Aarzelend groeit de trots op Hollands polderglorie

2008: start van de aanleg van de nieuwe wijk Almere Poort. Beeld Hollandse Hoogte / Goos van der Veen

De Flevopolders moesten Nederland beschermen tegen de nukken van de Zuiderzee en landbouwgrond opleveren. Ook hoe het er zou uitzien en wie er zouden wonen werd bedacht, al liep dat soms anders dan gepland, vertelt historicus Remco van Diepen.  

Samen vormen de Flevopolders het grootste eiland van Nederland. Dat moet maar reden genoeg zijn om van een streek te spreken. Oostelijk Flevoland, drooggemalen in 1957, en Zuidelijk Flevoland, in 1968 voltooid, vormen tevens het grootste deel van de provincie Flevoland. Bij die provincie hoort ook nog de Noordoostpolder, drooggemalen in 1942. Van meet af aan stond het bestaansrecht van die provincie ter discussie, en als het aan toenmalig minister Plasterk van binnenlandse zaken had gelegen, was ze in 2014 opgegaan in een superprovincie, samen met Utrecht en Noord-Holland.

De polders zijn ontsproten aan het brein van ingenieur Cornelis Lely (1854-1929), en allemaal onderdeel van diens Zuiderzeewerken, waarvan ook de Wieringermeer, de Noordoostpolder, de Afsluitdijk en de (uiteindelijk afgeblazen) Markerwaard onderdeel waren. “Lely’s eerste doel was Nederland te beschermen tegen overstromingen, en ten tweede landbouwgebied winnen”, vertelt historicus Remco van Diepen, onderzoeker van Museum Batavialand in Lelystad. “Wie er zouden wonen en hoe je de polders inrichtte, was niet zijn eerste zorg.”

Met die vraag werd in 1926 een staatscommissie belast. “Afschrikwekkend voorbeeld was de Haarlemmermeer”, vertelt Van Diepen. “Daar was na inpoldering de grond verkocht aan investeerders die elders woonden en de grond verpachtten. De boeren moesten maar zien hoe ze zich redden in een blubberbak, die een besmettingshaard was van malaria, cholera en tyfus.”

In de IJsselmeerpolders moest de overheid de grond verpachten, luidde de aanbeveling. Van Diepen: “Dan kon de overheid de beste boeren selecteren – vaak tweede of derde boerenzonen – die bekend waren met moderne landbouwtechnieken. Die vormen dan vanzelf een soort agrarisch utopia, was het idee.”

Voelden die eerste bewoners iets van gezamenlijkheid?

“Mensen waren wel trots dat ze de selectieprocedure hadden doorstaan, een boerderij hadden gekregen, en iets bereikt hadden. In verhalen over het begin komt vaak terug dat iedereen samenwerkte, katholieken en protestanten bijvoorbeeld. Maar allengs trad ook hier de verzuiling weer in, met aparte scholen en organisaties. En Friezen organiseerden zich op een gegeven moment toch in een Friese vereniging. Klassentegenstellingen bleven ook: de grote boeren met 48 of 32 hectare dronken na de kerk in het café koffie met elkaar, kleinere boeren zochten elkaar op aan een andere tafel, en als landarbeider moest je het niet wa­gen om bij de boeren aan te schuiven.

“Artsen spraken van een ‘ontwortelingsyndroom’: dat trof vooral vrouwen, die zich geïsoleerd voelden in een nieuwe omgeving, met buren uit heel andere streken, die ze soms letterlijk niet konden verstaan.”

Om in de Flevopolder grond te kunnen pachten, moest je als boer bekend zijn met moderne landbouwtechnieken. Beeld Kees Scherer/MAI

Een hiërarchie in het vlakke land

Overheidsorganen, met als belangrijkste de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders, zorgden voor alle bouwwerken en de ruimtelijke ordening. “Een gigantische bureaucratie werd opgetuigd: van waterbouwkundigen, plantkundigen die gewassen aanwezen om de bodemstructuur te verbeteren, bouwkundigen ontwierpen boerderijen en dorpen. Oorspronkelijk uitgangspunt was een boerderij voor de boer, met verderop huisjes voor de landarbeiders, en dorpen waar ze op de fiets boodschappen konden doen. Maar de mechanisatie had dat uitgangspunt al achterhaald. Landarbeiders waren niet meer nodig, mensen kregen een auto.

“De plannen gingen uit van een hiërarchische opbouw. Lelystad als hoofdstad voor het hele poldergebied met ongeveer 30.000 inwoners, met daarnaast in elke polder een kleine stad en een stuk of tien dorpen. In de Noordoostpolder is dat verwezenlijkt, maar in Oostelijk Flevoland heeft men daarvan afgezien omdat het idee al achterhaald was. Naast Dronten zijn alleen Swifterbant en Biddinghuizen gebouwd. De polders werden allengs gezien als overloopgebied van de Randstad, om het Groene Hart te ontzien. De ambtenaren van de rijksdienst, met hun agrarische oriëntatie en opgeleid in Wageningen, moesten plotseling een hoofdstad voor 100.000 inwoners bouwen.” 

Remco van Diepen

Erfgoedpark

Remco van Diepen is historicus. Als onderzoeker is hij verbonden aan de Stichting Erf­goed­park Batavialand in Almere.

Voor die hoofdstad, Lelystad, was toparchitect Cornelis van Eesteren eind jaren vijftig aangetrokken. “Maar de ambtenaren van de rijksdienst hebben hem afgeserveerd, omdat ze vonden dat hij treuzelde en megalomane ideeën had. Toch nam de rijksdienst Van Eesterens plan voor het grid, de rechte dreven, in Lelystad over.”

En Lelystad kreeg een slechte naam. Waardoor?

“Lelystad werd slachtoffer van gewijzigde ruimtelijke ordening. In het begin gold het nog als stad van de toekomst. De problemen ontstonden begin jaren tachtig. Het Rijk steunde de groei van Lelystad niet langer, ook in Amsterdam kwam er verzet tegen het groeikernenbeleid. Wethouder Jan Schaefer vond dat Amsterdam moest renoveren, in plaats van mensen naar de polders te sturen. Lelystad heeft toen veel sociaal zwakke mensen uit andere gemeenten toegelaten. Achteraf misschien niet verstandig, maar de stad was nu eenmaal gebouwd voor 100.000 inwoners en moest vol.

“Lang bestond het idee dat de stad de Markerwaard in zou groeien. Maar omdat die er niet is gekomen, kwam Lelystad niet in het centrum, maar in de periferie van de polders te liggen. Daar kwam nog meer pech bij: de spoorweg bleef heel lang uit, de snelweg erheen ook. Ook het vliegveld is steeds niet doorgegaan en als het ziekenhuis wegvalt is er nog een probleem bij.”

Almere (ruim 200.000 inwoners) heeft de hoofdstad Lelystad (80.000 inwoners) overvleugeld.

“Men vond dat eerst niet zo’n probleem: in Noord-Holland is toch ook Haarlem de hoofdstad, en niet het veel grotere Amsterdam, luidde de redenering. Lelystad zou een ambtenarenstad worden, met belangrijke voorzieningen als hoofdbureau van politie, provinciehuis en ziekenhuis. En Almere zou de stad zijn voor mensen die in Amsterdam werkten.”

Nu presenteert de provincie zich met de kernwaarden water, ruimte, groen. Zijn dat waarden die ook van meet af golden?

“Ja, men keek echt naar recreatieve en landschapswaarden. Lely niet, die had allemaal rechte lijnen getrokken, maar er is later voor gekozen om de polderdijken zoveel mogelijk de tegenoverliggende oude kustlijn te laten volgen. Aan de ran­den kwamen bossen. De Oostvaarderplassen waren niet gepland, en er mag veel discussie zijn over het beheer, maar het is wel een natuurgebied dat waarde heeft voor de vogelstand in heel Europa. Zeewolde is gebouwd voor werknemers van de grote recreatieparken in de buurt. Het Horster­- wold in Zeewolde is een groot aaneengesloten bosgebied dat veel wandelaars trekt. Langs de hele kust is een gewoel van zeilers, kitesurfers en andere recreanten.

“Ik vind het al met al een succesgebied. De Amerikaanse vereniging van ingenieurs heeft het verklaard tot een van de wereldwonderen, naast het Deltaplan. Agrarisch was het al een succes, maar ook veel architecten, landschapsdes­kun­digen, planologen en waterstaatsdeskundigen vinden het geweldig wat hier tot stand is gekomen: Hollands glorie.” 

Lees ook:

Suzanne Jansen  schreef  over de wederwaardigheden  van Cornelis van Eesteren, de bouwmeester van de nieuwe polder

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden