ColumnRob Schouten

Ik zou proberen het ongerief met frisse en jeugdige blik tegemoet te treden

Ik werd wakker van het gedreun, gevolgd door een luide plof, en die weer gevolgd door het geluid van iets dat hevig doorboord wordt. O ja, de wegwerkers. Op zich was het prima dat ik gewekt werd, want ik droomde juist dat ik in Engeland eindexamen moest doen en de opgaven direct al kwijtraakte, dus het was tijd dat die droom stopte.

Maar op deze manier? Ik keek naar buiten en zag een oranje mannetje op een onduidelijk maar knalgroen voertuig langskomen, in stampende slakkegang. Dat was de dreuner, stelde ik vast. Kon dat niet anders, waarom moest alles zo knallend, kleur en klank? Een vaag gevoel van onrecht dat mij dit moest overkomen beving mij; in het nieuws hoorde ik ‘werknemer lijdt in kantoortuin’, maar ook daarbuiten, dacht ik grimmig.

Niettemin waren de wegwerken aangekondigd. Vorige week was er een brief op de mat gevallen dat ze de komende twee weken de bermen gingen doen en de verkeersdrempels. Of we onze auto’s maar weg wilden halen. En even later had de Grote Wegbereider onderbroken witte krijtlijnen op de straat getekend om aan te geven dat daar iets ging gebeuren, ze gingen de aarde openritsen, zoiets. Ik voelde de gevreesde conservatieve impuls opkomen: kan alles niet bij het oude blijven? Maar nee, de wereld moest weer zo nodig verbeterd worden!

Nadat de eerste onrust gezakt was, begon ik het geval met meer verstand te bekijken. Toegegeven, ik was ondanks mijn recente verjaardag nog niet toegetreden tot het gilde der oude mannetjes dat, als Mozes op de berg Nebo, belangstellend bij bouwputten gaat kijken om te zien hoe de toekomst die ze niet meer zullen meemaken, eruit gaat zien. Maar de boel moest bijgehouden worden, dat was duidelijk, de bermen gesnoeid, de drempels verhoogd, noem maar op. En als kind had ik van het openbare werk genoten. Het was bovendien een van de blijvende plaatjes geweest uit mijn eerste leesboek: Pim en Mien spelend in een zojuist gegraven geul in de straat.

Toen wij in 1964 in het Groningse Selwerd kwamen wonen waren we de eersten, overal heerste nog de chaos van een wereld in wording (zo fraai door Darius Milhaud verklankt), wij holden met klapperpistooltjes achter elkaar aan over de plankiers in de Elzenlaan en verscholen ons in kale kelders met plasjes water. De hele wereld was een bouwterrein waarop wij van de Mispellaan als een soort landheren troonden. Ik zou proberen met deze frisse en jeugdige blik het ongerief tegemoet te treden, de wegwerkers vriendelijk te groeten en zo nu en dan een praatje aan te knopen en verder door het gedaver van hun instrumentarium heen te schrijven. Zij konden er ook niks aan doen, ze werden gestuurd door de gemeente en die weer door het algemeen welzijn, dat geen rekening kan houden met tijdelijke overlast. Twee weken maar liefst, pruttelde mijn gemoed nog even maar toen legde ik mij erbij neer.

Het geluid was trouwens alweer verstomd, merkte ik. Zeker schaften. Dat was ook zoiets, als je geplaagd werd door de buitenwereld, moest je vooral je zegeningen tellen. Straks begonnen ze weer, maar dan was ik intussen al bijna gewend. Tevreden schreef ik dit stukje.

Eerdere columns van Rob Schouten leest u hier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden