Column Klein Verslag

Het heertje in zwart fluweel

Het is intussen heel erg november geworden, de duistere achterkant van de herfst, met grijze regen, waterkou en straten van hun kleur ontdaan. Laatste bomen houden hun blad nog vast.

De zondag is betoverend geweest. We hebben gewandeld onder gouden ginkgo’s en langs zonbeschenen singels, hun water al half bedekt met blad.

Het lage licht is hel en fel.

Het werpt lange schaduwen.

Het warmt nog en behaagt.

De stad spint als een kat.

Ik heb het jonge gras, ingezaaid in september, voor het eerst gemaaid. Het is dun en slap en gaat liggen voordat de messen het kunnen bereiken.

Aan de rand van het gazon heeft een mol aarde opgeworpen. De mol woont onder onze tuin. In het voorjaar waren zijn gangen er ook al.

Over de mol lees ik in Marc Hamer’s How to Catch a Mole. Hamer is een mollenvanger op leeftijd in Wales. Zijn boek gaat over mollen, maar vooral over hemzelf, over zijn leven in de natuur.

Daar schrijft hij mooi over. Hij slaapt graag onder de blote hemel, loopt liefst op blote voeten om de aarde te voelen, nu ja, toen hij jonger was. Nu is hij al wat ouder, het lijf wil niet meer zo goed, het piept (in zijn oren) en kraakt (in zijn knieën).

Hoe hij mollen vangt – dat is zijn werk – weet ik nog niet, hoewel ik al diep in het boek ben, zo ver althans dat ik achterom kijkend alleen nog maar boek zie. Ik leef met hem mee, als hij onder een boom gaat slapen en ontwaakt met merelgezang, als hij de bodem beschrijft, het gevallen blad dat aarde wordt, de kevers en wormen die zich in die aarde voeden, en die op hun beurt weer prooi zijn voor de mol, die voedseltunnels graaft waar de wormen in vallen. Die tunnels zijn tijdelijk; hij woont in dieper gelegen gangen.

De molshopen die we zien zijn niet meer dan het huishoudelijk afval van de mol. Archeologen vinden er soms oude munten en potscherven in.

Getroffen ben ik over de invloed van de mol op de geschiedenis. Stadhouder Willem III, prins van Oranje en koning van Engeland, ging in februari 1702 in Hampton uit rijden toen zijn paard struikelde over een molshoop.

Hij brak zijn sleutelbeen, de ruiter bedoel ik, en een longontsteking zou de breuk compliceren, met als gevolg dat de koning de volgende maand kwam te overlijden. In het Londense St. James’ Park staat een groot bronzen ruiterbeeld voor Willem, het achterbeen van zijn paard zwevend boven een molshoop.

Onder zijn Engelse vijanden, de katholieke aanhangers van de door Willem III afgezette koning James II, leefde een toast: ‘To the little gentleman in black velvet’ – ‘Op het heertje in zwart fluweel’. De toast schijnt nog te bestaan.

Ik kijk wel anders naar de mol. Naar dat fluwelen heertje, of die kleine fluwelen dame, onder onze tuin.

Winterslapen doen ze niet.

Onder de aarde is het warm. De vorst dringt maar enkele centimeters diep door. Ze kennen geen dag en geen nacht. Hamer schrijft dat ze cyclisch vier uur slapen en vier uur wakker zijn en almaar op voedseljacht door hun gangen; ze verorberen jaarlijks twintig kilo aan wormen. En ze leven alleen, helemaal alleen, in hun terrorium. En dat brengt me terug naar november, naar eenzaamheid en laatste dingen.

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen. Abonneer je op zijn column in onze mobiele app en lees hem als eerste.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden