Beeld van de protestantse zending in Papoea-Nieuw Guinea  met enkele adoptiekinderen, 1902.

ReconstructieAdoptiestop

Adoptie leek heel lang een win-winsituatie. Waarom had Nederland geen oog voor de misstanden?

Beeld van de protestantse zending in Papoea-Nieuw Guinea met enkele adoptiekinderen, 1902.Beeld rv

Nu interlandelijke adoptie tijdelijk is stopgezet, rijst de vraag: hoe is het eigenlijk begonnen? ‘Onze Europese identiteit was: wij gaan de rest van de wereld helpen.’

Schiphol, jaren zeventig. Tussen de mensen met grote koffers, op weg naar verre landen, lopen mensen met enkel knuffels in hun handen. Elke dag voltrekt zich hier, in een klein kamertje achteraf op de luchthaven, een proces dat voor aanstaande adoptieouders voelt als een geboorte. Door een deur komen dik ingepakte baby’s en jonge kinderen – want als de mensen uit de weeshuizen in Korea, Bangladesh, Colombia en andere derdewereldlanden iets wisten over Nederland, dan was het dat het er koud was. Die kinderen landen in de armen van de mensen met de knuffels. En even later zitten ze in een autozitje, op weg naar een nieuw bestaan.

In 1974 komt het echtpaar Prins, dat al twee kinderen heeft, een jongetje ophalen op Schiphol. Zijn naam is José Raul, en als ze hem in hun armen sluiten, noemen ze hem Peter. Els Prins-Barendse vertelde er zeventien jaar geleden over in het Historisch Nieuwsblad: “We hadden op televisie een programma van Mies Bouwman gezien over zielige kindertjes in Zuid-Korea. Sinds de aanwezigheid van Amerikaanse soldaten, na de Korea-oorlog, werden in Zuid-Korea af en toe halfbloedjes geboren. Die zagen er anders uit en werden daarom vaak niet geaccepteerd in de samenleving. Nederland was toen nog heel onschuldig – er waren nog nauwelijks buitenlanders – en de mensen zeiden: ‘Laat die kinderen maar hierheen komen, wij discrimineren niet.’”

De eerste generatie adoptieouders, waar het echtpaar Prins toe behoort, was een ‘open, idealistische en sterk kindgerichte generatie’, schrijft René Hoksbergen in zijn standaardwerk Kinderen die niet konden blijven. Zestig jaar adoptie in beeld. In de jaren zeventig werd de interlandelijke adoptie enorm uitgebouwd, en was er sprake van een ‘roze wolk’, aldus Hoksbergen.

Maar was Nederland zo onschuldig? Het is nogal een sprong van zielige beelden zien op televisie naar op grote schaal kinderen uit andere landen naar Nederland halen. Dat dit als een logische gedachte voelde, heeft volgens historici te maken met ons koloniale verleden, waarvandaan je een directe lijn kunt trekken naar de grootschalige interlandelijke adoptie in de jaren zeventig, betogen acht auteurs in het recente themanummer van de Low Countries Historical Review.

In april 1975 kwamen 27 weeskinderen uit Vietnam aan op Schiphol. Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo
In april 1975 kwamen 27 weeskinderen uit Vietnam aan op Schiphol.Beeld Hollandse Hoogte / Spaarnestad Photo

Vrijgekochte ‘negertjes’

In de koloniën scheidden missionarissen kinderen al op diverse manieren van hun ouders, om hen te ‘verwesteren’, bijvoorbeeld door hen voor lange tijd naar kostscholen te sturen of gedwongen van hun ouders te scheiden. In de koloniale tijd was dit soort ‘kinderhulp’ een hele centrale gedachte, laten de auteurs zien, en die ideeën bleven sluimeren in de postkoloniale periode.

Tot slaaf gemaakte kinderen die bijvoorbeeld in Nieuw-Guinea door missionarissen werden vrijgekocht, werden in hun gezinnen opgenomen, maar waren niet gelijk aan de witte kinderen. Soms werden deze kinderen meegenomen naar Europa en daar geshowd, vertelt Geertje Mak, die het nummer samenstelde. De zendingsblaadjes stonden vol met verhalen over de vrijgekochte ‘negertjes’.

Mak: “Dit soort beelden vormden onze identiteit als Europa: wij gaan de rest van de wereld helpen en vooruit brengen. Die superioriteit is diep ingebakken geraakt. Aan het koloniale systeem werd dik geld verdiend, maar er werd een humanitair sausje overheen gegoten.” Later wordt door critici precies hetzelfde gezegd over het adoptiesysteem.

In de jaren vijftig start het debat over adoptie in Nederland. Het is van alle tijden dat, als ouders overlijden of niet voor een kind kunnen zorgen, anderen die zorg overnemen. In Nederland komen veel kinderen van ongehuwde moeders in pleeggezinnen terecht. In die tijd gaat dat ook via kranten­advertenties in de trant van ‘Kinderloos echtpaar zoekt baby’.

Onder pleegouders ontstaat frustratie over het feit dat ze geen poot hebben om op te staan als de biologische ouders weer aankloppen. Vanuit deze gedachte wordt de adoptiewet van 1956 geboren die voor Nederlandse adopties regelt dat alle bestaande familierechtelijke banden worden doorbroken.

Win-winsituatie

In de jaren zestig neemt het aantal afstandsmoeders in Nederland af en zijn er in eigen land minder kinderen die geadopteerd kunnen worden. Daardoor wordt de blik op het buitenland gericht, in eerste instantie Europa. Zo komen honderden kinderen uit de overvolle tehuizen in Oostenrijk, Duitsland en Griekenland naar Nederland, omdat daar weinig animo is voor adoptie.

In de loop der tijd verschuift de aandacht zich naar het verre buitenland: kinderen uit Zuid-Korea, Bangladesh, Sri Lanka, Colombia en Indonesië, dat pas net onafhankelijk is, komen naar Nederland. Dit gebeurt niet via officiële kanalen, maar wordt geregeld door mensen die bijvoorbeeld een kennis hebben ter plaatse. In de adoptiegeschiedenis heten zij ‘de zelfdoeners’.

In de jaren zeventig wordt de adoptiepraktijk pas echt groot, door de combinatie van de toestand in de Derde Wereld en het taboe op adoptie dat afneemt. Eerder was kinderloosheid iets om je voor te schamen, en deden stellen met een binnenlands of Europees geadopteerde baby alsof het hun eigen kind was. In die tijd ontstaat het narratief van adoptie als win-winsituatie. Kinderloze echtparen kunnen hun kinderwens vervullen, het kindje krijgt een betere toekomst en voilà, zo wordt de wereld een beetje beter.

Maar ook in die begintijd zijn er al verhalen over misstanden, zegt Yannick Balk, coördinator van de groep historici die meewerkten aan het rapport van de commissie-Joustra. “Zolang er adoptie is, zijn er verhalen over misstanden besproken in het publieke debat.” Hij heeft zich er steeds over verbaasd tijdens het onderzoek. Zelfs te midden van de adoptiehausse, plaatst een enkeling al vraagtekens bij de wenselijkheid van adoptie, zegt Balk. Hij noemt de oratie van Miek de Langen, hoogleraar jeugdrecht in 1976, waarin zij pleit voor adoptie als laatste redmiddel. Zij zegt dat ‘we onze pretentie dat wij deze kinderen uit de ontwikkelingslanden in onze gezinnen een betere ontwikkelingsmogelijkheid kunnen bieden, zeer kritisch onder ogen moeten zien. De moeilijkheden, die zich voor kunnen doen na een dergelijke ingrijpende en onherroepelijke overplaatsing, zijn in bepaalde gevallen bijzonder ernstig van aard.’

Naïef

“Achteraf heb ik me erover verbaasd hoe naïef we aan het hele plan zijn begonnen”, vertelde Els Prins-Barendse, adoptieouder van het eerste uur tegen het Historisch Nieuwsblad. “Een jaar na Peters komst gingen we voor mijn mans werk een poosje naar Amerika. Daar was adoptie veel normaler en was meer informatie beschikbaar. Ik kwam elke week met wel twaalf boeken uit de bibliotheek. Toen pas las ik over problemen die je met geadopteerde kinderen kon verwachten en dat het ook wel eens mis kon gaan. Wij hadden ons daar van tevoren helemaal geen zorgen over gemaakt. Wij dachten alleen maar: dit is fijn voor het kindje.”

In januari 2010 werden 92 weeskinderen uit Haïti in Eindhoven opgewacht door hun Nederlandse adoptieouders.  Beeld Hollandse Hoogte /  ANP
In januari 2010 werden 92 weeskinderen uit Haïti in Eindhoven opgewacht door hun Nederlandse adoptieouders.Beeld Hollandse Hoogte / ANP

De omgevingsfactoren hebben de meeste invloed op de ontwikkeling van het kind, is de heersende opvatting in de pedagogiek van dat moment. In het nature-nurture-debat weegt de laatste component het zwaarst. Het is niet voor niets dat adoptiekinderen in die tijd nog vaak een nieuwe naam krijgen, als symbool voor een nieuwe start, alsof ze een soort ongeschreven blad zijn. Als je adoptiekinderen maar genoeg liefde geeft, komt het wel goed, is het idee. Dat blijkt een naïeve gedachte, merken niet alleen de adoptieouders van het eerste uur al gauw, maar wordt in die tijd ook duidelijk in wetenschappelijk onderzoek.

De idealistische generatie adoptieouders van de jaren zeventig maakt plaats voor een realistischere generatie in de jaren tachtig en negentig, aldus Hoksbergen. Mede hierdoor en door de economische crisis daalt het aantal adopties. Waar misstanden bij adopties in de jaren zeventig nog achter in de krant staan, halen ze in de jaren tachtig de voorpagina’s. Zo doet de Rijksrecherche een groot onderzoek naar illegale adopties uit Zuid-Amerika, vertelt Balk. In 43 gevallen geven de ouders ‘verduistering van staat’ toe: ze hebben de adoptiekinderen die ze via een tussenpersoon vonden, aangegeven als hun eigen kind bij de autoriteiten in Brazilië en Nederland. Zo omzeilden ze de wachtlijsten voor adoptie.

Het Openbaar Ministerie besluit tot een generaal sepot, ouders worden niet vervolgd en de kinderen mogen blijven. Hoewel er op dit moment ook aanwijzingen zijn dat soortgelijke praktijken zich voordoen in Sri Lanka, Bangladesh en Indonesië, doet de politie daar geen onderzoek naar. Zo komt in 1980 een grote zwendel aan het licht, als op de zolder van een Indonesische vrouw achttien baby’s worden gevonden, bedoeld voor adoptie naar Nederland. De vroedvrouw ving 1000 gulden per kind, de geboorteouders 200. Ondanks deze misstanden neemt Nederland geen structurele maatregelen om illegale adopties tegen te gaan.

Toenemend bewustzijn

Aan het eind van de jaren tachtig laat Nederland de crisis achter zich en ontstaat er een ‘positievere tijd’ zegt Balk. Het optimisme na de Koude Oorlog en de verbeterde economische situatie dragen bij aan de stijging van het aantal adopties. Zo doet onder andere de adoptie van Chinese kinderen zijn intrede. Om de misstanden tegen te gaan en adoptieprocedures te stroomlijnen, wordt in 1992 het ‘Haags Adoptieverdrag’ opgesteld en getekend door 66 landen, die afspraken maken over zorgvuldige adoptieprocedures. Dat wordt eind jaren negentig van kracht in Nederland.

De eerste generatie geadopteerden is inmiddels volwassen en organiseert zich. Zij vertellen in de media over hun worsteling met hun identiteit en de moeilijkheden die komen kijken bij geadopteerd zijn. Dat zorgt samen met de misstanden voor een toenemend bewustzijn van de nadelen van adoptie.

Na een korte daling halverwege de jaren negentig beleeft adoptie na de eeuwwisseling haar laatste opleving. Het is de tijd dat beroemdheden adopteren en daarmee in het nieuws komen, zoals Brad Pitt en Angelina Jolie. In 2005 zet een dalende lijn in, die voortduurt tot op de dag van vandaag. Op dit moment zwelt ook de kritiek op het gehele adoptiesysteem aan. Omdat keer op keer is gebleken dat er veel geld omgaat in de ‘adoptiemarkt’, lijkt de tijd rijp voor systeemkritiek.

Moeders

In 2008 zorgt het proefschrift van antropoloog Pien Bos voor aandacht voor een tot dan toe vergeten perspectief in de adoptiediscussie: dat van de moeders in de herkomstlanden. Bos trekt twee jaar op met Indiase vrouwen en ontdekt dat ze vaak onder grote druk hun kind verliezen en dat van een vrije keuze nauwelijks sprake is. Het afstaan laat juist een enorme morele wond achter, constateert ze.

“Ik roep al die jaren”, zegt Bos daar nu over, “dat het niet gaat om illegale adopties, maar dat het systeem pervers is. We moeten ook denken aan de rechten van het kind dat haar kind is kwijtgeraakt, we hebben het hier over moeders die op vijftien-, zestienjarige leeftijd een afstandsverklaring tekenen. Ze mogen nog niet stemmen of autorijden, maar wel een onomkeerbare, levensinsnijdende beslissing nemen?”

Die systeemkritiek klinkt ook terug in het advies van de Raad voor de Jeugdbescherming in 2016 om te stoppen met adoptie. De RSJ erkent dat adoptie op microniveau positief effect kan hebben op een kind, maar op macroniveau geen wenselijke situatie is. In datzelfde jaar komt er een oud lijk uit de kast: één van de illegaal geadopteerde kinderen uit Brazilië, Patrick Noordoven, is inmiddels volwassen en sleept zijn ouders voor de rechter.

In 2019 stelt hij de Nederlandse overheid aansprakelijk voor misstanden in de interlandelijke adoptiepraktijk, en voor de betrokkenheid van Nederlandse functionarissen. Deze zaak loopt nog, maar vormde een van de aanleidingen voor minister Sander Dekker van rechtsbescherming om een onderzoek in te stellen naar de rol van de overheid bij misstanden. Het rapport van de commissie-Joustra leidde vorige week tot een tijdelijke adoptiestop, omdat de rol van de Nederlandse overheid bij de misstanden eerder systemisch dan incidenteel bleek.

De vraag die boven de geschiedenis hangt, is waarom het zo lang duurde tot de misstanden echt doordrongen en tot actie leidden. “De combinatie van de kinderwens en het redden van een kind in nood bepaalden steeds het narratief over adoptie”, zegt Balk. “De kern waarom de misstanden konden voortduren, is misschien wel dat ze voor lief zijn genomen.”

Lees ook:

Een adoptiestop werd al vaker besproken, waarom was de tijd er deze keer wél rijp voor?

Zolang er adoptie is, zijn er verhalen over misstanden. Ook een adoptiestop lag al eens op tafel. Waarom nu wel en eerder niet?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden