Het standbeeld van Piet Hein, zeevaarder uit de zeventiende eeuw, in Rotterdam-Delfshaven wordt schoongemaakt nadat het was beklad en besmeurd.

InterviewMaarten Prak, historicus

De term Gouden Eeuw laat onverlet dat Nederlanders zich ‘onvergeeflijk hebben misdragen’

Het standbeeld van Piet Hein, zeevaarder uit de zeventiende eeuw, in Rotterdam-Delfshaven wordt schoongemaakt nadat het was beklad en besmeurd. Beeld ANP

De Gouden Eeuw (zeventiende eeuw) moeten we wel degelijk zo blijven noemen, vindt historicus Maarten Prak. ‘Geen opschepperij, maar inzicht’, schrijft hij in zijn nieuwe boek; en de term Gouden Eeuw laat onverlet dat Nederlanders zich ‘onvergeeflijk hebben misdragen’. 

De term ‘Gouden Eeuw’ is beladen, en in discussies daarover heeft Maarten Prak (1955), historicus aan de Universiteit Utrecht, zich niet onbetuigd gelaten. Zo probeerde hij vorig jaar in ‘De Wereld Draait Door’ enige nuance te brengen toen FvD-leider Thierry Baudet en Groenlinkser Zihni Özdil kibbelden over de vraag of die Hollandse welvaart destijds louter te danken was aan het genie onzer voorvaderen dan wel aan uitbuiting. 

De discussies waren ook aanleiding om zijn in 2003 verschenen boek ‘Gouden Eeuw: Het raadsel van de Republiek’ te herzien, vertelt Prak. Morgen verschijnt van zijn hand ‘Nederlands Gouden Eeuw’ – jawel, die term handhaaft hij toch maar. “Onder invloed van het debat ben ik op een aantal punten anders gaan aankijken tegen deze geschiedenis”, vertelt hij. “Bij verschijning van mijn vorige boek stond de nationale geschiedenis zeer positief in de belangstelling. Er zou een nationaal historisch museum komen, een canon... Ik schreef toen al dat het niet allemaal rozengeur en maneschijn was: armoede, slavernij, dat kwam allemaal aan bod. Maar mede onder invloed van die recente discussies is de balans ook bij mij verder verschoven.”

Het debat deed het Amsterdam Museum vorig jaar besluiten om de term Gouden Eeuw te laten vallen. Dat stuitte op bijval en onbegrip (“Pffft… wat een onzin”, vond premier Rutte). Maar er is meer aan de hand dan politieke correctheid onder activistische druk, vindt Prak. “Historici waren het debat allang begonnen; die stap van het Amsterdam Museum komt ook daar uit voort. Historici zijn ook burgers. Wetenschap en maatschappij reageren op elkaar, zonder dat je kunt zeggen wat de oorzaak en wat het gevolg is.”

‘Een geschiedenis die ons niet onberoerd kan laten’

Naast maatschappelijke druk zijn er ook nieuwe wetenschappelijke inzichten. Prak: “Een in 2015 verschenen biografie van VOC-voorman J.P. Coen (door Jur van Goor) leert hoezeer geweld een structureel element was in de blauwdruk die Coen had voor de koloniale handel, en dat alle geweldsexcessen, inclusief de slavernij, deel uitmaakten van dat grotere plan. Ook nieuwe studies over de Nederlandse militaire geschiedenis belichten de actieve militaire aanpak in de zeventiende eeuw; ik ging er voordien toch een beetje vanuit dat oorlogen Nederland waren opgedrongen.”

De historicus begint en besluit zijn boek met een verdediging van zijn keuze om toch te spreken van De Gouden Eeuw. ‘Geen opschepperij, maar inzicht’, schrijft hij; en de term Gouden Eeuw laat onverlet dat Nederlanders zich ‘onvergeeflijk hebben misdragen’. 

Gevraagd of we ons nu moeten schamen, of trots mogen zijn op de Gouden Eeuw, zegt Prak: “Het is een geschiedenis die ons niet onberoerd kan laten, maar ik probeer gevoelens van schaamte of trots te vermijden. Er is toen iets bijzonders gebeurd, maar wel eeuwen geleden, dat is geen enkele verdienste van mij. We profiteren nog van de gevolgen, we zijn nog steeds een van de meest welvarende landen in de wereld. Anderzijds hebben sommigen, met name nazaten van degenen die toen en de eeuwen daarna als slaven verhandeld werden, ook honderden jaren later nog last van die geschiedenis.”

De term is maar moeilijk te ontwijken

Twee redenen voert Prak aan om toch te blijven spreken van Gouden Eeuw: “Al in de zeventiende eeuw gebruikte men die term, zij het niet heel veel. Mensen hadden sterk het gevoel ‘we leven in een bijzonder tijdvak’, en dat was ook zo. Daarnaast kennen we die term allemaal, als je met niet-historici over ‘de zeventiende eeuw’ praat, zijn ze al gauw het spoor bijster in die zee van eeuwen. Het Amsterdam Museum heeft de term dan wel afgezworen, maar deed desondanks net voor de Kerstdagen mee aan een advertentiekatern in de dagbladen, waarin op iedere bladzijde die term voorkwam.” 

Prak doelt op een commerciële bijlage waarin musea voor kunst, kunstnijverheid en geschiedenis hun tentoonstellingen aankondigen. Daarin vertelt het Amsterdam Museum weliswaar dat ze de term ‘Gouden Eeuw’ niet meer gebruiken, maar verschijnt het museum wel op een spread met als kop ‘Gouden Eeuw, tentoonstellingen in 2020’. “Ik wil ze niet van hypocrisie beschuldigen, alleen aangeven dat de term in de museale wereld nog altijd gebruikelijk is en dat zelfs het Amsterdam Museum zich daaraan maar moeilijk kan onttrekken.”

In zijn boek analyseert Prak op toegankelijke wijze een aantal gebeurtenissen, ontwikkelingen en begrippen. Hij trekt conclusies die haaks kunnen staan op gangbare voorstellingen. Trouw zeefde er een aantal uit.

1. Nederland had een uitgekiend, superieur staatsbestel

“Nee, het staatsbestel hing met paperclips en vliegertouw aan elkaar. In de zeventiende eeuw was niets aanwezig van het negentiende-eeuwse idee van een regering, met een parlement ernaast, en dan daaronder de lagen van provincies en gemeenten met een hiërarchische verhouding daartussen. Vroeger zagen historici dat als handicap: ‘Nederland deed het ontzettend goed, ondanks het feit dat het zo rommelig georganiseerd was’. De stelling in mijn boek is precies tegenovergesteld: dankzij die rommelig georganiseerde staatsinstellingen deed de Republiek het zo goed.

“Vorsten in andere landen probeerden ten koste van veel strijd meer macht te leggen bij het centrum. De Nederlandse Opstand ging precies over deze kwestie: moesten Filips II en zijn regering in Brussel meer macht krijgen ten koste van Friesland, Groningen enzovoort. Daar vonden ze van niet, en dat was ook precies wat ze in het staatsbestel van de Republiek probeerden vast te leggen. Elders liepen vorsten lokale instellingen voor de voeten, in de Republiek hadden lokale en regionale instellingen van kooplieden ruim baan. Dat functioneerde niet alleen goed, dat droeg ook bij aan het vertrouwen in de overheid, wat blijkt uit de hoge belastingopbrengsten. Nergens werd zoveel belasting betaald als in Nederland. Weliswaar speelden regenten elkaar de mooie baantjes toe, en waren er geen verkiezingen, maar ze luisterden naar meningen van hun burgers, en overlegden met gilden en schutterijen.”

2. Terwijl de buren verwoestende oorlogen voerden, was Nederland een oase van rust

“Nou, de Republiek voerde gedurende het overgrote deel van de zeventiende eeuw oorlog met andere landen. De Tachtigjarige Oorlog kostte in Limburg en Brabant veel doden en verwoesting. Driemaal, in 1654, 1665 en 1672 voerde Nederland oorlogen met Engeland. Die waren wel economisch schadelijk, maar niet verwoestend, omdat het marine-oorlogen waren. De Franse invasie in 1672 was ook niet bloedig omdat Nederlanders eigenlijk ontzettend weinig tegenstand boden.

“Andere landen kenden grote burgeroorlogen: de verwoestende Dertigjarige oorlog in Duitsland, de burgeroorlog in Engeland, de Fronde in Frankrijk; al die landen worstelden met de verhouding tussen burgers en overheden. Dat was al in de zestiende eeuw in Nederland geregeld op een manier die op een breed draagvlak kon rekenen. De botsingen tussen remonstranten en contraremonstanten tijdens het twaalfjarig bestand brachten het land wel op de rand van een burgeroorlog, maar zover is het niet gekomen.”

3. Nederland beleefde een enorme groeispurt

“Dat is zeker waar, voor hedendaagse begrippen waren de groeicijfers in de zeventiende eeuw aan de bescheiden kant: tussen 1590 en 1650 groeide de economie 1 à 1,5 procent per jaar. Dat groeicijfer, tientallen jaren lang, was voor de zeventiende eeuw opzienbarend. De technologie was niet toereikend om groeicijfers te halen die wij kennen van bijvoorbeeld China.”

4. De aandelenemissie van de VOC – ’s werelds eerste – was een vooruitziend idee

“Nee, het idee was dat beleggers hun geld staken in een eenmalige reis naar Indië, waarvan ze de opbrengst anderhalf, twee jaar later uitgekeerd zouden krijgen. Maar de VOC kon geen geld uitkeren omdat ze moest investeren in forten en oorlogsschepen. Omdat investeerders geen tien jaar op hun geld konden wachten, verkochten ze hun inleg. Zo ontstond een markt in iets wat lijkt op het moderne aandeel. Maar dat was dus toeval, geen vooropgezet plan.

“Omgekeerd was de tulpenmanie, die vaak geldt als vroegste voorbeeld van dolgedraaid kapitalisme, niet alleen maar een ramp, behalve natuurlijk voor de mensen die hun geld verloren. Heel Europa werd attent gemaakt op de tulp als winstgevend product. Nog steeds beheerst Nederland de helft van ’s werelds bloemenmarkt, en zijn we na de VS de tweede agrarische exporteur, mede dankzij de bloemenhandel die zijn wortels in de zeventiende eeuw heeft. Zie de tulpenmanie als een kinderziekte van een zeer succesvolle bedrijfstak.”

5. Nederland dankte zijn welvaart aan de slavenhandel

“Dat denk ik niet. Uit een redelijk betrouwbare schatting blijkt dat aan het eind van de achttiende eeuw ongeveer 10 procent van de economie van Holland (de huidige provincies Noord- en Zuid-Holland) samenhing met slavenhandel en slavernij; voor de gehele Nederlandse economie was dat 5 procent. Ik schat dat je voor de zeventiende eeuw uitkomt op ongeveer de helft van die percentages: aanzienlijk, maar je kunt niet stellen dat de welvaart daaraan te danken was. Juist tijdens de snelste groeispurt, in de eerste eerste helft zeventiende eeuw, was dat aandeel op zijn kleinst.

“Zodra je cijfers noemt, raak je al gauw verzeild in heel ingewikkelde, onfrisse discussies. In Indië hield Nederland meer slaven dan in Zuid-Amerika, en die in Indië werkten op plantages, maar vaker in de huishouding. Hoe bereken je hun economische betekenis? Nog zoiets: gedurende twintig jaar heeft Nederland een deel van Brazilië bezet. Maar de meeste plantages daar bleven in handen van Portugezen. Aan wie reken je de productie van die slavenarbeiders nu toe?”

6. In de Gouden Eeuw werd de vrijheid van het individu erkend

“Daar zit iets in: steden en dorpen kregen dankzij de Opstand veel beleidsruimte. Daar bestond meer sympathie voor individuele rechten dan bij vorsten die lak hadden aan het volk. Maar het begrip had een andere gevoelswaarde dan voor ons na het ‘ik’-tijdperk. Vrijheid was een collectief goed. Als zeventiende-eeuwers aan vrijheid dachten, dan dachten ze aan de clubs waarvan ze lid waren, zoals gilden en schutterijen, waardoor ze over ‘vrijheden’ – eerder: voorrechten – konden beschikken.

“De zeventiende-eeuwers worstelden met het idee dat iedereen moest kunnen geloven wat hij wilde, zoals vervat in de Unie van Utrecht (1579). Elders was de overtuiging dat een samenleving uit elkaar zou vallen als de godsdienstige verschillen te groot werden, maar in Nederland overheerste het idee: we kunnen het ons niet veroorloven om op alle slakken zout te leggen. Velen deden dat natuurlijk wel, maar het recht te geloven wat je wilde bleef overeind. Wel werd paal en perk gesteld aan de manier waarop mensen dat geloof wilden beleven, georganiseerd in een kerk. Dat mochten alleen calvinisten in de Nederduits-gereformeerde kerk. Maar omdat zoveel mensen daar niet bij aangesloten waren, voerden de autoriteiten een gedoogbeleid. Katholieken, remonstranten, Joden mochten grosso modo wel te kerke gaan, maar van buitenaf onzichtbaar.”

7. In de Gouden Eeuw was Nederland calvinistisch

“Dat is absoluut niet waar. In Brabant en Limburg was bijna iedereen katholiek. Wel was er de protestantse biblebelt, die we nu nog steeds kennen, van Zeeland tot de Veluwe. Maar Holland en Utrecht gaven een heel gemengd beeld. In Utrecht bleef een kwart tot een derde katholiek. Geen enkele kerk had de meerderheid: Nederland was een land van religieuze minderheden.

“De kerk was heel belangrijk als sociaal verband, vooral voor vrouwen. Mannen hadden tal van andere mogelijkheden voor sociaal verkeer. In sommige steden waren heel actieve buurtgenootschappen die een paar keer per jaar meerdaagse maaltijden organiseerden. Tussen een kwart en de helft van de huishoudens was bij een gilde aangesloten – middenklasseverenigingen die regelmatig bijeenkomsten, maaltijden en drinkgelagen organiseerden. Datzelfde gold voor de schutterijen. Op schilderijen zie je vaak de officieren, maar het waren geen elitaire genootschappen: veel mannen kwamen verplicht gedurende een aantal jaren op, om de maand moesten ze een nacht waken. Er werd veel gediscussieerd en gedronken, dat waren hechte verbanden.”

Maarten Prak: Nederlands Gouden Eeuw. Vrijheid en geldingsdrang. Prometheus, 368 blz., € 27,50

Lees ook: 

Welke kleur had de Gouden Eeuw?

Het Amsterdam Museum schrapt de term Gouden Eeuw, om inclusief te worden. Wat vinden betrokkenen? ‘Je moet naar jezelf durven kijken.’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden