Column Rob Schouten

Thomas Mann schreef zinnen waarin je je een weg moet banen als in de geest zelf

Om ondoorzichtige redenen had mijn werkster ‘Lotte in Weimar’ van Thomas Mann uit de kast met Duitse literatuur gehaald en in mijn zicht gelegd. Misschien stond het boek haar in de weg bij de jacht op stof of was het door welke duistere oorzaak ook naar voren gevallen. Ik denk niet dat ze er een speciale bedoeling mee had, mij een boodschap meegeven of zo – ze is Eritrees, spreekt nauwelijks Nederlands en ik acht haar geen Mann-lezer. Laat ik het maar als een teken van boven beschouwen, dacht ik en begon te lezen.

Lotte in Weimar, en misschien wel de hele Mann, is geen literatuur van onze tijd. Er zit geen actie in, geen plot, de zinnen zijn lang en volgens sommigen langdradig en de bedoeling van het boek, als boeken tenminste bedoelingen hebben, is niet een-twee-drie te ontraadselen. Ik vond het weer prachtig.

Steeds opnieuw ontdek ik dat zulke schrijvers, die de tijd namen voor het beschrijven van menselijke handelingen en overwegingen, schrijvers als Henry James, Marcel Proust en Thomas Mann, die allemaal in zekere zin offerden aan de in hun tijd nog maar net ontdekte diepten van de menselijke geest, dat zulke schrijvers (om ook maar eens een lange zin neer te pennen) mij niet loslaten maar meeslepen, dwars tegen de geest des tijds in. Psychologie is tegenwoordig een volksproduct, iets van hapklare brokken. We hebben ADHD of Asperger of zijn hypersensitief, amen. Maar schrijvers als James, Proust en Mann lieten zich nog verleiden om zich in de lianen van de geest te verstrikken en dat op te schrijven in zinnen die de complexiteit van hun ontdekkingen weerspiegelden, zinnen waarin je je een weg moet banen zoals in de geest zelf.

Presentabele motieven

Ik was nog maar nauwelijks in ‘Lotte’ begonnen of ik bleef haken bij de volgende zin, over de moeder die boos is dat haar dochter doorziet dat ze niet om haar of haar familie maar om haar oude aanbidder Goethe te zien naar Weimar is gereisd, een gefrustreerde vrouw die ontmaskerd wordt in bedoelingen die ze voor zichzelf juist probeert te verdoezelen: “Het is onaangenaam iemand mee op reis te nemen die te scherp ziet om te kunnen geloven dat je ter wille van hem of haar reist – die zichzelf slechts als excuus beschouwt. Dat is een onaangename, krenkend scherpe blik, of liever een scheve blik, die van al je verstrengelde motieven alleen wil zien wat kies verzwegen is en alleen dát als waar wil beschouwen, terwijl daarentegen je presentabele en wel bespreekbare motieven, hoe eerzaam ze ook zijn, bespot worden als smoesjes.”

Een ingewikkelde maar in z’n ingewikkeldheid oneindig rake manier om te zeggen dat schijn en maskerade deel uitmaken van de beschaving. Een beschaving die ten onder gaat misschien.

Mann, de meesterlijke, maar langzaam ouderwets geraakte cartograaf van zulke ondergaande beschavingen zoals in ‘Dood in Venetië’, ‘Buddenbrooks’ en ‘De Toverberg’, schreef Lotte in Weimar in 1939, als een spiegel voor nazi-Duitsland. Ik lees het nu als een spiegel voor onze tijd met z’n getatoeëerde nep-expressionisten, z’n populisme en z’n klimaatschreeuwers.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden