Klein verslagWim Boevink

Telkens wijkt de dood weer even terug de coulissen in

Met de dood houden we ons niet voortdurend bezig­­. Hij meldt zich op gezette tijden vanzelf, plukt eens hier, dan weer daar, slaat gaten in kringen van naasten, en oogst naar willekeur onder mens, dier en plant.

Soms zit hij ineens aan tafel, gewoon bij de koffie, zoals gisteren, toen Azra, onze werkster, die vorig jaar haar neef Nelmin aan kanker verloor, vertelde over een herdenkingsdienst in het theater van het Utrechtse Prinses Máxima Centrum voor kinderoncologie.

Kaarsen en gedichten

Ik wist niet dat ze daar een theater hadden. Zeker vier keer per jaar, zei Azra, vinden daar herdenkingsdiensten plaats voor overleden kinderen; dan worden er kaarsen gebrand, gedichtjes geschreven en in doosjes verpakt en er worden verhalen verteld bij geprojecteerde foto’s van de kinderen, door artsen en verplegend personeel. Vaak gaat het om kinderen die jarenlang zijn behandeld. En al die jaren was er contact en verbinding tussen kinderen en verpleging.

Een prachtig gebaar van het kinderziekenhuis bij een verdrietig gegeven: dat het niet iedereen redden of genezen kan. Er wordt aan zeshonderd kinderen vaak complexe zorg verleend, maar nog steeds is bij een kwart van de kinderen genezing niet haalbaar.

Het was erg mooi geweest, zei Azra, maar ook erg zwaar. Er werden wel twintig kinderen herdacht, van baby’s tot tieners.

Baby’s ?

Ja, zei ze, er was een baby geweest die met een onbekende vorm van kanker was geboren, terwijl noch de moeder noch de vader ziek waren.

Troost

Ja, dat is zwaar, zei ik. Je hebt je eigen verdriet en dan komt daar ook nog dat verdriet over die andere kinderen bij. Ik vroeg me in gedachten af of zoiets een vorm van troost kan bieden, zoals bij een gedeeld lot, of dat je eigen verdriet alleen maar vergroot wordt.

“Er was een vader”, zei Azra, “die huilend binnen kwam en twee uur onafgebroken heeft gehuild.”

Al die gaten in een mensenbestaan.

We dekken ze toe, de tijd weeft zijn web, we gaan verder, de dood wijkt weer even terug in de coulissen.

Een uur later, na de koffie, zag ik nog een gat. Een vers gat, een gat in de grond. Het was de plaats waar vorige week nog de grote beuk had gestaan.

De beuk van 170 jaar oud.

Het was een monumentale boom, fraai gevormd en zeer geliefd, hij had zijn eigen rotonde.

Vallend hout

Enkele jaren geleden werd vastgesteld dat hij ziek was, schimmels en zwammen doorwoekerden hem, een hek rondom moest passanten beschermen tegen vallend hout. Men deed pogingen hem te redden, maar tevergeefs. Hij moest geveld.

Ook liefdesverklaringen, opgehangen aan het hek, konden het lot van de boom niet ongedaan maken. Ik vond er mijn eigen tekst terug, geplastificeerd.

Destijds schreef ik: “De boom is bijna kaal. Aan de uiteinden van zijn takken groeien nog kleine, rode blaadjes, niet meer dan stippen. Zijn grijs-groene stam oogt breed en sterk, geboetseerd bijna. Zijn gespierde takken als stilgezet in een volmaakte derwisj-dans. Hij is stervende. Het hekwerk beschermt een sterfbed.”

Het hekwerk staat er nog.

Hij beschermt het gat. De boom is weg. Het toedekken kan een aanvang nemen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden