Klein VerslagWim Boevink

Op een zeldzaam heldere dag staan we bij het graf

Het was mijn moeders verjaardag en we stonden aan haar graf. Het was een zeldzaam heldere dag. Ik had nog willen schrijven dat de somberte van januari naadloos in die van februari was overgegaan, maar zie daar, er was een gat gevallen in de grijze deken en de hemel was blauw.

Onderweg in de trein naar Hengelo waar mijn moeder begraven ligt bij haar veel te vroeg overleden zoon, was het landschap sprookjesachtig mooi geweest; er lag rijp over de velden en er hingen witte nevels boven als lange slepen van trouwjaponnen, beschenen door de zon.

We zijn met zijn zessen overgebleven, mijn vier broers, mijn zusje en ik. We inspecteerden het graf, waarin de as van mijn moeder rust en die van mijn broertje. Mijn zus had onlangs nog bloemen geplaatst, ze waren wit. Ik vroeg hoe ze heetten en ze kon niet op de naam komen.

Mijn broer plaatste zijn camera op de lage heg achter het graf om ons te fotograferen, stelde de timer van de zelfontspanner in op tien seconden en moest toen heel dwaas hard om de heg rennen om nog op tijd het beeld in te springen. Precies dat moment legde de camera vast: de invliegende broer en het gierende gezelschap.

Mijn moeder (en ook die van de anderen) zou hartelijk hebben meegelachen. Er is binnen de familie aanleg voor het clowneske.

Met enige zorg keken we naar de glazen plaat op het kleine graf, de plaat met de namen van mijn moeder en broer erin geëtst, namen die steeds moeilijker te lezen waren. Namen zien verdwijnen, dat is bijna erger dan het verdwijnen van de mensen zelf.

We wandelden over de begraafplaats op zoek naar andere familieleden: de in de negentiende eeuw geboren ouders van mijn vader en een jong tienerbroertje van mijn moeder, dat zichzelf kort na de bevrijding in 1945 doodschoot toen hij speelde met het geweer van een bij mijn grootouders logerende Britse soldaat. Hij werd veertien jaar. Ik huiver altijd even bij de tekst ‘With the very deepest sympathy of 413 Battery Essex Jeomanry’.

Vederop zag ik op een grote steen geïsoleerd het woord ‘Onvergetelijk’ staan.
Een zoete wens.
Maar vergetelheid wacht ons allen.

We lunchten in een café in het centrum van Hengelo, de stad waar we opgroeiden en die nu op plaats 48 staat van meest om hun woongenot gewaardeerde steden. (Dat Amsterdam op één staat zullen de Amsterdammers nog het minst begrijpen.)

Plaats 48 is natuurlijk weinig eervol, maar de Hengelose binnenstad kampt nog steeds met een forse winkelleegstand en een groots plan om het doodse marktplein te revitaliseren kon niet voldoende draagvlak vinden.

Van gemeentewege doet men zijn best; een aantal straten is van nieuwe bestrating voorzien en van zwierig golvende siergoten van cortenstaal.

Een tweede doods plein – bij het vernieuwde stadhuis – ondergaat een herinrichting met groenvoorzieningen en springende fonteinen en de aanbouw van een ‘horecawand’.
Of daarmee de reanimatie zal slagen?
Maar even fonkelde die binnenstad in de februarizon en was de lucht vol belofte.
Helleborus, wist mijn zusje ineens. 

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen. Abonneer je op zijn column in onze mobiele app en lees hem als eerste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden