Opvarenden van stoomschip Ranchi in 1950, onderweg van Indonesië naar Nederland. Beeld Ben van Meerendonk / AHF / Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam
Opvarenden van stoomschip Ranchi in 1950, onderweg van Indonesië naar Nederland.Beeld Ben van Meerendonk / AHF / Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis, Amsterdam

InterviewDe Ranchi Baby’s

Dit schip bracht families uit onafhankelijk Indonesië naar het ‘thuisland’ dat ze niet kenden

In onafhankelijk Indonesië blijven konden ze niet, de Knil-militairen en hun families. Dus gingen ze per schip ‘terug’ naar Nederland, voor velen een land waar ze nooit geweest waren.

Catrien Spijkerman

Op het stoomschip Ranchi, dat in 1950 uit Indonesië vertrok, werden wel 37 baby's geboren. Documentairemaker Joost Wilgenhof spoorde ze allemaal op, en maakte over hun familiegeschiedenissen de podcast De Ranchi Baby’s, over de koloniale erfenis waarmee zij opgescheept zitten.

Podcast

De Ranchi Baby’s – een koloniale erfenis van NTR en NPO Radio 1 is vanaf woensdag 5 oktober te beluisteren in alle podcast-apps.

James Wüstlich Beeld Reyer Boxem
James WüstlichBeeld Reyer Boxem

James Wüstlich: ‘In Groningen ben ik Spaans, in Friesland een Duitser, en in Assen ben ik Engels’

“Waar kom jij dan vandaan?”, vroegen de kinderen in zijn klas aan James Wüstlich (72) nadat ze hem voor ‘pindachinees’ hadden uitgemaakt. “Dan antwoordde ik dat ik Brits ben, omdat ik op een Brits oorlogsschip geboren ben.” In zijn woonkamer in Assen, met een replica van De Nachtwacht boven de bank, pakt hij er zijn Nederlandse paspoort bij om het duidelijk te maken. “Zie je: ‘Geboorteplaats: Ab Brits schip Ranchi’.” Ab staat voor ‘aan boord’.

Hij had ook kunnen antwoorden: Spaans, omdat hij op Spaanse wateren ter wereld kwam. Indonesisch en Portugees, omdat zijn moeder half-Moluks, half-Portugees was. Chinees en Duits, vanwege de afkomst van zijn vader. Wat hij niet had kunnen antwoorden: Nederlands.

Hij ontdekte het twee jaar geleden per toeval, toen hij bij het gemeentehuis in Assen een scootmobiel aanvroeg: “Ze zeiden ineens: ‘Misschien moet u uw paspoort inleveren’. Ik heb officieel maar liefst zes nationaliteiten, maar niet de Nederlandse. Ik heb wel een Nederlands paspoort, maar ik sta niet als Nederlander geregistreerd in het bevolkingsregister. Hoe dat kan, snappen de instanties zelf ook niet. Het is altijd ingewikkeld geweest: voor het ziekenhuis in Groningen ben ik Spaans, het ziekenhuis in Friesland schrijft me aan als Duitser, hier in Assen ben ik Engels.”

Op de dodenlijst van Soekarno

Als kind wist Wüstlich over zijn afkomst vooral dit: het had alles te maken met oorlog. Zijn vader was militair bij het Knil, net als zijn ooms en zijn opa’s. Zelfs zijn moeder had voor het Knil gewerkt. “Na de onafhankelijkheid van Indonesië kwam mijn vader op de dodenlijst van Soekarno, hij moest binnen 48 uur vluchten met de boot die Nederland had geregeld. De babykamer met babyspullen was al klaar, maar die konden ze natuurlijk niet meenemen.” James werd in 1950 onderweg naar Nederland geboren in de Golf van Biskaje, zijn tweelingzusje stierf en werd daar te water gelaten.

De oorlog namen zijn ouders mee. “Ze hadden het er thuis altijd over. Bijvoorbeeld over de onthoofding van mijn opa, de vader van mijn vader. Hij werd tijdens de bezetting van de Japanners in 1942 midden op een schoolplein geëxecuteerd.”

Hij pakt zijn telefoon erbij en toont een foto van een vergeeld document van het ministerie van buitenlandse zaken, waarop staat dat zijn opa is geëxecuteerd. “Hij was hoofd van de politie onder het Nederlandse bewind en weigerde de geheimen van zijn collega’s prijs te geven. Hij werd gedood als waarschuwing.”

‘Mijn vader heeft gruwelijke dingen gedaan’

Als jonge Knil-soldaat werd Wüstlichs vader tijdens de bezetting krijgsgevangene gemaakt. Hij moest werken aan de Birmaspoorlijn. Na de bevrijding vocht hij bij de Rode Olifant, een beruchte eenheid van het Knil, die de Indonesische onafhankelijkheidsstrijd neersloeg. “Mijn vader en ooms verborgen het niet, ze vertelden erover zoals het was: moord en doodslag. Onder het eten, bij een kop koffie, tijdens een verjaardagsfeest. Er werd zelfs om gelachen. Het leek alsof het voor hun een soort spel was: zo veel mogelijk doden. Mijn vader heeft gruwelijke dingen gedaan.

“Hij behandelde ons ook als soldaten. Het was luisteren, geen ja, geen nee zeggen, niet lachen, niet huilen, niet te lang naar hem kijken, geen gezichten trekken. Je wist eigenlijk nooit wat je moest doen om géén slaag te krijgen. Met de riem, de stok, schoppen en trappen. Het was de hel bij ons thuis.”

Met een brede glimlach: “Ik geniet van het leven hoor. Ik trek het me allemaal niet aan. Ik heb een goed leven sinds ik getrouwd ben. Mijn ouders wilden dat ik een Chinees-Indisch meisje trouwde, ze wilden er eentje ophalen uit Indonesië. Ik heb botweg nee gezegd. Ik was een provo, opgegroeid met rock-’n-roll. Wat moest ik met zo’n Indonesisch meisje met totaal andere leefgewoontes? Ik ben met een Nederlands meisje getrouwd, we kennen elkaar al vanaf ons zevende jaar. We zijn nog altijd gelukkig samen.”

‘Ik lachte mijn leraar hard uit’

Een paar jaar geleden ging Wüstlich mee met zijn kleindochter naar haar basisschool. “De juffrouw had gevraagd waar wij vandaan kwamen, en snapte niks van het antwoord. Ze dacht misschien dat mijn kleindochter de klas voor de gek hield. Ik ben meegegaan met mijn geboorteakte en alle papieren om het verhaal uit te leggen.”

In zijn eigen schooltijd reageerde hij een stuk feller op de onwetendheid in het klaslokaal. “‘Wij hebben jullie beschaving bij­gebracht’, zei de leraar toen ik zestien was. ‘O ja?’, riep ik. Ik lachte hem hard uit. Er mocht niks slechts gezegd worden over Nederland.

“Op school ging het over Duitsland, dát land had gruwelijke dingen gedaan. Ze keken allemaal naar de naaste buren, maar wat er ver weg in Indonesië was gebeurd, wist niemand. Hoe komen wij hier, en waarom moesten wij hier komen? Daarover ging het niet. Ik vind: wat geweest is, is geweest, maar je moet het wel volledig vertellen. Ik wil alles open en bloot.”

Stanny Neyndorf Beeld Reyer Boxem
Stanny NeyndorfBeeld Reyer Boxem

Stanny Neyndorff: ‘Wat het leven mij aandoet, dat pak ik aan. Ik ga niet zielig doen’

Van de overtocht van Indonesië naar Nederland herinnert Stanny Neyndorff (90) zich vooral dat ze zo misselijk, misselijk, misselijk was. Een aantal dagen voordat stoomschip Ranchi aanmeerde in Amsterdam, beviel ze van haar eerste zoon. “Hij is in het Suezkanaal geboren, en we noemden hem William Ranchy, naar de Engelse kapitein en de boot, roepnaam Ranny of Rans. Dat vond mijn man een goed idee. ‘Dan kan hij later misschien gratis met de boot naar Engeland’, zei hij.”

Ze voedde ook twee andere baby’s met haar moedermelk, onder wie James Wüstlich. Neyndorff was achttien jaar en liet het allemaal over zich heen komen – zo had ze het ook in Indonesië gedaan. Ze was vlak daarvoor een elf jaar oudere Knil-militair getrouwd, die verliefd op haar was geworden. “Ik was niet verliefd, maar alles was zo snel geregeld, het ging vanzelf.” Haar man ging met de boot naar Nederland, dus Neyndorff ging mee. “Dat vond ik niet zo erg natuurlijk. Soekarno wilde alle Nederlanders eruit hebben. Als we bleven, moesten we Indonesiërs worden, terwijl onze voorouders toch Hollanders zijn.

“In Nederlands-Indië leefden wij als Nederlanders, mijn vader was hoofdonderwijzer en ook militair. Ik had ook onderwijzeres moeten worden, maar door de oorlog kon ik lang niet naar school. De Indonesiërs werkten bij ons, als baboe [bediende, red.], tuinman of kokkie. Ik ben niet wit, maar dat komt omdat de Nederlanders daar in Indonesië een vrouw hebben gevonden. Zo krijg je halfbloedjes zoals mijn opa’s en oma’s. Nederland was ons vaderland, maar Indonesië ons moederland. Dus waar ben je het liefst? Waar geen oorlog is.”

‘De diploma's van mijn man werden niet erkend’

Met een hijskraan werd Neyndorff de Amsterdamse kade opgezet, omdat ze vanwege de bevalling nog niet kon lopen. Samen met de andere Ranchi-families werd ze overgebracht naar hotel De Schelp in Zandvoort. “Een klein kamertje met een tweepersoonsbed erin en een wiegje. Als we de kast wilden openmaken, moesten we het wiegje verplaatsen. Er waren veel mensen, maar je ging gewoon je eigen leven leven.” Haar tweede kind werd er geboren, ze bleven er ruim tweeënhalf jaar wonen tot ze een woning kregen toegewezen in Haarlem.

“Mijn man kon weer in dienst, maar wel in een lagere rang, ik denk omdat hij een zwarte was. Zijn diploma’s werden hier niet erkend, dus hij moest zijn studie opnieuw doen.” Tien jaar lang zag ze hem alleen in de weekenden, omdat hij gestationeerd was in Ede. De opvoeding van haar vijf kinderen kwam grotendeels op haar schouders terecht.

Over Indonesië of Nederlands-Indië hadden ze het niet meer. “We richtten ons op Nederland, want hier was nu ons leven. We hebben de kinderen ook nooit Maleis geleerd, daar heb je hier niks aan.”

Terug naar Indonesië wilde ze niet. “Ik heb daar als kind veel ellende meegemaakt.” Ze was tien toen de Japanners het land bezetten. “Mijn zus en ik werden meegenomen. Mijn moeder huilde: ‘Het zijn nog kinderen, neem mij dan.’ Het zijn dingen die we graag vergeten willen. Mijn man zat ook in zo’n kamp, maar als militair. Ik kende hem toen nog niet natuurlijk.”

Tel uw zegeningen één voor één

Ze kijkt haar kleine kamer rond in het verzorgingshuis in Hengelo. Voor haar de rollator met een kopje thee dat de verpleging gebracht heeft. Iets verderop, onbereikbaar ver, de foto’s van vroeger in de kast. Monter: “Ik ben zo: wat het leven mij aandoet, dat pak ik aan. Ik ga niet zielig doen.” Haar zoon Ranchy overleed op 33-jarige leeftijd bij een auto-ongeluk. “Mijn oudste zoon, dat was heel zwaar. Maar ik heb geleerd: tel uw zegeningen één voor één, tel ze alle en vergeet er geen één.”

Wat geweest is, hoef je niet steeds omhoog te halen, vindt Neyndorff. “Maar soms gebeurt er iets wat me toch aan vroeger doet denken. Ik vind het bijvoorbeeld heel erg dat ze hier in het verpleeghuis zoveel eten weggooien. Ik had vier patatjes opzijgelegd, want morgen eten we soep en dat vult niet. Dan kon ik die zachte patatjes in stukjes snijden en door de soep gooien. Wat denk je? Ze belandden toch in de prullenbak, ik mocht ze niet bewaren.”

Lees ook:

Gemert blikt terug op de integratie van Indische gezinnen: het ging best goed

Vandaag 76 jaar geleden werd de onafhankelijkheid van Indonesië uitgeroepen. Vanaf die tijd ontstond een grote trek naar Nederland. In het Brabantse Gemert kwamen in 1951 120 Indische Knil-gezinnen wonen. Inwoners blikken terug op de integratie. ‘Het was een fijne tijd.’

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden