Bezoekverbod

Even skypen om te zien of een psychotische periode nadert

Beeld Valerie Geelen

Hoe ga je in deze verwarrende tijden van corona om met een oude vader die psychiatrisch patiënt is en nu geen bezoek mag ontvangen? Trea van Vliet schreef een vervolg op haar eerder in Trouw verschenen rubriek ‘Koers houden’. 

 Hoe houdt mijn vader zich?”, vraag ik door de telefoon aan de woonbegeleidster van dienst. “Goed hoor”, antwoordt die, kalm als altijd. “Maar hij was erg moe vandaag. Hij ligt al op bed.” Het is zeven uur

’s avonds. Mijn vader had ook al niet willen eten, vertelt ze. Er hadden vis en wortelen op het menu gestaan, en daar was hij boos om geworden. Zo boos dat hij zelfs had geweigerd aan tafel te gaan zitten. “Hij zei dat hij wálgde van wortelen”, vertelt ze, zijn intonatie nadoend.

Hoewel ik, als altijd, moet glimlachen om mijn vaders welbespraakte eigenzinnigheid, weet ik ook meteen dat hij dus last heeft van de nieuwe situatie. Hij is namelijk dol op wortelen.

Ik vraag hoe zij, de begeleiders, de rust in de woongroep van m’n vader bewaren.

“Och, net als anders, alles kalm aan”, antwoordt ze.

Ze is de meest laconieke persoon die ik ken. Kalm aan, net als anders: dat is haar toevertrouwd.

Toen we nog waren bij ‘geen handen schudden’, had ik geïnterviewd in Brabant. Diezelfde dag nog werden snotterende Brabanders opgeroepen om thuis te blijven. Mijn Brabanders hadden gesnotterd. Maar ze hadden ook gehuild tijdens het interview, en als ik huil, snotter ik ook. Toch maar even gebeld, of ze nog ziek waren geworden. Nee, zij niet, maar ik was daarna verkouden. Of had ik dat kuchje nou al sinds ik griep had in januari? Ik belde mijn vader en vertelde dat ze verkouden mensen afraadden om bij oude mensen op bezoek te gaan. Hij besloot dat ik even weg mocht blijven, maar niet te lang. “Me dunkt dat ik toch wel doodga”, zei hij monter. Ik kuchte nog steeds toen ik hoorde dat mijn vader met een vrijwilliger was gaan duofietsen en dat ze bij de bakker een moorkop hadden gehaald.

Ik kwam niet verder dan de gedachte ‘nou ja, heeft-ie dit mooi nog even binnen’. Beweging, buitenlucht en iets lekkers, allemaal goed voor hem. Maar de dag erna mochten mijn vader en zijn medebewoners het pand niet meer uit en de dag daarna mocht ik er ook niet meer naar binnen. Mijn kuchje is weg, maar ik zie mijn vader voorlopig dus niet meer.

Omdat mijn telefoon het thuis niet goed doet – ik woon afgelegen, slecht bereik – heb ik voorgesteld dat we skypen. Maar voor ik dat voor elkaar heb!

Via een steeds wegvallende lijn aan woonbegeleiders duidelijk maken hoe Skype werkt, op zo’n manier dat ze het weer aan mijn vader kunnen uitleggen… het duurt dagen voor ik een medewerkster tref die uit de voeten kan met Skype, iPads en vergeten wachtwoorden. Zij zorgt ervoor dat mijn vader weer in zijn Skype-account kan en we proberen de boel uit. Na een paar keer lukt het hem om zelfstandig op te nemen, maar zelf naar mij skypen vindt hij moeilijk. Omdat ik per se wil dat hij mij kan bereiken als hij daar behoefte aan heeft, dring ik erop aan dat hij even blijft oefenen. “Je moet het even in de vingers krijgen pap”, zeg ik. M’n vader heeft daar geen zin in en wordt er chagrijnig van, en na veel mislukte pogingen houden we het maar even voor gezien. Maar ’s avonds skypet hij me zelf en als ik hem daarvoor prijs, zegt hij achteloos dat het ‘slechts drie knopjes zijn’ die hij in moet drukken. Maar ik zie dat hij trots is dat het hem gelukt is.

Dus nu skypen we.

Het skypen gaat niet meteen van een leien dakje. De ene dag kan hij wel opnemen en zelf bellen, de volgende dag beweert hij dat het onmogelijk is en dat hij dit ‘werkelijk nog nooit heeft gekund’. Soms is er verwarring over wie nou wie skypet. Ik leer heel snel af om te willen uitleggen dat hij mij belt in plaats van andersom, dat is alleen maar ruis. De ene dag skypen we drie keer, de andere dag helemaal niet. Na een dag radiostilte krijg ik ’s avonds van de begeleider van dienst te horen dat mijn vader achter zijn keyboard zit te slapen. Een beeld dat me verdrietig maakt, en waarvan ik me afvraag waarom ik nou niet kan denken: wat lekker dat hij lekker zit te slapen.

Ik zie en hoor hoe het virus een rol gaat spelen in de woongroep van mijn vader. Ze hadden zonder brood gezeten, door de hamsteraars. Mijn vader heeft nu het plan opgevat om met zes broodbakmachines broden te gaan bakken voor alle bewoners. “Ik meen dat men niet zonder brood moet zitten”, zegt hij plechtig, en hij vertelt dat hij deze middag nog naar de teamleidster gaat om het haar voor te leggen.

Net als anders: altijd een plan, en nooit voor één gat te vangen. Ik hoop dat de leiding iets doet met zijn verlangen iets te betekenen voor zijn medebewoners.

Niet net als anders: mijn vader blijkt ineens ‘Goede Tijden Slechte Tijden’ te volgen, in de gezamenlijke huiskamer nog wel. Doorgaans zit hij het liefst op zijn eigen kamer en als hij al tv kijkt, is het naar voetbal. Maar nu de begeleiders samen met de bewoners naar de persconferenties op tv kijken, is mijn vader blijven zitten om met twee andere bewoners naar de soap te kijken.

“En, is het wat?”, vraag ik.

“Ach, ik meen dat het niet verkeerd is”, antwoordt hij droog.

Ik vind dit wel gunstig. Minder isolement, in tijden van isolement.

In de gaten houden hoe het met mijn vader is, en heel tijdig alarm slaan als ik zie dat hij richting een psychotische periode opschuift, is een belangrijk element in mijn relatie met hem. Zijn begeleiders hanteren de regel oren-ogen-tanden: als mijn vader over zijn hoorapparaat, bril of kunstgebit begint, zijn ze alert. Ze denken dat hij aan het begin van zo’n psychotische periode een verstoorde waarneming krijgt, en dat hij via zicht, gehoor en gebit weer grip op zichzelf probeert te krijgen.

Zelf zie ik het meestal aan een typische blik in zijn ogen en die hoop ik nu via Skype in de gaten te kunnen houden.

“Pap, ik wil je even zien”, zeg ik tegen het systeemplafond van zijn slaapkamer.

Dat hij zijn iPad rechtop moet houden krijg ik er maar niet in.

“Ik zie je toch?”

“Ja, jij mij wel, maar ik zie jou niet.”

Eén groot oog in beeld, daarna een neusgat, daarna weer het plafond.

Ik giechel en zeg dat hij zijn neusharen moet knippen, en daarna houdt mijn vader zijn iPad even rechtop.

Zijn ogen staan goed.

Mijn vader vertelt dat hij gaat koken en vraagt of ik even tante Lydel kan bellen voor het recept van haar aardappelschotel. Tante Lydel is zijn ex-schoonzus, een hoogbejaarde tante van me die vorige week haar keuken in de hens heeft gezet toen ze geen zin had in een maaltijd van Tafeltje Dekje en besloot om zelf friet te gaan bakken. “Dus die gaan we maar even niet bellen pap”, zeg ik, en ik help hem om via Google een recept te vinden.

Als mijn vader wil koken, gaat het goed met hem.

Maar toch heb ik zorgen.

Toen hij nog maar één week opgesloten zat, hoopte hij al dat alles dit weekend weer normaal zou zijn. En hij had een beetje moeten huilen.

Diezelfde avond nog werden de maatregelen verlengd tot 1 juni. Hoe help ik hem in vredesnaam vanaf hier om de moraal goed te houden? Het is in gewone omstandigheden al niet altijd makkelijk voor hem in zijn woongroep. Mijn vader, die als enige bewoner géén Korsakov heeft, kan weleens dol worden van zijn huisgenoten. Maar hij zal het er toch mee moeten doen.

Mijn vader vraagt nog eens hoe lang ik denk dat dit alles zal duren.

“Dat weet ik niet pap. Dat weet niemand.”

Stilte.

“Als alles weer normaal is, wat gaan we dan allemaal eten, pap?”

Een vraag om de moed erin te houden, want plannen maken om uit eten te gaan vindt mijn vader bijna net zo leuk als daadwerkelijk uit eten gaan.

Mijn vaders neusgat verschijnt weer in beeld. “Mosselen bij Neeltje Jans. Daar is de friet lekker”, zegt hij gedecideerd.

“En daarna?”

“Gaan we naar Meijer.” Mijn vaders favoriete snackbar.

“En daarna?”

“De friet van tante Lydel.”

Ik glimlach. Friet, friet en friet. Ik moet aan de wortelen denken, waarvan hij walgde.

Dag voor dag, neem ik me maar weer eens voor. Net als anders.

Lees ook:

Plotseling vraagt mijn vader: Hoe voel je je?

Meteen als ik de auto parkeer gooit mijn vader zijn portier open en ik kan vanachter mijn stuur nog maar net voorkomen dat hij daarmee een fietser een dwarslaesie bezorgt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden