Toegoenezen met de Willemstad naar Suriname vertrokken.

Nederlandse kolonies

De Toegoenezen wilden één ding: Nederlander blijven, en daar hadden ze veel voor over

Toegoenezen met de Willemstad naar Suriname vertrokken.Beeld Nationaal Archief

Terwijl Indonesië stilstaat bij zijn onafhankelijkheid, is er een minderheid voor wie het allemaal niet had gehoeven. De Toegoenezen wilden zo graag Nederlander blijven dat ze de hele wereld over trokken om dat voor elkaar te krijgen. Met elke ‘en toen’ dreven ze iets verder weg van huis, om uiteindelijk een nieuw thuis te vinden.

De eettafel van Eddy Pendjol (66) in Hoogeveen ligt bezaaid met papieren. Kranteknipsels, foto’s, kaartmateriaal, herinneringen in sepia. Ertussenin flessen sambal, een bordje loempia’s en lempers die hij heel even warm heeft gemaakt. “Die oosterse inborst, hè”, knipoogt hij. “Niemand verlaat het huis zonder eten.”

Pendjol vertelt graag en vaak het verhaal van de Toegoenezen, de minderheid waaruit hij voortkomt. Hij geeft lezingen, werkt mee aan de documentaire die over de gemeenschap in de maak is. Omdat het belangrijk is, zegt hij, dat de generaties na hem weten waar ze vandaan komen. Omdat op een dag Toegoe misschien wel alleen nog maar een naam zal zijn uit lang vervlogen tijden, van oude mensen en dingen die al lang voorbij zijn gegaan. Vanuit lijstjes aan de muur kijken zijn kleinkinderen de kamer in, guitige koppies. “Zij zijn nog half Toegoenees, maar wat zullen hún kleinkinderen nog zijn?”

Een reportage schrijf je doorgaans niet chronologisch op, maar met flashbacks en vooruitblikken. Maar die vorm zou het verhaal van de Toegoenezen, met al die tijdperken en plaatsen van handeling, onoverzichtelijk maken. Dit verhaal vráágt om de ‘en-toen-en-toen-en-toen-methode’.

Eddy Pendjol in Hoogeveen.Beeld Reyer Boxem

Het verhaal begint met zo’n dertig tot veertig mannen uit het Indiase Goa. Als slaafgemaakten van Portugese eigenaars waren zij naar Java gehaald, tot de VOC daar in 1641 de Portugezen verdreef en hun slaven vrijliet. De Nederlanders bekeerden die laatsten tot het protestantisme, wezen hun een plek toe om te wonen: het dorpje Toegoe. Daar mengden de mannen zich met lokale vrouwen, woonden ze eeuwenlang relatief afgezonderd, een christelijke minderheid in een moerassig en weinig toegankelijk dorpje midden in het overwegend islamitische Nederlands-Indië.

En toen.

Onrusten, de jaren veertig van de twintigste eeuw. Indië keerde zich steeds meer tegen de Nederlandse overheerser, en zo groeide ook de weerstand tegen de Toegoenezen, die met hun christendom en koningsgezindheid werden beschouwd als verlengstuk van de vijand. “Onze voorouders werden gezien als bruine Nederlanders. Als collaborateurs, eigenlijk”, zegt Pendjol. Steeds vaker richtten de pemoeda’s, de radicaliserende nationalisten, zich op deze, in hun ogen, landverraders.

In 1946 vielen ze Toegoe aan, er was een dodenlijst, de Nederlandse politie greep in, bracht de Toegoenezen in veiligheid op een geheime plek. “Toen ze terugkwamen was de kerk verbrand en het dorp helemaal verwoest.”

En toen.

De onafhankelijkheid van Indië, 1949. Blijven was voor de Toegoenezen geen optie, zegt Pendjol. “Dan hadden ze Indonesiërs moeten worden, en ze wilden juist Nederlanders blijven.” Naar Nederland verhuizen zagen ze niet zitten door alle verhalen over kou en sneeuw die ze hadden gehoord. Maar: er was een plek in het koninkrijk waar palmbomen groeiden en de zon scheen, en zo kwam het dat de 26 gezinnen het dorp Toegoe verlieten om zich op Nederlands Nieuw-Guinea te vestigen. Daar ontgonnen ze een berg, bouwden ze huizen en een kerk en legden de waterleiding aan. Kregen er kinderen, onder wie Eddy Pendjol. “Ze wisten dat het tijdelijk zou zijn”, zegt die. “Maar hóe tijdelijk, dat wist niemand.”

De dag kwam in oktober 1962, toen Nederlands Nieuw-Guinea onder Indonesisch bewind kwam. Pendjol weet nog precies hoe hij als negenjarig jongetje van school werd geplukt, samen met de andere Toegoenese kinderen. Hup, snel, pak een tas in, je hoort later wel hoe en wat. “Daar stond ik dan in mijn korte broekje, singletje, op slippers. Tijd om na te denken wat mee moest was er niet.”

En toen.

De aankomst in Nederland, oktober 1962. Nog proeft hij de nasi goreng uit blik die hun werd voorgeschoteld, goedbedoeld natuurlijk hoor, lacht hij. Nog voelt hij de wollen kleren die ze kregen kriebelen, het was die beruchte winter van ’62 - ’63. Als groep woonden ze een half jaar op ‘kamp Pietersberg’ in Westerbork. In de weekenden mochten ze zelf koken, ze experimenteerden met lokale ingrediënten: rookworst met sambal, boerenkool met rijst. “En we moesten schoenen aan. In Nieuw-Guinea droegen we die alleen op Nieuwjaarsdag.”

Terwijl koningin Juliana op bezoek kwam, de verwarming op de hoogste stand stond, en de kinderen klappertandend in hun wollen hansopjes met open mond stonden te staren naar de Nederlandse jongens die voorbijfietsten in korte broek, bereidde een kleine delegatie Toegoenezen in samenspraak met de Nederlandse regering de volgende reis voor. Er was nóg een stukje tropisch Nederland, en daar ging dan ook de reis heen: Suriname moest het nieuwe beloofde land worden.

Toegoenese arbeiders op de citrusplantage Slootwijk in Suriname.

En toen.

Opnieuw vertrekken, april 1963. Op naar een eigen enclave op de citrusplantage Slootwijk in het district Commewijne, ten oosten van Paramaribo. In februari van dat jaar had minister Klompé in Suriname met haar ambtsgenoot gesproken over de vestiging van de Toegoenezen, alles leek in kannen en kruiken. Maar toen de groep aankwam bleken de huizen niet bewoonbaar, was er geen elektriciteit of waterleiding. Omdat de nieuwkomers zelf eerst nog hun dorp moesten bouwen hadden ze geen tijd om de plantage te bewerken, en tegen de tijd dat de huizen klaar waren, had het oerwoud de plantage overwoekerd. Tot overmaat van ramp liep er geen weg, waardoor de markt in Paramaribo alleen per boot bereikbaar was, een tocht van uren, funest voor elke oogst onder de allesverzengende tropenzon. Ze leefden, zegt Pendjol, zelfvoorzienend en door te ruilen. “Als ik ging vissen nam ik altijd genoeg mee voor iedereen. Dat bracht ik dan rond. Als we niet zo’n hechte gemeenschap waren geweest, hadden we het daar niet overleefd.”

De mislukking dwong de Toegoenezen tot nadenken. Tijdens de periode in Westerbork hadden ze even kunnen proeven aan Nederland, en och, hoe erg was het nu eigenlijk? Vooruit, het was er koud, maar de scholen en mogelijkheden waren er uitstekend, en wil niet elke migrant dat zijn kinderen het beter krijgen?

En toen.

Ze gingen, 1967. Krontjongmuziek aan boord van de Oranje Nassau, de hele drie weken lang. Die muziek is de grote trots van de Toegoenezen, zegt Pendjol, naast hun religie en saamhorigheid het enige wat ze tijdens al die omzwervingen bij zich hebben kunnen houden, omdat die in henzelf zit en dus nooit kan sneuvelen, ook niet bij honderd verhuizingen. “De bemanning vond het schitterend.”

Toegoenezen keren vanuit Suriname terug in Nederland.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

In Nederland werden ze gescheiden, de groep die jarenlang als een grote familie de wereld over had gereisd, werd uit elkaar getrokken. Daar hadden ze niets over te zeggen, zegt Pendjol, en als hij heel eerlijk is weet hij ook niet of ze dat gedaan hadden als het wel had gekund. “In die tijd kreeg je Molukse wijken. Veel oude Toegoenezen wilden dat niet, aparte wijken, zij wilden juist integreren. Ook mijn moeder. Ze wilde een goede toekomst voor ons.” Dat kon volgens moeder Pendjol alleen door zich te mengen onder de ‘Belanda’s’ - witte Nederlanders zonder migratieachtergrond.

Eerst belandde het gezin Pendjol in een pension in Almelo, waar ze stiekem bami kookten op hun kamer. De pensionhouders kwamen erachter, maar nadat ze een keer hadden meegegeten vonden ze het niet erg meer, glimlacht Pendjol. Na een tijdje kregen ze een huis in Hattem.

Nog een paar ‘en toens’ volgen. De gebruikelijke: opgroeien, het nest verlaten, de eerste baan, zelf een gezin stichten. Grootouders worden.

En toen?

En toen was het nu. En hier: in Hoogeveen, aan een eettafel vol oude foto’s.

Eddy Pendjol schenkt nog eens koffie in.

Ze probeerden contact te houden, vertelt hij, in die eerste jaren huurden ze bussen en auto’s om elkaar op te zoeken. In Toegoe, in Nederlands Nieuw-Guinea en later in Suriname, was het de traditie geweest om op Nieuwjaarsdag al musicerend langs de deuren te gaan. “Maar nu we zo ver uit elkaar woonden, kon dat natuurlijk niet meer.”

In de decennia die volgden bezocht hij Toegoe twee keer, met zijn dochters. Hij wachtte er bewust mee tot ze afgestudeerd waren en het zouden begrijpen. De armoede, de kinderen onder de brug die midden in de nacht gekookte pinda’s verkopen – het emotioneerde dochterlief. “Als jullie hier waren gebleven had ik daar ook kunnen staan”, snikte ze op een avond. “Ja”, zei haar vader zachtjes. “Dat had gekund, ja.”

Was het het waard, al die huizen, haarden en verbrande schepen? “Ja”, zegt Pendjol gedecideerd. “Mijn moeder kon amper Nederlands lezen en schrijven. Mijn dochters hebben allebei gestudeerd. En dit geldt voor meer families: binnen korte tijd hebben ze zich enorm ontwikkeld. Daar ben ik heel erg trots op.”

Want zo ging het verder, de kinderen schoten wortel, kregen Nederlandse vrienden en vriendinnen, banen, kregen zelf kinderen. Verdwenen, zoals dat dan gaat, in hun éigen kringetje van gezin, collega’s, vrienden, in hun eigen leven.

Dit maakt het lastig om in te schatten hoeveel Toegoenezen er nu nog zijn. Pendjol houdt het op een ruwe schatting: zo’n vijf- tot achthonderd. Hoeveel procent Toegoebloed moet je nog hebben om mee te tellen? Je kunt daar sentimenteel over doen, maar Eddy Pendjol bekijkt het liever anders. Liever dan nergens bij horen, hoort hij juist overal een beetje bij. Zo komt het ook, zegt hij, dat de geschiedenis van de Toegoenezen zo onbekend is. “Wij hebben ons nooit ergens tegen afgezet of rellen geschopt waarmee we het nieuws konden halen. Eigenlijk zijn we overal steeds geruisloos geïntegreerd.”

Verwateren betekent dat iets verdunt, maar ook dat het zich verspreidt. Zijn dochters wees hij erop dat ze kind zijn van twee culturen, drukte hen op het hart om van beide werelden het beste te nemen en dat zich eigen te maken. Rookworst met sambal, boerenkool met rijst.

Pendjol speelt in een krontjongband, op de cd-hoes poseren de bandleden in aquamarijnblauw batik. Krontjongmuziek, zegt hij ís de Toegoenezen: een beetje fado, een snufje Moors, invloeden uit Indonesië en uit Nederland. Trots laat hij een filmpje zien waarin zijn dochters optreden met hún band, die Krontyoung heet en een moderne twist geeft aan de traditionele klanken. Op de Tong Tong Fair coveren ze Rumah Saja van Doe Maar. “En soms verlang ik naar een ander huis, in het land van mijn vader”, zingen de gezusters Pendjol. “Maar ook daar zal ik een vreemde zijn.”

Kind in Indië

Volgende maand verschijnt het boek ‘Kind in Indië’, een verzameling van interviews met dertig mensen die de koloniale tijd nog bewust hebben meegemaakt in Nederlands-Indië. Zij vertellen over hun jeugdjaren, de Tweede-Wereldoorlog, en alles wat er daarna gebeurde.

Onder hen zijn ook twee Toegoenezen. Het boek is een uitgave van de Indische Genealogische Vereniging. “We willen vooral jongeren stimuleren om met hun grootouders te praten nu het nog kan”, zegt initiatiefnemer Kevin Felter, die de meeste interviews deed. “Over de grote lijnen van de geschiedenis is veel bekend, maar hoe was het dagelijks leven? Die verhalen gaan verloren als ze niet worden doorverteld en vastgelegd.”

Het boek wordt in eigen beheer uitgegeven en kost € 25,- Reserveren kan op igv.nl.

Lees ook: De vader van André was dwangarbeider in Japan. ‘Hij had het niet leuk gevonden dat ik voor deze Japanner boog’

Johan Schram sprak na de Tweede Wereldoorlog nooit meer over wat hem in Japan als krijgsgevangene was overkomen. Hij was een van duizenden die vanuit Nederlands-Indië dwangarbeid moest verrichten. Zoon André verdiepte zich na zijn dood in deze geschiedenis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden