75 jaar na de bevrijding

De vader van André was dwangarbeider in Japan. ‘Hij had het niet leuk gevonden dat ik voor deze Japanner boog’

Moeder Adriana, vader Johan en André rond 1950.

Johan Schram sprak na de Tweede Wereldoorlog nooit meer over wat hem in Japan als krijgsgevangene was overkomen. Hij was een van duizenden die vanuit Nederlands-Indië dwangarbeid moest verrichten. Zoon André verdiepte zich na zijn dood in deze geschiedenis.

André Schram (72), gepensioneerd hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, hoorde in 1993 zijn toen 75-jarige vader onverwacht om euthanasie vragen aan de huisarts. Bij de herinnering aan dat moment schiet de zoon ook nu nog vol. Zijn vader belandde in de terminale fase van kanker. “Mijn vader raakte heel geëmotioneerd en zei toen tegen de dokter: ik heb nooit voor de Jappen geknield, voor de kanker wil ik ook niet op mijn knieën.”

Enkele dagen later werd zijn verzoek ingewilligd en overleed Johan Schram. Dat het oorlogsverleden op dit belangrijke moment zo opspeelde, was een verrassing voor de toen 45-jarige André, enig kind. “Ik wist dat hij als jonge marineman gevangen was genomen door de Japanners en in een krijgs­gevangenkamp had gezeten. Maar mijn vader sprak daar niet over en mijn moeder zei altijd: geen vragen over stellen.”

Pas na dat bezoek aan de huisarts realiseerde de zoon zich dat hij eigenlijk niets wist van de tijd dat zijn vader als dwangarbeider in Japan zat. “Ik heb een fantastische vader gehad, het was zo droevig. Wat heeft hij zijn leven lang met zich meegedragen? Ik vind het zo ontzettend jammer dat ik daarover niet met hem gesproken heb. Ik heb het wel­eens voorzichtig geprobeerd, maar hij hield de boot af. Mijn vader zei altijd: we kijken vooruit, niet achteruit.”

Zoon Schram, in die tijd hoogleraar toegepaste biologie aan de Universiteit van Amsterdam, belandde erdoor bij een psycholoog. “Die zei dat dit een typische ervaring is voor de tweede generatie. Dit is in heel veel gezinnen zo gebeurd, er werd niet meer over de oorlogstijd in Nederlands-Indië gesproken.”

Schip onderschept en naar Makassar gebracht

Hij ging zich meer verdiepen in de geschiedenis van zijn vader, ook door gesprekken met andere nabestaanden en nog levende ooggetuigen. “Langzaam kreeg ik een beeld. Als zoon van een schipper op de binnenvaart belandde mijn vader op 17-jarige leeftijd bij de marine. Hij verloofde zich in Den Helder met mijn moeder, maar nog voor zij trouwden tekende hij ervoor om als matroos drie jaar naar Nederlands-Indië te gaan. Hij vertrok in 1939, met het plan in 1942 terug te komen en dan te trouwen.”

Johan en André rond 1950.

Maar de Japanners, onder meer op zoek naar olie, rukten op en namen begin 1942 Nederlands-Indië in. De Hollandse marinemensen probeerden deels naar Australië te komen, maar het schip van zijn vader werd door Japanners onderschept en naar Makassar gebracht. “Vanaf dan wordt het verhaal voor mij minder duidelijk, want ik heb er uit zijn mond dus nooit iets over gehoord.”

Wat hij zeker weet: zijn vader is in oktober 1942 in het kamp Fukuoka 2B aangekomen met zo’n duizend andere voornamelijk Nederlandse krijgsgevangenen. Ze moesten onder meer werken op de Kawanami scheepswerf, die lag op het eilandje Koyagi, ongeveer zeven kilometer van de stad Nagasaki. Johan Schram werkte daar ook  in de ­keuken van het kamp, hoorde zijn zoon van anderen. Van hen kwamen de verhalen over de hardheid van de Japanners, de waterige soep, het gebrek aan ander goed voedsel, de uitputting. Tientallen Nederlandse krijgs­gevangenen overleefden het niet. Ze kregen longontsteking, dysenterie, verongelukten op de werf.

“Mijn vader heeft er tot september 1945 gezeten, en dus meegemaakt dat de atoombom op 9 augustus op Nagasaki viel. Mijn moeder vertelde dat mijn vader, toen de bom viel, een hemdje aanhad en dat zijn armen door de hitte verbrand waren, rood, als door de zon. Ik heb hem hierover zelf niets gevraagd. Had ik dat moeten doen? Ik denk nu achteraf van wel.”

Telegram met de tekst: ‘Johan leeft nog = moe’

Wat krijgsgevangenen beschrijven over die bom is een enorme lichtflits, rook en vuur en een harde en hete wind, vertelt Schram. “En in de verte een smeulende stad. Door die wind was er ook schade in het kamp zoals kapotte ruiten en een ontzet dak, maar dat was niet vergelijkbaar met wat de bom in de stad aanrichtte.”

Er was een tweede plek waar Nederlanders gevangen zaten, Kamp Fukuoka 14, op iets minder dan twee kilometer van de plek waar de bom viel. “Dichterbij, dus daar merkten ze het veel harder. Alles was er kapot en er waren in het kamp gewonden en dodelijke slachtoffers.”

Achteraf wisten de krijgsgevangenen na het droppen van briefjes van de Amerikanen pas wat die bom betekende. Japan capituleerde. Johan en andere gevangenen werden   in september 1945 door de Amerikanen met een boot opgehaald en naar San Francisco verscheept. 

Schram: “Er is in oktober 1945 bij zijn ouders een telegram van het Rode Kruis gekomen. Mijn opa en oma stuurden vervolgens aan zijn verloofde in Den Helder ook een telegram met de tekst: ‘Johan leeft nog = moe’. Dat telegram heb ik nog.” 

Het telegram uit oktober 1945

Pas eind december 1945 kwam Johan Schram thuis. Hij trouwde in 1946 en zoon André werd in 1948 geboren.

In 2009 reisde Schram, net gepensioneerd, met zijn vrouw naar onder meer ­Japan en bezocht voor het eerst de plek waar het kamp heeft gestaan. “Het is nu een schiereiland en er staat een school. Maar ­helemaal niks herinnerde aan wat zich daar heeft afgespeeld.”

Hij ontmoette er een van de kampbewakers, die hij thuis opzocht. “Mijn vrouw was erbij, en een tolk. Een stokoude man. Hij was ook licht dementerend, kon mij helaas geen nieuwe informatie geven. Maar het bezoek heeft toch een diepe indruk gemaakt, vooral omdat ik naar Japans gebruik bij het afscheid naar hem boog en hij dat ook naar mij deed. Dat heeft mij achteraf erg beziggehouden. Ik voelde me daar niet senang over: mijn vader had het niet leuk gevonden dat ik voor deze man boog.”

Johan Schram in 1946.

Na die reis belandde hij in een tweede ­periode van rouw over de dood van zijn ­vader en diens onbekende verleden. Maar nu ging zijn verwarring gepaard met actie. Hij schreef een brief aan de burgemeester van Nagasaki over de noodzaak om deze historie op deze plek te herinneren. “Ik was niet de enige hoor, er waren denk ik meer nabestaanden al actief met de roep om een gedenkteken.”

Stichting Dialoog Nederland-Japan-Indonesië

Door zijn toenemende interesse in deze geschiedenis ontmoette Schram steeds vaker nog levende ooggetuigen en andere nabestaanden uit de krijgsgevangenenkampen in Japan. Er bleek een website, beheerd door Arthur Frijling, zelf zoon van een nabestaande, die hem veel nieuwe informatie gaf. Zijn kennis, opgebouwd door onder meer gesprekken met overlevenden, maakt steeds meer duidelijk hoe het er in het kamp aan toeging tijdens de oorlog.

Schram raakte bovendien betrokken bij de Stichting Dialoog Nederland-Japan-Indonesië, een organisatie die begrip en verzoening wil kweken tussen mensen uit deze landen. “Door verhalen te delen en naar ­elkaar te luisteren wordt gericht bijgedragen aan verzoening en aan het verwerken van het verleden bij overlevenden en nabestaanden.”

Op 13 september 2015 werd op het schiereiland Koyagi, op de plek waar Fukuoka 2 was gevestigd, een gedenkteken onthuld. Daarop worden alle krijgsgevangenen herdacht en zijn de namen vermeld van degenen die in het kamp en op de werf zijn overleden. “Op het gedenkteken wordt ook spijt betuigd voor het leed dat de krijgsgevangenen is aangedaan. Het is geplaatst door burgers van Nagasaki en wordt onderhouden door burgers uit de omgeving.”

Einde aan de oorlog

Op 15 augustus is het precies 75 jaar geleden dat er een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog in toenmalig Nederlands-Indië en daarmee in het hele Koninkrijk der Nederlanden. 

In januari 1942 viel het Japanse leger het eiland Tarakan voor de kust van Borneo (het huidige Kalimantan) binnen. Het ­Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL) capituleerde op 9 maart 1942. Honderdduizend kinderen en volwassen burgers werden geïnterneerd in concentratiekampen, honderdduizenden werden buiten de kampen aan hun lot overgelaten.

Tienduizenden zogenoemde ‘troostmeisjes’ werden uitgebuit, honderdduizenden verrichten dwangarbeid, onder hen vele krijgsgevangenen en Indonesische Romusha’s. Ook in Japan zelf werkten zo’n 8000 Nederlandse dwang­arbeiders, onder wie Johan Schram. 

Alle slachtoffers van de oorlog tegen Japan en de Japanse bezetting van Nederlands-Indië worden elk jaar op 15 augustus herdacht, onder meer bij het Indisch Monument in Den Haag. Vanwege de corona-pandemie gebeurt dit zaterdag 15 augustus zonder publiek.

Schram: “Ik was zelf met andere lotgenoten bij de onthulling, een fantastische gebeurtenis. Voor mij persoonlijk echt een omslagpunt. Ik stond arm in arm met Yukari Tangena-Suzuki, de Japanse voorzitster van de dialoogstichting. Mijn vader had dit begrepen en zo mooi gevonden. Mentaal heeft dit mij enorm geholpen de geschiedenis van mijn vader te verwerken. Een gevoel van troost. Theatraal gezegd: ik kijk nu trots omhoog.”

Japanners en Nederlanders weten weinig over het leed

Vanwege ‘75 jaar na de bevrijding’ zou hij dit jaar opnieuw bij een ceremonie bij het gedenkteken aanwezig zijn. Maar door de huidige coronapandemie is die herdenking naar 2021 verschoven.

André bij de onthulling van het gedenkteken in 2015.

Japanners, maar ook Nederlanders weten weinig over het leed dat is aangericht in Azië tijdens de Tweede Wereldoorlog, vindt Schram. Het was voor hem, als oud-onderwijsman, aanleiding een lesboekje te maken aan de hand van de geschiedenis van zijn vader. Dit boekje met de titel ‘Het verhaal van Johan’ is bedoeld voor 10- tot 16-jarigen.  Schram gebruikt het zelf als gastdocent op Nederlandse scholen.

Het boekje is onlangs vertaald in het Japans en wordt nu ook ingezet op scholen in Nagasaki, vertelt hij. “Ik vind het belangrijk dat ditzelfde verhaal ook in Japan wordt verteld. Er is zelfs op de Japanse televisie aandacht aan besteed. Voor mij is de cirkel hiermee helemaal rond.”

Lees ook:
Jarenlang stopte Piet Alderlieste zijn herinneringen aan het jappenkamp weg, nu is hij klaar om te praten

Zaterdag wordt herdacht dat 75 jaar geleden een einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog in Indonesië. Piet Alderlieste (88) moest als jongetje overleven in een jappenkamp. Lang stopte hij de herinneringen aan die periode weg, nu heeft hij zijn verhaal opgeschreven. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden