De opening van de Deutsche Schule in Hilversum op 2 december 1941, met als tweede van rechts burgemeester Von Bönninghausen.

GeschiedenisAmbtenaar in oorlogstijd

Blijf op je post en werk samen met de bezetter, luidde het devies in de Tweede Wereldoorlog

De opening van de Deutsche Schule in Hilversum op 2 december 1941, met als tweede van rechts burgemeester Von Bönninghausen. Beeld Beeldbank WO2 - NIOD

De Nederlandse overheid schoot in de oorlog tekort als hoeder van recht en veiligheid, zei premier Rutte bij zijn excuses, zondag tijdens de Nationale Holocaust Herdenking. Bestuurders en ambtenaren koesterden de illusie dat ze ondanks de bezetting ‘in een goed Nederlandse sfeer’ konden doorwerken.

Nog geen handvol ambtenaren nam ontslag, toen Eindhoven begin 1942 een NSB-burgemeester kreeg. Onder hen was de allerhoogste onder hen, de gemeentesecretaris. 

“Uw streven als nationaal-socialist is gericht op verwerkelyking der nationaal-socialistische gedachte op elk terrein van het maatschappelyk leven. Als katholiek is het my onmogelyk hieraan, op welke wijze dan ook –hetzy direcht hetzy indirect – mede te werken. Ik zie my dan ook genoopt myn ambtelyke functie ter beschikking te stellen­­.”

Een houding als die van deze Louis Beel was zeldzaam. Het kwalificeerde hem na de bevrijding van het zuiden van Nederland voor bestuurswerk voor het Militair Gezag. Dat bracht hem bij de Nederlandse regering, nog in ballingschap in Londen, waar hij indruk maakte op koningin Wilhelmina. Daarna ging het snel met Beel. In februari 1945 werd hij – hoewel voorheen niet politiek actief – namens­­ de Katholieke Volkspartij minister van binnenlandse zaken. Vanaf juli 1946 combineerde hij het met het minister-presidentschap.

Beel zou eind jaren vijftig nog een kabinet leiden en vervulde verder als vicevoorzitter van de Raad van State tot in de jaren zeventig een spilfunctie in de Nederlandse politiek. De voormalige gemeentesecretaris gold als onder-koning­­ van Nederland.

Louis Beel in 1945.Beeld Nationaal Archief

Tegenover Beel en Beel-achtigen stonden in overheidsland velen die kozen voor een grijzer of zelfs bruin profiel. “Wie naar het totaalplaatje kijkt, ziet dat de Nederlandse overheden qua houding tijdens de bezetting tekort zijn geschoten”, vindt Peter Romijn, hoofd onderzoek­­ bij het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) en auteur van het boek ‘Burgemeesters in oorlogstijd. Besturen onder Duitse bezetting’ (2006). Hij noemt de excuses die minister-president Mark Rutte zondag tijdens de Nationale Holocaust Herdenking in Amsterdam maakte ‘terecht’.

Instructies blonken vooral uit in vaagheid

Nederlandse overheden moesten na de Duitse inval grotendeels zelf het wiel uitvinden. Vanwege de toenemende oorlogsdreiging had de ministerraad in 1937 een document goedgekeurd met de lange titel ‘Aanwijzingen betreffende de houding, aan te nemen door de bestuursorganen van het rijk, de provinciën, gemeenten, waterschappen, veenschappen en veenpolders, alsmede door het daarbij in dienst zijnde personeel in dienst bij spoor- en tramwegen in geval van een vijandelijke aanval’. 

Dat document werd in verzegelde enveloppen naar hoogwaardigheidsbekleders gestuurd. Toen die een paar jaar later in bange uren werden geopend, stond daarin het advies om aan te blijven en de negatieve gevolgen van de bezetting zoveel mogelijk te beperken of althans zo eerlijk mogelijk te verdelen over de bevolking. Verdere instructies blonken vooral uit in vaagheid.

Vijf dagen na de Nederlandse capitulatie in mei 1940 verzocht de naar Londen gevluchte minister-president jonkheer Dirk Jan de Geer de in Nederland achtergebleven bestuurders en ambtenaren nog eens om in functie te blijven en het landsbelang dienend met de bezetter samen te werken.

In Den Haag kwam de leiding in handen van de secretarissen-generaal van de diverse ministeries. Op lagere overheidsniveaus zaten in de meeste gevallen de bestuurders nog op hun post van voor de oorlog. Voor hen en alle ambtenaren die onder hen werkten, begon het grote aftasten. Waar ging het vanuit Londen gevraagde samenwerken in Nederlands belang over in collaboreren en werken voor Duitse belangen? Het trekken van een rode lijn vroeg om moed, een goed ontwikkeld moreel kompas en – zeker in die tijd – ongewone ambtelijke ongehoorzaamheid. Behalve angst voor mogelijke represailles speelde bij de afwegingen ook de eigen financiële bestaanszekerheid een rol. Zo kort na de economische crisis van de jaren dertig durfden maar weinigen hun baan op het spel te zetten.

 De bezetter toonde aanvankelijk een vriendelijk gezicht 

Wat het allemaal nog lastiger maakte, was dat de bezetter aanvankelijk nog een relatief vriendelijk gezicht toonde en pas later zijn masker liet vallen. De teugels werden vaak stukje bij beetje aangehaald. Het fasegewijs invoeren­­ van de anti-Joodse maatregelen was een tekenend voorbeeld.

Ambtenaren draaiden zichzelf ook een rad voor ogen, stelt Peter Romijn. “Het leger had na vijf dagen de strijd moeten staken. Zijzelf koesterden de illusie dat je het openbaar bestuur ondanks de bezetting langer in een goed Nederlandse sfeer gaande kon houden. Op leidinggevende posities zaten vaak technocraten. Die vonden het soms best fijn dat ze even geen last hadden van bestuurders. Behalve door Duitsers opgelegd beleid konden ze nu ook oude plannen gaan uitvoeren, die in een la waren beland.

“Vreselijke maatregelen werden ook verteerbaarder door ze met eufemismen aan te duiden. Of er werd door hoge ambtenaren heel erg juridisch geredeneerd, bijvoorbeeld dat het een bezettende mogendheid was toegestaan om vijandelijke elementen te interneren. Daar vielen dan op grond van de strijd tegen het internationale jodendom ook de Joden onder.”

Hier leidt Max Blokzijl de commissaris der provincie Limburg, graaf Max de Marchant et D´Ansembourg (rechts) rond tijdens een tentoonstelling in Maastricht, 1943. Beeld Beeldbank WO2 - NIOD

In Limburg namen 44 burgemeesters ontslag

Veel verzet en sabotage vanuit overheden had een lokaal karakter. “Het enige voorbeeld dat ik ken van een meer collectieve stap, komt uit Limburg. Toen Max de Marchant et d’Ansembourg, voormalig Tweede Kamerlid voor de NSB, daar in 1941 tot gouverneur werd benoemd, weigerden 44 burgemeesters onder hem te werken. Ze namen ontslag. Het bestuur kwam er niet plat door te liggen. De 44 zijn vervangen door NSB’ers.”

Wat zou meer sabotage uit ambtelijke kring hebben opgeleverd voor het totaalbeeld van de Nederlandse bezetting? Romijn­­ vindt dat een nogal speculatieve wat-als-geschiedenis. “Geef maar eens antwoord op de vraag of de bezetting er anders had uitgezien zonder de Februaristaking in 1941.”

Romijn waarschuwt ook voor het over één kam scheren van alle bestuurders en ambtenaren. “De verschillen waren heel groot. Kijk naar de burgemeesters, waar ik zelf uitgebreid onderzoek naar heb gedaan. Daar zaten fanatieke pro-Duitse bestuurders bij, velen­­ die er maar het beste van probeerde te maken en meer principiële types als Sieuwert Bruins Slot, die uiteindelijk zijn burgemeesterschap van het Groningse Adorp opgaf en mee aan de basis stond van verzetsblad Trouw.”

Inspectie van de Nationale Jeugdstorm in augustus 1941.Beeld Beeldbank WO2 - NIOD

Hilversum ‘op drift’

Dat beeld wordt bevestigd door Geraldien von Frijtag Drabbe Künzel, universitair docent politieke­­ geschiedenis aan de Universiteit Utrecht. Met studenten dook ze de afgelopen jaren in de oorlogsgeschiedenis van één gemeente. Het resultaat verschijnt in mei onder de titel ‘Stad op drift. Hilversum tijdens de Duitse bezetting’.

Ook in de Gooise stad waren burgemeesters heel bepalend voor de mate waarin politiek en bestuur meewerkten met de Duitsers. “Hilversumse wethouders en ambtenaren zaten in mei 1940 in de meeste gevallen al heel lang op hun plek. De toenmalige burgemeester, Karel de Wijkerslooth de Weerdesteijn, zat er pas sinds februari en was met zijn 38 jaar nog jong. Direct na de Duitse inval verruilde hij de katholieke RKSP en begon een eigen beweging. Hij zag zichzelf, mede op grond van afstamming van Willem van Oranje, als een nieuwe leider van het Nederlandse volk en als een soort nieuwe Gijsbert Karel van Hogendorp, de man die het Nederlandse bestuur na Napoleon weer mee op poten zette. De man had wanen, lijkt manisch-depressief te zijn geweest. Later werd hij alsnog lid van de NSB. Na de oorlog is hij vanwege ontoerekeningsvatbaarheid niet vervolgd.”

De Wijkerslooth werd al snel vervangen door de NSB’er Ernst von Bönninghausen tot Herinkhave. “Op een zeker moment werd die ook regeringscommissaris en kreeg hij bijna dictatoriale bevoegdheden. Dat heeft een grote impact gehad op Hilversum. Twee wethouders zijn door hem weggewerkt. Twee wethouders namen op den duur zelf ontslag. In de bovenste laag van het ambtenarenapparaat nam het aantal NSB’ers toe. Besluiten werden klakkeloos uitgevoerd. Er was sprake van een ongelooflijke meegaandheid.”

Het al dan niet invullen van de ariërverklaring door bestuurders en ambtenaren in het najaar van 1940 leverde in Hilversum nog discussie op, constateert Von Frijtag. “De anti-Joodse maatregelen niet of nauwelijks. Dat had ook te maken met de voortvarendheid waarmee Von Bönninghausen op zaken vooruitliep. Hij verklaarde sommige plekken al verboden­­ voor Joden voordat dit landelijk beleid was. In januari 1942 werd al met het verwijderen van Joden uit de gemeente begonnen, terwijl­­ de deportaties elders pas ongeveer een half jaar later echt op gang kwamen. De afdeling­­ Bevolking leverde keurig de benodigde registratie­­ en de grafiekjes. Razzia’s waren er niet. Joodse inwoners van Hilversum droegen hun huissleutel over aan een politieagent en liepen zelf naar het station en verhuisden naar elders. De vroege nazificatie heeft bijgedragen aan een hoog slachtofferaantal: maar tien procent­­ van de Hilversumse Joden overleefde de Holocaust, tegen ruim een kwart landelijk­­.”

Voedselbonnen voor onderduikers

Volgens Von Frijtag veranderde de houding van een deel van de Hilversumse ambtenaren wel in het tweede deel van de bezetting. Het ware gezicht van de Duitsers was stilaan voor iedereen duidelijk. De krijgskansen keerden in het voordeel van de geallieerden.

“De afdeling Hilversum van het gewestelijk arbeidsbureau, belangrijk bij het vinden van mensen voor tewerkstelling in Duitsland, was een broeinest van verzet. Daar zijn vanaf een zeker moment ook koppen gaan rollen. Bij de distributiedienst werden voedselbonnen achterovergedrukt voor onderduikers. Hilversum is ook een van de weinige grote plaatsen, waar het distributiekantoor niet is overvallen. Mogelijk omdat er van binnenuit steun was voor het verzet.

“Op Dolle Dinsdag in september 1944 vorderden de Duitsers alle rollend materieel en heeft de directeur van Publieke Werken het hele wagenpark onklaar laten maken. Ook in dit soort gevallen zie je dat de houding van leidende figuren sterk van invloed is. Gaan zij een bepaalde richting op, dan krijgen ze al snel medewerking.”

Niod-onderzoeker Romijn denkt dat het ontbreken van een gemeenschappelijke tegenstrategie tegenover de nazificatie van politiek en bestuur door de Duitsers een van de belangrijkste oorzaken is van de meegaande houding van overheden tijdens de oorlog.

“Iedereen deed wat het beste leek. Behalve de oproep van De Geer van mei 1940 om op je post te blijven en in landsbelang samen te werken met de bezetter was er geen enkel richtsnoer. Dat is een mantra gebleven­­ tot in 1943, toen stilaan niemand er meer in geloofde.”

Lees ook:

‘Excuses van de Nederlandse regering is een historisch moment’

Komen Rutte’s excuses voor het handelen van de overheid tijdens de Tweede Wereldoorlog niet veel te laat? Frank van Vree, directeur van het Niod Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies, duidt de betekenis.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden