‘Het verzoek van de Brabantse steden om toetreding tot de Staten Generaal’, Theodoor van Thulden (1606-1669)

Gouden Eeuw

Die eeuw van goud ging aan Brabant en Limburg voorbij

‘Het verzoek van de Brabantse steden om toetreding tot de Staten Generaal’, Theodoor van Thulden (1606-1669) Beeld Collectie Noordbrabants Museum

Het Amsterdam Museum doet de term Gouden Eeuw in de ban, omdat de welvaart van toen ten koste ging van slaven en de koloniën. Maar ook in Limburg en Noord-Brabant was de zeventiende eeuw geen feest: daar werd de Tachtigjarige Oorlog uitgevochten.

De Papenbril. Zo noemden de Bosschenaren het fort dat na 1629 net buiten de stadsmuren verrees. Het moest de stad verdedigen tegen de Spanjaarden. Maar dat niet alleen. Veel inwoners waren katholiek en Spaansgezind en de Citadel, zoals het bouwwerk tegenwoordig heet, was ook bedoeld om opstanden in de stad in de kiem te smoren. Om de kanonnen daarvoor schootsveld te geven, werd een deel van de huizen gesloopt.

Stadhouder Frederik Hendrik, die het fort liet bouwen, had er maanden over gedaan om de stad op de Spanjaarden te veroveren. Den Bosch was niet alleen van strategisch belang, het gold ook als onbetrouwbaar. Per slot van rekening hadden de katholieke Bosschenaren in 1579 na anti-protestantse rellen zelf de Spaanse kant gekozen.

Die verovering voelde destijds als een bezetting, zeggen historici Wouter Loeff en Robin Hoeks van Erfgoed Brabant in Den Bosch. De schutterij moest haar wapens en vaandels inleveren, de katholieken raakten hun kerken en de stadsnotabelen hun bestuurlijke functies kwijt. Ze werden vervangen door protestanten. Het was een voorproefje van wat heel Noord-Brabant in 1648 te wachten stond, toen het aan het einde van de Tachtigjarige Oorlog als nieuwe provincie definitief deel werd van de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden.

Terwijl de oorlog woedt is de welvaart ongekend

In 1629 is de oorlog nog volop aan de gang. Maar paradoxaal genoeg is het voor de toenmalige republiek, dat wil zeggen voor de provincies boven de rivieren, ook een tijd van ongekende welvaart, zo ongekend dat die later als de Gouden Eeuw de geschiedenisboekjes in zal gaan.

Handel en nijverheid floreren. Vanuit Amsterdam varen schepen naar de Oost, naar Afrika en naar Amerika. De Amsterdamse burgerij tafelt met delicatessen uit verre landen en een reiziger merkt op dat zelfs de dienstmeisjes goed eten. De schilderkunst bloeit en Leiden ontwikkelt zich tot het Harvard van die dagen: een universiteitsstad die wetenschappers uit heel Europa trekt.

Het feit dat die welvaart mede verdiend werd over de ruggen van slaven en ten koste van de koloniën was voor het Amsterdam Museum reden om de term Gouden Eeuw in de ban te doen. Dat leidde, niet geheel onverwacht, tot veel discussie. Zo noemde VVD-Kamerlid Zohair El Yassini het laf om de geschiedenis te herschrijven.

Toch zijn er ook redenen die niets met het koloniale verleden te maken hebben om kanttekeningen te zetten bij dat begrip Gouden Eeuw, want voor lang niet alle delen van Nederland is de zeventiende eeuw een tijd van welvaart. Vanuit Noord-Brabants en Limburgs perspectief bekeken is het misschien juist vreemd dat die term pas nu ter discussie wordt gesteld.

In Helmond, Eindhoven, Oisterwijk wordt geplunderd en verkracht

Na 1588 is de militaire situatie zo geconsolideerd, dat de provincies boven de rivieren officieel een zelfstandige staat kunnen proclameren. Ze zijn zo goed als baas in eigen huis en vanaf dat moment wordt de Tachtigjarige Oorlog vooral uitgevochten op het grondgebied van de zuidelijke Nederlanden. Beneden de rivieren ziet de situatie er dan ook heel anders uit.

Het noorden van het Hertogdom Brabant ligt decennialang in de frontlinie, waar beide partijen huishouden. De geschiedenis van plaatsen als Helmond, Eindhoven en Oisterwijk leest als een aaneenrijging van plunderingen, brandstichtingen en verkrachtingen. Steden worden belegerd en uitgehongerd, soms maandenlang. Het overkomt Breda, de stad van het turfschip, zelfs twee maal. In 1625 nemen Spaanse troepen de stad in na een belegering van elf maanden. Twaalf jaar later kost het Frederik Hendrik elf weken om de stad terug te veroveren.

Boeren worden dubbel gepakt: ze moeten de troepen voeden en tegelijk vernielen soldaten hun oogsten om te voorkomen dat de tegenstander te eten heeft. Nadat Den Bosch wordt veroverd door de Staatse troepen, blijft lang onduidelijk wie de baas is op het omringende platteland, met als gevolg dat de boeren van beide partijen belastingheffingen opgelegd krijgen.

Te weinig protestanten om de kerken te vullen

Bij de Vrede van Munster in 1648 wordt het Hertogdom Brabant opgesplitst. Een deel blijft Spaans (en zal uiteindelijk Belgisch worden), het door de republiek veroverde deel wordt Nederlands, net als een deel van Limburg. Maar volwaardige provincies worden beide gebieden niet.

In het stadhuis van Den Bosch hangt een schilderij waarop een vrouwenfiguur die de Brabantse steden symboliseert, smeekt om als gelijkwaardige tot de Staten-Generaal toegelaten te worden. Dat gebeurt niet.

Staten-Brabant, zoals Noord-Brabant dan heet, komt net als Limburg onder direct bewind van de Staten-Generaal. Katholieke kerken en kloosters worden in beslag genomen en gelovigen zoeken hun toevlucht in onopvallende schuilkerken. Katholieken mogen geen officiële functies meer bekleden en protestanten nemen hun posities over, meestal nieuwkomers van buitenaf. Die krijgen ook de kerkgebouwen, maar ze zijn met zo weinig dat de meeste kerken vervallen. De belasting blijft hoog en Hollandse regenten kopen landgoederen en bouwen landhuizen. Brabant wordt, vinden veel Brabanders, een Hollands wingewest.

Maar dat beeld is toch wat te eenvoudig, menen Loeff en Hoeks. Brabant was inderdaad niet gelijkwaardig aan de andere provincies en er was armoede, maar die kwam zeker niet alleen voort uit die ongelijkwaardigheid. Boeren leden onder een langdurige landbouwcrisis en er was sprake van enorme standsverschillen. “Rijke Brabanders hadden vaak familie boven de rivieren en namen, ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog al, deel aan de handel en in de VOC”, zegt Loeff.

Pas Napoleon brengt gelijkwaardigheid

Militaire belangen spelen een rol in de aparte status van Noord-Brabant. De Staten-Generaal zien de provincie als bufferzone bij een aanval uit het zuiden. Aan de Brabantse zijde van de grote rivieren komt wat nu de zuidelijke waterlinie heet, een verdedigingslinie van forten en versterkingen, waarvan ook het fort in Den Bosch deel uitmaakt. In geval van nood zullen hele gebieden onder water worden gezet. “Zo’n besluit neem je niet zo makkelijk als de getroffenen er ook een stem in hebben,” zegt Loeff.

Pas met de komst van Napoleon worden Noord-Brabant en Limburg gelijkwaardige delen van het Rijk en na de Vrede van Wenen in 1814 krijgen ze eindelijk hun felbegeerde plek in de Staten-Generaal. Dankzij de door de Fransen ingevoerde godsdienstvrijheid krijgt de katholieke kerk veel van haar bezittingen terug en wordt de grondslag gelegd wat voor het Rijke Roomse Leven zal gaan heten.

En daarmee ontstaat ook de basis voor een nieuw Brabants zelfbewustzijn dat vooral in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw tot bloei komt. Loeff: “In die tijd zie je het Brabants regionalisme erg sterk worden.”

Brabanders verwijzen dan al snel naar zaken als carnaval en hun Bourgondische leefstijl. Maar onderdeel van dat zelfbewustzijn is ook een afkeer van de nationale overheid die zich in de statentijd niet geliefd had gemaakt. De basis is het gevoel dat Noord-Brabant nog steeds als een wingewest wordt behandeld, maar dat beeld klopt tegen die tijd al niet meer, zeggen Loeff en Hoeks. Eind negentiende eeuw is er enorm in Noord-Brabant geïnvesteerd en de industrialisatie van steden als Eindhoven en Tilburg hebben een groot effect op de welvaart.

Nu gaan bedrijven naar lagelonenland China, toen gingen ze naar Brabant

Maar er zijn ook begrijpelijke grieven. Zo duurde het tot de jaren twintig voor Noord-Brabant een universiteit kreeg en wie naar de huidige rijksuitgaven voor kunst en cultuur kijkt, snapt Brabantse politici die menen dat daar iets scheefgetrokken is. In 2016 besteedde het rijk in Noord-Holland omgerekend per inwoner 65 euro voor culturele doeleinden en in Noord-Brabant 9,5 euro. Aan de andere kant: de kosten van het Rijksmuseum liggen vele malen hoger dan die van het Van Abbemuseum in Eindhoven.

Noord-Brabant, met name het oostelijk deel, heeft geen reden meer om zich achtergesteld te voelen, zegt ook Frits Oevering, die voor de Rabobank regionale verschillen onderzoekt. Haast integendeel, meent hij: “De pareltjes van het Nederlandse bedrijfsleven zitten juist in die regio.”

Maar het gevoel van achtergesteldheid was in het verleden zeker terecht, voegt hij toe. De provincie telde lange tijd echt minder mee en in de negentiende eeuw lagen de lonen beduidend lager dan elders. Dat, en de vele grote katholieke gezinnen, was overigens ook precies wat Noord-Brabant uit het slop haalde: zoals investeerders nu naar China gaan, trokken sigarenfabrikanten, textielbedrijven en Philips destijds naar Noord-Brabant, vanwege de ruime aanwezigheid van goedkope arbeidskrachten.

Tegenwoordig is er eerder sprake van verschillen binnen de provincie zelf. “Eindhoven trekt mensen aan met zijn hightech-industrie, maar in Breda is de situatie anders. Daar zie je vaak dat mensen forensen en elders werken.”

Lees ook:

Welke kleur had de Gouden Eeuw?

Het Amsterdam Museum schrapt de term Gouden Eeuw, om inclusief te worden. Wat vinden betrokkenen? ‘Je moet naar jezelf durven kijken.’

Sporen van 19de-eeuwse gauwdieven in de Brabantse boevenbank

Rijken staan in archieven, arme sloebers niet. Die staan wel in de online Brabantse boevenbank.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden