulp in Amsterdam, Trimbos is tot 1962 lid van de Centrale Adoptieraad. Die raad adviseert over individuele adopties en over het systeem als geheel.

Ook de positie van voorzitter van de Centrale Adoptieraad is een interessante. In 1962 gaat die naar Hendrik Cloeck, secretaris van de Sociale Raad in Amsterdam. Het is dezelfde man die in 1946 het eerste proefschrift heeft geschreven over adoptie, inclusief een uitgewerkt voorstel voor een wet. Een voorstel waar de uiteindelijke adoptiewet erg op lijkt. In 1955 heeft Cloeck ook de Nederlandse afdeling opgericht van de International Social Services (ISS), dat zich na de Tweede Wereldoorlog ging bezighouden met migratie en adoptie.

Voormalig kindertehuis Aldegonde aan de Arnhemseweg te Amersfoort. Beeld archief eemland

In de vergadering van de Fiom die zenuwarts Trimbos mag openen, wordt duidelijk hoe ver sommige mensen bereid waren te gaan vanuit de rotsvaste overtuiging dat een ongehuwde vrouw niet voor een kind kan zorgen. Een kinderrechter uit Zutphen merkt op dat de wet voorschrijft dat meerderjarige vrouwen alleen uit de voogdij gezet mogen worden bij slecht levensgedrag, misbruik, verwaarlozing of krankzinnigheid. Dit is vaak niet van toepassing op ongehuwde moeders. Dus hoe, vraagt hij zich hardop af, kunnen we moeder en kind dan toch scheiden als de moeder zich verzet en dat van de wet niet mag? Er moet een nieuwe wetsbepaling komen, vindt deze rechter, en in de jaren daarna worden meerderjarige ongehuwde moeders inderdaad uit de voogdij gezet omdat zij ‘ongeschikt of onmachtig’ zijn ‘de plicht tot verzorging of opvoeding te vervullen’.

Een professor uit Groningen merkt nog op dat de moeders om wie het gaat ‘een ernstige morele misdaad’ hebben begaan en dat ze daarmee ‘geen moreel recht’ meer hebben op hun kind.

Kinderen in het opvangtehuis van de Paula Stichting. Beeld M.A.I. van Bommel

U kunt de podcast die Trouw maakte over dit onderwerp via onderstaande speler beluisteren, of zoek hem op via de bekende kanalen als iTunesSpotify of Google Podcasts. 

De stemming slaat om 

Hoewel er ook kritiek klinkt op deze mannen, slaat de stemming vanaf dat moment om. Het valt de Fiom in 1963 op dat vrouwen in steeds meer doorgangshuizen na de bevalling niet de gebruikelijke drie maanden welkom zijn, maar slechts een dag of tien. Terwijl tien jaar eerder een opname van drie maanden nog noodzakelijk werd geacht voor de band tussen moeder en kind. Als dat onmogelijk bleek, bijvoorbeeld omdat een vrouw dan haar baan kwijt zou raken, dan was toch minstens zes weken het streven.

Voor net bevallen vrouwen, die op dat moment nog niet zelfstandig een woning mochten huren, bij familie vaak niet welkom waren en geen aanspraak konden of wilden maken op bijstand of andere financiële hulp, betekende dit veelal dat het wel erg moeilijk was om hun baby mee te nemen als ze zelf het tehuis moesten verlaten.

Daarbij verliest de Fiom, die lang kritisch blijft op het afstand doen, invloed. In 1964 wordt de Fiom-Commissie tot centralisatie inzake afstand van kinderen opgeheven, waarna ongehuwde moeders overgeleverd lijken te worden aan de tijdgeest die zich steeds meer tegen hen keert.

De veranderende norm is ook in de Paula Stichting te zien. In 1961 behoudt ruim 60 procent van de moeders die bij de stichting bevalt hun kind, in 1964 is dat iets meer dan de helft en in 1968, het jaar na de opening van het gebouw in Oosterbeek, doet meer dan de helft van de moeders juist afstand. Waar moeders voor invoering van de adoptiewet nog contact hielden met hun kind in een pleeggezin, worden in Oosterbeek alle banden verbroken.

Lees hier hoe de dan 22-jarige Trudy Scheele-Gertsen in 1968 haar zoon moest afstaan in de Paula Stichting in Oosterbeek. “Wat er met mij en hem gebeurd is, is mensonterend.” 

Op de precieze rol van de adoptiewet daarbij, is moeilijk de vinger te leggen.Maar het feit dat adoptie juridisch mogelijk werd, lijkt het fenomeen te hebben aangemoedigd. De Commissie tot centralisatie inzake afstand van kinderen heeft daar wel een gedachte over. Die schrijft bij opheffing in 1964: ‘Ongetwijfeld is door het feit, dat adoptie in ons rechtsstelsel is ingevoerd, de neiging versterkt tot scheiding van moeder en kind’. 

‘Adoptiemarkt verstoord’

In 1970 verandert het sentiment en schrijft de Katholieke Hogeschool in Tilburg dat ‘de adoptiemarkt’ is verstoord nu steeds meer moeders hun kind alleen opvoeden. “Het evenwicht tussen vraag en aanbod is verstoord”, aldus een publicatie over ongehuwde moeders die hun kind gehouden hebben.

Inderdaad daalt het aantal kinderen dat wordt afgestaan in de jaren zeventig snel. De bewust ongehuwde moeders komen op, in 1965 is de algemene bijstandswet ingevoerd, anticonceptie komt beschikbaar. De snelle daling van het aantal Nederlandse kinderen van wie afstand wordt gedaan, leidde er overigens wel toe dat het aantal kinderen dat uit het buitenland wordt geadopteerd snel toeneemt.

Zo kan het gebeuren dat vrouwen die eind jaren zestig onder druk of gedwongen afstand doen van hun kind, amper vijf jaar later met verbijstering moeten toezien hoe alleenstaande moeders gevierd worden als het toppunt van vooruitgang en feminisme.

 Verantwoording 

Trouw en Omroep Gelderland deden voor deze verhalen archiefonderzoek bij de Fiom, de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters, en het Gelders Archief en spraken met moeders, kinderen, andere betrokkenen, experts en onderzoekers. Ook is gebruik gemaakt van eerdere onderzoeken over en verkenningen naar afstand en adoptie. Het archief van de Fiom is doorzocht door Sylvana van den Braak. Het slotakkoord van de Centrale Adoptieraad is verkregen dankzij Eugenie Smits-van Waesberghe.  Kijk voor alle verhalen, een podcast, uitgebreide verantwoording, en nog veel meer op trouw.nl/adoptie. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden