Emmy van Schalkwijk.

Afstandsmoeders / WeggeefkinderenEmmy van Schalkwijk

De kinderen die niemand kwam ophalen bij de Paula Stichting

Emmy van Schalkwijk.Beeld Koen Verheijden

Nadat hun ongehuwde moeder was vertrokken, brachten kinderen soms jaren door in doorgangshuis de Paula Stichting. Daar werden peuters letterlijk ziek van het gebrek aan aandacht.

‘Graag wil ik uw aandacht vragen voor de minderjarige Emmy’, schrijft Frans Josso, psycholoog van de Paula Stichting, in hanenpoten op blauw lijntjespapier. Het is de winter van 1968 in Oosterbeek, drie dagen na sinterklaas. Buiten vriest het, een gure wind waait over het groene landgoed waarop het tehuis voor ongehuwde moeders staat.

De Paula Stichting in Oosterbeek wordt dan gerund door nonnen congregatie De Kleine Zusters van de Heilige Joseph. Dertig sobere kamertjes zijn er ingericht voor ongehuwde moeders. Ze zijn naar Oosterbeek gestuurd door hun familie, de huisarts of een maatschappelijk werker. Hun zwangerschap is een schande.

Achter het gebouw, gescheiden van de moederafdeling, liggen de kinderpaviljoens. In 1968 is er plek voor 78 baby’s van 0 tot 1 jaar, verdeeld over zes zaaltjes. Peuter Emmy woont op één van de twee groepen voor grotere kinderen. Zij wacht er al bijna drie jaar tot iemand haar komt halen.

Afstandsmoeders en weggeefkinderen

De adoptiewet lijkt in Nederland een eigen dynamiek tot stand te hebben gebracht, blijkt uit onderzoek van Trouw en Omroep Gelderland. Een waarin ongehuwde vrouwen onder grote druk afstand deden van hun baby of zelfs, decennia later, zeggen gedwongen te zijn hun kind af te staan. Schattingen over het aantal vrouwen dat zijn kind heeft afgestaan tussen 1956 - het moment dat de adoptiewet van kracht werd - en 1984 - toen abortus gelegaliseerd werd - lopen uiteen van 13.000 tot 20.000. Dat terwijl de Fiom (Federatie Instellingen voor Ongehuwde Moederzorg) in de twintig jaren daarvoor bemiddelde voor 328 kinderen van wie afstand was gedaan. 

In een reeks artikelen, te raadplegen via trouw.nl/adoptie, onderzoeken we wat er allemaal misging, hoe het zo mis kon gaan, en wat de impact ervan is op de levens van mensen. De interviews en filmpjes van Omroep Gelderland zijn hier te bekijken. 

Psycholoog Josso maakt zich grote zorgen. Emmy’s situatie lijkt uitzichtloos. Hij schrijft een brandbrief aan de Raad voor de Kinderbescherming in ’s-Hertogenbosch, de gemeente waar Emmy’s moeder woont. ‘De huidige ontwikkeling begint duidelijk bedenkelijke aspecten te vertonen. [Emmy] klampt zich aan iedere man die toevallig in het paviljoen is vast met de vraag of ze mee mag.’

Emmy zoekt een vaderfiguur, iemand die voor haar wil zorgen. Met haar onstuimige karaktertje trekt ze te veel aandacht van het verplegend personeel. ‘Ze heeft behoefte aan een normale pedagogische huiselijke levenswijze en aan bevrediging van haar behoefte aan tederheid’, schrijft de psycholoog. Hij is bang voor ‘hospitalisatie’ en ‘pathologische scheefgroei’ van Emmy, schrijft hij. Het leven in een internaat zonder aandacht, liefde en spel doet haar geen goed.

Moedergemis en heimweelijden

“Mijn jeugd is een puinhoop geweest”, zegt de inmiddels 54-jarige Emmy van Schalkwijk. Jarenlang is ze bezig geweest om de puzzel te leggen van haar eigen geschiedenis. Ze is een van de kinderen die jarenlang in de Paula Stichting woonde. Door gebrek aan echte aandacht kregen kinderen last van ‘moedergemis’ en ‘heimweelijden’. Meerdere kinderen kwamen in het ziekenhuis terecht, zo ook de tweejarige Emmy.

De biologische moeder van Emmy bevalt in 1965 in Moederheil in Breda, een ander tehuis voor ongehuwde moeders van dezelfde congregatie als die de Paula Stichting runde. Ze wil haar kind niet afstaan, maar ze woont nog thuis en de zwangerschap is geheim. Alleen Emmy’s oma weet van de baby.

Daarom brengt ze haar kind naar de Paula Stichting met de belofte dat ze zal betalen voor het verblijf, en dat ze haar later zal komen halen. Ze komt Emmy nog drie keer opzoeken maar besluit niet om afstand te doen.

Daardoor komt het meisje in limbo terecht: ze kan niet met haar moeder mee, maar de kinderbescherming kan haar ook niet in een gezin plaatsen. In 1961 schreef een vereniging van pleegouders al over het gevolg daarvan: in de tehuizen zitten ‘vergeten kinderen’, schreven ze, van wie de moeders maar geen keuze maken.

Hoewel ongehuwde moeders op het hart werd gedrukt dat afstand doen het beste was, is dan al bekend wat de gevolgen kunnen zijn van een langdurig verblijf in een tehuis. De Britse psychiater John Bowlby beschreef al in de jaren vijftig hoe schadelijk ‘hospitalisatie’ kan zijn. Kinderen die lang in een instituut verblijven trekken zich terug, worden passief en lijken in diepe rouw te verkeren, concludeerde hij.

Ook in Nederland was dit bekend. Op een conferentie over de ‘ernstig gestoorde ongehuwde moeder en haar kind’ in 1957 zegt FIOM-bestuurslid ter Linden dat ‘voor kinderen beneden de zes jaar verpleging in tehuizen ronduit funest is te noemen’. De Fiom (Federatie van Instellingen voor Ongehuwde Moederzorg) schreef in 1963 dat ‘onderzoeken hebben aangetoond dat het ontberen van de moederlijke zorg gedurende de eerste levensjaren voor de verdere ontplooiing van het kind uiterst schadelijk is’.

Daarom moesten ‘afstandskinderen’ in principe zo snel mogelijk bij een gezin worden geplaatst. In de praktijk zaten ze regelmatig lang in een tehuis of gingen ze van pleeggezin naar pleeggezin, bleek eerder ook uit verkennend onderzoek van de Radboud Universiteit. Dat is opvallend omdat op hetzelfde moment de lijsten met potentiële pleegouders ook steeds langer worden. 

Betaald per opgevangen kind

Voor een deel komt dat door de kinderen van wie de moeder niet definitief afstand deed, waardoor de kinderbescherming hen niet in een gezin kon plaatsen. Maar er waren ook andere krachten aan het werk. Zo concludeerde de Universiteit van Amsterdam in 1971 dat er een perverse prikkel in het systeem zat. Tehuizen hadden een permanent gebrek aan geld en kregen betaald per kind dat ze opvangen. Sommige tehuizen hielden kinderen daarom langer vast dan noodzakelijk, was het vermoeden, enkel om de boel draaiende te kunnen houden. Trouw en Omroep Gelderland vonden geen aanwijzingen dat dit bij de Paula Stichting ook het geval was.

Ook achterstanden bij de verschillende organisaties die kinderen moeten plaatsen en het gebrek aan overzicht over lijsten met pleegouders, lijken een rol gespeeld te hebben in de lange periode die kinderen in tehuizen zaten. Na de invoering van de adoptiewet ontstaat door het hele land wachtlijsten van echtparen die willen adopteren. Een centrale wachtlijst ontbreekt en de Federatie van Instellingen voor Ongehuwde Moederzorg (Fiom) concludeert in 1963 dat er een ‘chaotische toestand’ is ontstaan. Bovendien werken Raden voor de Kinderbescherming regionaal, en langs elkaar heen. Door al die partijen wordt het steeds onduidelijker wie er verantwoordelijk is voor de kinderen van wie afstand is gedaan. 

Emmy van Schalkwijk: “Voor liefde en aandacht voor alle baby’s was geen tijd. Het was rust, reinheid, regelmaat.”Beeld Koen Verheijden

Peuters in het ziekenhuis

Wanneer Emmy twee jaar oud is, worden op haar kaart wat krabbels geschreven door het consultatiebureau van de Gelderse Kruisverenigingen: ‘Houdt loop oor, is bij onze arts geweest’. Bijna drie weken later wordt ze opgenomen in het Elisabeth Gasthuis ziekenhuis in Arnhem.

In haar dossier staat in krullende letters in de kantlijn geschreven: ‘19 maart 1968 opgenomen in E.G. te Arnhem, 2 mei 1968 terug uit ziekenhuis’. Waarom Emmy zes weken lang in het ziekenhuis lag, zal ze waarschijnlijk nooit weten. Omroep Gelderland en Trouw zochten tevergeefs naar aanwijzingen.

Van Schalkwijk weet uit haar dossier alleen wat haar ziekenhuisopname kostte: 1680 gulden en 11 cent. Wat ze had, en hoe het met haar ging, staat er niet in. “Ik vermoed dat ik daar zes weken alleen heb gelegen als tweejarig kind”, zegt ze.

Van Schalkwijk is niet de enige die ziek werd in de Paula Stichting. Meer afstandskinderen met wie Omroep Gelderland en Trouw spraken, lazen in hun dossier dat het niet goed met hen ging.

Zo schrijft psycholoog Josso over een andere baby: ‘maakt een kwijnende en trieste indruk. Tengevolge van ernstige nerveuze voedingsstoornissen is hij lichaamlijk achterop geraakt.’ De baby heeft last van ‘het uitgesproken beeld’ van ‘heimweelijden’ en ‘moedergemis’. De baby speelt niet, is passief en niet alert. De psycholoog concludeert dat dit komt door een ‘ernstige mate van institutionalisering’. Hetzelfde jongetje ligt later drie weken in het ziekenhuis met een longontsteking. De Raad voor de Kinderbescherming in Arnhem vraagt zich af ‘of de hospitalisatie hier de grondslag voor leverde’. Ook de zoon van afstandsmoeder Trudy Scheele-Gertsen, die Trouw vorig jaar sprak, had last van dit heimweelijden

Een ander kind, Gabriël van den Brink, leest in zijn dossier dat hij als kind in de Paula Stichting moeite had met voeding, veel spuugde en niet goed groeide. Hij was een gevoelig, en nerveus kind met ‘vegetatieve problemen’. Hij ontwikkelde bloedarmoede en was motorisch ‘niet zo vlug’.

Geen tijd voor liefde

Aan de lichamelijke verzorging lag het niet, zeggen kinderverzorgsters, zusters en andere betrokkenen met wie ‘Omroep Gelderland’ en Trouw spraken. Volgens psychologe Harlinde van Osselaer, die in de jaren zeventig in Moederheil onderzocht hoe kinderen zich ontwikkelden, werden de problemen veroorzaakt door een gebrek aan echte aandacht. “De verzorgsters leerden dat baby’s voldoende voeding en een schone luier nodig hadden”, zegt ze. “Maar voor liefde en aandacht voor alle baby’s was geen tijd. Het was rust, reinheid, regelmaat.” Men was er volgens Van Osselaer van overtuigd dat kinderen zich niet mochten hechten aan het personeel. Die hechting was voorbehouden aan de pleegouders.

Bovendien waren er te veel baby’s om allemaal op schoot een flesje te geven. Daarom rolden kinderverzorgsters in de Paula Stichting molton’s op tegen de zijkant van ieder wiegje. Daartegen werd het flesje op de kop gezet, zodat het kindje kon drinken.  Uit een enquête van de Universiteit van Amsterdam uit 1971 blijkt verder dat groepsleidsters vaak overbezet en slecht opgeleid waren, waardoor ze niet in staat waren de behoeften van kinderen te zien en hen te stimuleren.

Omroep Gelderland maakte onderstaande item over hospitaliseren van kinderen van wie afstand werd gedaan.

Uiteindelijk gaat de dan 3-jarige Emmy in de weekenden naar een gezin in Oosterbeek en na een dringende brief van psycholoog Josso wordt haar biologische moeder uit de voogdij gezet. Ze blijft bij het gezin, en wordt op haar achtste geadopteerd.

Wat ze er aan overhoudt is een gevoel van ‘intense eenzaamheid’. “Ik was nergens thuis. Niemand wist precies wie ik was”, zegt Van Schalkwijk. Ze had het gevoel dat ze dankbaar moest zijn. “Mijn versnipperde jeugd is erg pijnlijk.” Ze ‘bewandelt het pad der vergeving’. “Het leven heeft mij naast verdriet heel veel moois gebracht.” 

Verantwoording

Trouw en Omroep Gelderland deden voor deze verhalen archiefonderzoek bij de Fiom, de rijksinspectie van de bevolkingsregisters, en het Gelders Archief en spraken met moeders, kinderen, andere betrokkenen, experts en onderzoekers. Ook is gebruikgemaakt van eerdere onderzoeken over en verkenningen naar afstand en adoptie. Het archief van de Fiom is doorzocht door Sylvana van den Braak. 

Deze week publiceert Trouw  meer verhalen over adoptie in Nederland. Op trouw.nl/adoptie worden al deze verhalen gebundeld, ook zijn hier de items van Omroep Gelderland en een podcast te vinden. 

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden