Interview Gerdien Verschoor

Directeur Westerbork: Juist dat onzichtbare verleden raakte me

Gerdien Verschoor, de nieuwe directeur van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Beeld Reyer Boxem

Gerdien Verschoors betrokkenheid bij de herdenking van de Holocaust stamt uit de tijd dat ze in Warschau woonde. ‘Polen is prachtig: de bergen, dat oerbos, uniek in Europa, zo puur. Maar zwaar ook, de geschiedenis ligt overal.’

Op de kamer van de nieuwe directeur in het museum van Westerbork hangen reproducties van de ‘Chassidische legenden’ van Hendrik Nicolaas Werkman achter het bureau. Verschoors voorganger Dirk Mulder hing de prenten voor haar op als welkomstgeschenk. “Ik realiseerde me gister pas, toen ik even op mijn oude kantoor was waar overal affiches van tentoonstellingen hangen, overal kunst, kunst, kunst, dat het een overgang is van mijn kunsthistorische wereld naar hier. Maar als je mijn boeken leest weet je dat de Tweede Wereldoorlog, door mijn jaren in Polen, ook een grote rol is gaan spelen in mijn leven.”

Verschoor debuteerde in 2011 als romanschrijver met ‘De draad en de vliegende naald’, over de Pools-Joodse Julia die na de plotselinge dood van haar zoon erachter komt dat haar oorlogstrauma ook zijn leven heeft bepaald. Deze lente verscheen haar boek ‘Het meisje en de geleerde’, een historisch onderzoek naar leven en werk van de Poolse gravin Karolina Lanckoronska, die in Ravensbrück gevangen zat, de door nazi’s van haar familie geroofde kunst wist terug te krijgen, en die na de val van het communisme twee Rembrandts uit die collectie aan het Koninklijk Paleis in Warschau schonk.

Gerdien Verschoor (1963) is kunsthistoricus en schrijver, en sinds 1 juli directeur van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Eerder was ze directeur van Codart (internationaal netwerk van museumconservatoren van Nederlandse en Vlaamse kunst) en daarvoor cultureel attaché op de Nederlandse ambassade in Warschau.

Verschoor debuteerde in 2011 met de roman ‘De draad en de vliegende naald’. Afgelopen lente verscheen haar historische studie ‘Het meisje en de geleerde. Kroniek van twee verloren gewaande Rembrandts’.

Beide boeken raken de Poolse trauma’s uit de Tweede Wereldoorlog toen drie miljoen Poolse Joden werden vermoord in de vernietigingskampen, waarvan er zes – waaronder Auschwitz, Sobibor en Treblinka – door de nazi’s op Poolse grond werden gebouwd. Hoe gevoelig dat oorlogsverleden in Polen nog steeds ligt, blijkt uit de in 2018 aangenomen omstreden (en inmiddels weer afgezwakte) Holocaustwet die het strafbaar stelde om te spreken over Poolse vernietigingskampen. Aanleiding was een toespraak van president Obama die in 2012 in Warschau sprak over ‘Polish death camp’ in plaats van nazikamp. De wet maakte het bovendien illegaal om te spreken over Poolse medeplichtigheid aan de Jodenvervolging.

‘Verschrikkelijk’ noemt Verschoor de Holocaustwet. “De vernietigingskampen waren niet Pools, daar mag geen verwarring over zijn, maar als je Pools daderschap niet meer zou mogen onderzoeken, hoe kun je je dan verhouden tot je eigen geschiedenis?”

Hoe belandde u in Polen?

“Ik was er voor het eerst als kunstgeschiedenisstudent, in 1983, nog tijdens de staat van beleg. Poolse studenten hadden de Leid­se studievereniging waar ik lid van was geschreven om­dat ze bang waren dat de contacten zouden verdwijnen. We zijn toen meteen die kant op gereisd en ik raakte gefascineerd. In Nederland bleef de kennis over Oost-Europese kunst steken bij Malevich, maar in Polen ging het over wie we wilden zijn als persoon en maatschappij en welke rol de kunst daar­in kon spelen. De Poolse kunst was oppositiekunst, allerlei privégalerietjes bij mensen aan huis, ze raakte direct het dagelijks leven. Voor mij als verwend Nederlands meisje was dat een openbaring. Gek genoeg ervaarde ik pas toen welke betekenis kunst kan hebben in het heden. Dat gold ook voor de literatuur. Ik had ‘The Slave’ van Isaac Bashevis Singer gekregen van mijn moeder, later ben ik Bruno Schulz, Olga Tokarczuk, Wiesław Myśliwski gaan lezen, magische auteurs. En Polen is een prachtig land, de bergen, het oerbos, uniek in Europa, zo puur. ”

In de jaren negentig, na de Wende, werd Verschoor als cultureel attaché op de Nederlandse ambassade belast met de samenwerking en uitwisseling tussen Polen en Nederland – “ik heb nog met W.F. Hermans over de rommelmarkt gestruind op zoek naar oude fototoestellen”. In haar pakket zat ook de Tweede Wereldoorlog, de ondersteuning van projecten die met de Shoah te maken hadden. “Ik ben gereformeerd opgevoed, ik hoorde verhalen van mijn ouders en grootouders, ik las Anne Frank, maar in Polen was de oorlog erg aanwezig. Ik woonde in het voormalige Joodse getto in Warschau, nieuwbouw nu. Ken je ‘De pianist’ van Roman Polanski? Als ik uit mijn keukenraam keek, zag ik het kruispunt waar in de oorlog een houten brug was om van het grote naar het kleine getto over te steken. En vanaf mijn balkon keek ik de Krochmalnastraat in waar Isaac Bashevis Singer over schreef. Door mijn werk op de ambassade ontmoette ik veel mensen met wie ik over het verleden sprak.”

De Holocaust was lang taboe in Polen. Veranderde dat in de jaren negentig?

“Zeker veranderde dat na de Wende. In Polen zijn er ook na de oorlog nog min of meer georganiseerde golven van antisemitisme geweest, de pogrom in Kielce in 1946, de emigratiegolf in 1968. Mensen vertrokken of verhulden dat ze Joods waren. Mijn eerste roman is gebaseerd op de geschiedenis van mijn toenmalige Pools-Joodse vriend die er pas achter kwam dat hij Joods was toen zijn oma overleed. Hij moest papieren in orde maken bij de burgerlijke stand en zag dat ze in 1946 haar achternaam had veranderd. Pas toen snapte hij: oh daarom ging ik nooit naar de kerk, en daarom werd ik gepest, en daarom had ik twee achternichtjes in Israël. Allemaal verdrongen.”

“Overigens was dat ook wat me raakte als schrijver. Wat bij mij in de wijk verborgen lag, lag in het leven van mijn toenmalige schoonmoeder ook diep onder de oppervlakte. Zij begon pas tegen mij te praten toen haar zoon overleden was. Toen zat ik eindeloos bij haar aan de keukentafel en kwamen haar verhalen los. En mijn vriend was de enige niet die pas laat ontdekte dat hij Joods was. Er waren meer ouders en grootouders die op hun sterfbed pas over hun verleden begonnen te vertellen.”

Auschwitz is wel al een museum vanaf 1947, decennia eerder dan Westerbork bijvoorbeeld.

“Maar Auschwitz was lang een staatsmuseum ter herdenking van Pools martelaarschap. Het verhaal was: wij Poolse communisten hebben het nazisme verslagen en juist de Poolse verzetsstrijders hebben geleden in de vernietigingskampen. Dat veranderde na de omwenteling. In de jaren negentig zag je in Warschau een coming out van het Joodse le­ven, er kwamen tijdschriften, organisaties. Er kwamen lokale initiatieven om te herdenken. Erg indrukwekkend is de herdenking op 18 april van de opstand in het getto van Warschau. Die is van een kleine bijeenkomst van overlevenden die narcissen legden bij het monument, uitgegroeid tot een grote beweging. Het Joods historisch museum Polin, dat opende in 2013, deelt nu in de hele stad papieren sterren uit die als je ze op een bepaalde manier openvouwt tot gele narcissen worden. Een prachtig gezicht.

Nog recenter is het initiatief om de overgebleven huizen van het getto – er zijn er nog maar dertig – te onderzoeken wie daar gewoond hebben. Vergelijkbaar met hoe we hier in Westerbork ook bezig zijn om aan alle 102.000 weggevoerde en vermoorde mensen een naam, gezicht en geschiedenis te geven. In het pand tegenover mijn vroegere huis woonde componist Mieczys­ław Weinberg, een vriend van Sjostakovitsj, die op tijd naar Rusland verhuisde. Dat pand is verkrot, maar zijn muziek wordt nu wel gespeeld daar op de binnenplaats. Er is ook een enorme trots: de vernietiging is niet het enige verhaal van de Joden in Polen, dat verhaal gaat eeuwen terug. Dat was ook nadrukkelijk het idee achter het museum Polin dat niet alleen over de Holocaust gaat, maar ook over de rijke Joodse cultuur.”

Zo ontstond er na de omwenteling een opener debat over het oorlogsverleden. Dat werd op het scherpst van de snede gevoerd, scherper dan bij ons, zegt Verschoor. “Het jaar voordat ik uit Polen wegging, in 2000, verscheen ‘De buren’ van Jan Gross over de pogrom in Jedwabne. Er is altijd gezegd dat de nazi’s achter die pogrom zaten, maar Gross onthulde dat de inwoners van het Poolse dorp Jedwabne daar een groot aandeel in hebben gehad. Een deel van de Polen was opgelucht dat dat eindelijk werd uitgesproken, de Pool­se president ging met de Israëlische ambassadeur bloemen leggen bij het monument. Maar er waren ook Polen die zeiden dat Gross loog. Het was een scheuring in de samenleving.”

En hoe is het nu onder de rechts-nationalistische regering?

“Die mooie spanning van het debat is weg, de dialoog is weer een gevecht geworden. Dat zie je bijvoorbeeld op niveau van de directie van Museum Polin. De minister van cultuur wilde de directeur die het volgens iedereen fantastisch doet, vervangen nadat zijn zittingstermijn was afgelopen. Daar is tegen geprotesteerd en er kwam een open sollicitatieprocedure, waarin hij opnieuw als de beste kandidaat naar voren kwam. We zijn nu drie maanden verder en hij is nog steeds niet benoemd. De regering grijpt op allerlei niveaus in, in de rechterlijke macht, in ministeries, musea. Dit is niet de enige museumdirecteur rond wie een affaire hangt. Voor bepaald onderzoek, zoals naar gender en homoseksualiteit, wordt geen geld meer beschikbaar gesteld, hoor ik van geestverwanten. Maar buiten de grote steden steunt een groot deel van de bevolking deze regering.”

Gerdien Verschoor. Beeld Reyer Boxem

Intussen neemt de belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog en de Holocaust, 75 jaar na dato, toe. In Polen waar miljoenen op de voormalige kampen afkomen (afgelopen jaar trok Auschwitz liefst 2.125.000 bezoekers), maar ook in Nederland.

Het is druk in Westerbork op deze natte woensdag. Zeker honderd mensen luisteren op het open veld in de plensregen naar de gids die de geschiedenis van het doorgangskamp vertelt.

En ook hier leiden nieuwe wendingen in het debat soms tot nieuwe controverses. Afgelopen jaar kreeg Herinneringscentrum Kamp Westerbork enige kritiek te verduren. Betrokkenen vonden het niet gepast om een sponsorloop voor vluchtelingen vanaf het kampterrein te laten vertrekken en er kwam protest tegen een lezing van de dochter van een SS’er. Beide evenementen werden afgelast.

Vindt u dat het debat hier verhardt?

“Er is meer antisemitisme en de angst neemt toe, dus ik begrijp dat er met andere ogen naar het Herinneringscentrum wordt gekeken. Voor een aantal betrokkenen is het centrum door deze controverses niet meer de veilige plek die het zou moeten zijn, en dat is diep te betreuren. Maar naast deze pijnlijke controverses zijn er ook andere verhalen. Iemand als Natascha van Weezel zoekt juist de dialoog. Ik zag vorig jaar een mooie documentaire over Iris Hond, de pianiste. Daarin gaat ze met haar vader naar Auschwitz waar haar opa en oom zijn vermoord. Ze zegt: ‘Er zit een heel groot verdriet in mij, maar dat is mijn verdriet niet. Dat verdriet moet terug naar degene bij wie het hoort en dat ben ik niet.’ Dat vond ik een mooie gedachte van iemand van de derde generatie. Het moet stoppen bij mij. Ik wil het niet doorgeven aan mijn kinderen.”

Over haar toekomstplannen wil Gerdien Verschoor als kersverse directeur (‘ik zit hier net vier weken’) nog niet veel kwijt, maar ze wil wel iets zeggen over hoe ze de functie van het Herinneringscentrum ziet. “Onze opdracht voor de komende tien, vijftien jaar is hoe we het verhaal van hier gaan vertellen aan een nieuwe generatie die weinig weet van de Tweede Wereldoorlog. Tachtig procent van de bezoekers komt hier zonder enige voorkennis. Hoe vertellen wij dat grote verhaal met middelen die ook die jongeren bereiken, zonder dat we het voormalige kampterrein aantasten, zonder dat we er een soort Disneyland van maken? We willen dat mensen geraakt worden en inzicht krijgen, dat ze anders weggaan dan ze gekomen zijn.”

“Die kennisoverdracht is een opdracht maar, en dat is het laatste half jaar ook weer duidelijk geworden, deze plek is ook een heilige plek, een veilige plek voor eerste, tweede en derde generatie-overlevenden. Dat moet zo blijven. We blijven vooropstellen wat deze plek oorspronkelijk is. En natuurlijk zit daar gelaagdheid in: het is gebouwd als op­vang- ­plaats voor Joodse vluchtelingen uit Duitsland die betaald werd door de Joodse gemeenschap zelf, het was een opvangplek voor Indische Nederlanders en Molukkers, vlak na de oorlog werden hier NSB’ers geïnterneerd. Maar het Durchgangslager is het meest onvoorstelbare stuk van de geschiedenis en dat verhaal moeten we bewaken en borgen voor de toekomst.”

Verschoor denkt na over een stilteplek, waar je ongestoord kunt reflecteren op wat er in het kamp gebeurd is, alleen kunt zijn met je verdriet. “Ik herinner me een bezoek aan Auschwitz-Birkenau, toen daar nog weinig toeristen kwamen. Het was vroeg in de ochtend, en bij de as-vijver stonden in doodse stilte een paar hertjes naar me te kijken. Dat heeft een diepe indruk op me gemaakt.”

Lees ook: 

Verbittering zal Dirk Mulders afscheid van Kamp Westerbork niet beheersen. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden