Een opname uit 'IJswee', de afstudeerfilm van Okki Poortvliet

InterviewIJswee

Filmer Okki Poortvliet peilt ons heimwee naar vorst en ijs

Een opname uit 'IJswee', de afstudeerfilm van Okki PoortvlietBeeld Okki Poortvliet

Terwijl het buiten onrustbarend heet is, opent in Groningen een koek-en-zopie-tent en kun je er kijken naar de film ‘IJswee’.

Ze hadden die Wet van Murphy ook nooit moeten aannemen. Sta je midden in je documentaire over winterverlangen, heb je daar zelfs een woord voor verzonnen (‘ijswee’), sta je helemaal klaar om al die heroïsche verhalen van weleer vast te leggen, draaiende camera’s… begint het alsnog te vriezen.

Ja, lacht Okki Poortvliet (22). ‘‘Dat was wel even schakelen.’’ Maar! Murphy was nog niet klaar met haar. Tegen de tijd dat de film in première gaat, vallen de mussen dood van de daken. ‘‘Misschien wakkert de ijswee wel extra aan nu het zo warm is. Ik zou zelf in elk geval nu wel even vijf minuten op de ijsbaan willen staan.’’

Als een plaatje van Anton Pieck

Poortvliet groeide op in het Drentse Odoorn, waar ze als jong meisje geregeld over de ijsvloer gleed. Dikke kleren, rode konen, op de schaatsbaan die, heel feeëriek, midden in het bos ligt, alsof Anton Pieck hem daar zelf had neergelegd.

Lang hoefde ze niet na te denken over een onderwerp voor haar afstudeerproject aan de Groninger academie Minerva. Al was het ver boven nul, elk jaar weer kwamen in haar geboortedorp de koppen bij elkaar, werd de pomp aangezet, het open/gesloten-bordje klaargelegd, elk jaar stond alles stand-by voor je weet maar nooit, want je weet maar nooit.

‘‘Ik vind het fascinerend hoe gepassioneerd mensen bezig zijn met iets wat bijna nooit gebeurt. En áls het dan gebeurt, dan duurt het maar een paar dagen – lang niet meer die schaatsperiodes van aaneengesloten weken die je vroeger had.’’

Okki Poortvliet (links) met Thera, Tonnie en Manus Koudenburg van de  ijsvereniging Schoonmeer Beeld Reyer Boxem
Okki Poortvliet (links) met Thera, Tonnie en Manus Koudenburg van de ijsvereniging SchoonmeerBeeld Reyer Boxem

Maandenlang bracht ze door in Odoorn, ze zat bij vergaderingen van de ijsvereniging, volgde alle voorbereidingen op de voet. Ze wilde via de vrijwilligers in haar voormalige dorp het grotere verhaal vertellen van opwarming en klimaatverandering, het optimisme in het pessimisme vastleggen. En toen de winter in februari een onverwachte plotwending kreeg, kreeg de film die ook.

Een tien voor de film IJswee

Precies een jaar was ze ermee bezig, en wát een jaar was het: corona, onzekerheid, veel regen en toen ineens die winterprik in februari. En vervolgens het weer klimmende kwik, de schaatsen die weer in de kast verdwijnen, misschien wel voor altijd? ‘‘De film is ruim twee keer zo lang geworden als ik voor ogen had. Maar het is nu wel een heel mooi rond verhaal geworden. Heel bijzonder dat het zo ging.’’ Academie Minerva beloonde IJswee met een tien.

Een glansrol in de film is weggelegd voor de familie Koudenburg, die een speciale plek inneemt in de geschiedenis van Odoorn en ijs. Het is 1933 als Age Koudenburg voor het eerst de Oringer ijsbaan betreedt. Hij is dan net vanuit Friesland in het Drentse dorp komen wonen en met zijn vijfenveertig jaar minstens twintig jaar ouder dan de lokale jongens op het ijs.

Meewarig kijken zij naar die nieuweling. ‘‘Ze dachten: dat ouwe Friese boertje zullen we wel eens even een lesje leren’’, vertelt Ages zoon Manus, die nu 84 is. ‘‘Nou, wat denk je? Hij schaatste ze er allemaal uit!’’ Een naam is gevestigd.

Twee broeken over elkaar

Manus Koudenburg herinnert zich nog precies de eerste keer dat hij zelf op de ijsbaan kwam. Een jaar of zes zal hij geweest zijn, zeven misschien. ‘‘Ik bond de schaatsen onder en reed gewoon weg. Of ik een stoel bij me had? Ben je gek jôh. Een stoel is om op te zitten!’’

En nu, vervolgt hij zijn ijsmonoloog, nu klagen kinderen dat de ijsbaan zo ver weg is. ‘‘Maar ze hebben allemaal een warme auto waarin ze worden gebracht en gehaald! Wij waren met negen kinderen thuis, niemand had zelfs maar een fatsoenlijke fiets, dus we liepen die tweeënhalve kilometer naar de baan, twee broeken over elkaar, en om warm te blijven schaatsten we, met houtjes onder de klompen. En denk maar niet dat we proviand mee hadden. Als we dorst kregen, prikten we gaatjes in het ijs en dronken zo het water op.’’

Die laatste anekdote schudt een herinnering wakker in het hoofd van zoon Tonnie. ‘‘Als de baan open is, verkoopt een oude boer hier altijd warme worst. En aan het eind van de dag gooide die het warme water, waar de worst in had gedobberd, in de gaatjes in het ijs. Maar in het donker kon hij het niet zo goed zien allemaal. En wat denk je? De volgende ochtend zaten er allemaal worsten vastgevroren in het ijs!’’ Manus, zoon Tonnie en dochter Thera lachen smakelijk.

Elke week een marathon

Het ijs bepaalde de levens van de Koudenburgjes. Het talent van pake ging over op de generaties na hem. Thera haalde de Drentse selectie en moest dagelijks trainen in Assen. Tonnie reed elke week een marathon, eveneens in de provinciehoofdstad. Nichtje Janine schopte het tot Nederlands kampioen korte baan. Verschenen zij aan de start, dan werd iedereen zenuwachtig. Want, zo wisten de Oringers: ‘‘Als de kinderen van Koudenburg meedoen, ben je kansloos.’’

Thera ontmoette zelfs haar man op het ijs. Nee nee, niet hier in Odoorn, lacht ze, tijdens een toernooi in Inzell. En ook de kinderen van Tonnie en Thera zijn verdienstelijk schaatsers.

Het is elk jaar weer spannend hoe dik het ijs wordt Beeld Okki Poortvliet
Het is elk jaar weer spannend hoe dik het ijs wordtBeeld Okki Poortvliet

Toen zijn kinderen op hoog niveau gingen trainen, begon Manus hun schaatsen te slijpen. Er kwam eens iemand aan de deur met botte ijzers, en toen nog iemand en nog iemand, en ineens lag de hele kelder vol, zo’n vijf-, zeshonderd paar. ‘‘Kinderen die uit hun schaatsen waren gegroeid, kwamen bij ons langs om te ruilen’’, vertelt Thera. ‘‘Iedereen wist: je moet bij Koudenburg aan de Borgerderweg zijn.’’ ‘‘Ik ben er niks rijker van geworden hoor’’, knipoogt Manus. Niet dat dat hem iets uitmaakt. ‘‘Het ging mij erom dat de kinderen moesten leren schaatsen.’’ Maar waaróm? Waarom vindt hij dat zo belangrijk? ‘‘Nou gewoon, omdat ik een liefhebber ben.’’

Zwemmen kan elk jaar

Nu zitten Tonnie en Thera allebei in het bestuur van de ijsvereniging, trots prijkt het logo op hun jasjes. De nul in zicht of niet, dat maakt niet uit, ook zonder ijs is er genoeg te doen voor de elf bestuursleden en alle vrijwilligers. Het houten huisje voor kantine en opslag moest opnieuw opgebouwd nadat een pyromaan het platbrandde. Tonnie bouwde een nieuw hek, hij nam gezellig zijn vader mee, zoals wel vaker als hier iets moet gebeuren. En dan nog de jaarlijkse klusjes: de veegmachine wordt gecontroleerd, de dakgoten schoongemaakt, het gras gemaaid, overtollig hout verwijderd.

Het is de spanning, zegt Thera. Zwemmen kan elk jaar, voetballen ook, maar schaatsen? ‘‘Kan het wél? Kan het niet? Het heeft iets magisch. De elementen van de natuur.’’ Zo gauw de temperaturen zakken, vertelt ze, gaat het los in de appgroep. ‘‘Dan sturen we weersvoorspellingen naar elkaar.’’

Dan gebéurt er echt iets, valt Tonnie zijn zus bij. ‘‘Als het ijs wordt opgemeten, houdt iedereen zijn adem in.’’ Je vóelt het, zegt vader Manus. ‘‘Als het kouder wordt, begint je bloed te koken. Ik zie mijn eigen vader nog zo voor de kachel zitten, de houtjes in orde maken voor al zijn negen kinderen. Het zit in onze genen.’’

En áls het dan kan, dan is treuzelen geen optie. Dus hup, iedereen in de benen: licht, muziek, aggregaten, kantine, rookworst, chocomel. Valt er sneeuw, dan gaat er een oproep rond via Facebook, dan komen de dorpelingen met kruiwagens de sneeuw van het ijs af sjouwen. ‘‘En áls we open kunnen, dan staat het halve dorp op het ijs, en de andere helft staat ernaast.’’

Een paar noren

Okki Poortvliet vertoont haar film nu op het Suikerunieterrein, koek-en-zopie-tent erbij. In het najaar wil ze, corona volente, de documentaire laten zien aan haar voormalige dorpsgenoten in de kerk van Odoorn. Wat ze er zo tot nu toe van gezien hebben, zegt ze, daar zijn de Oringers enthousiast over, ze verheugen zich op een mooie vertoning in het dorp. En dan zullen er ongetwijfeld nog wat anekdotes over tafel gaan, want och, de verhalen.

Op deze baan, vertelt Manus Koudenburg, werd hij ooit, een jaar of zestig geleden, eens aangesproken door een onbekend sujet, wilde hij misschien een paar noren kopen? ‘‘In die tijd had niemand nog noren. Hij had ze voor vijftig gulden gekocht en ik mocht ze hebben voor vijfentwintig.’’

Manus schiet in de lach. ‘‘Weet je waarom die man geld nodig had? Hij moest trouwen. En het was nog een tweeling ook!’’

Zijn pretogen glimmen als hij de verhalen uit zijn geheugen opdiept als balletjes uit de soep. Het ijs, zegt hij, dat was ook de plek waar je verkering kreeg. ‘‘Waar moest je anders heen? Er was verder helemaal niks!’’ Zoon Tonnie grapt: ‘‘Haha, het was hier toch duuster hè, dan kon jij ook nog wel iets krijgen.’’ Vader, zoon en dochter lachen. Nee, zelf ontmoette Manus zijn echtgenote niet hier op de baan. ‘‘Wij vertellen natuurlijk niet alles’’, grinnikt hij. En weer die knipoog.

IJswee is van 19 tot en met 24 juni, samen met de werken van andere afgestudeerden, te zien op de eindexamententoonstelling van kunstacademie Minerva, op het Suikerunieterrein in Groningen.

Lees ook:

Er gebeurt iets op de Noordpool waardoor we een héle strenge winter kunnen krijgen – en misschien wel kunnen schaatsen

De rayonhoofden van de Friese Elfsteden hoeven nog niet meteen bij elkaar te komen, maar er is wel iets aan de hand in de atmosfeer. Boven de Noordpool weliswaar, maar het kan de temperatuur hier naar schaatsniveau drukken.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden