Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Fotograaf Kadir van Lohuizen: ‘We kunnen echt nog iets aan die afvalberg doen’

Groen

Charlot Verlouw

Kadir van Lohuizen: 'Als de vuilnisophaaldienst hier twee weken zou staken, denk ik dat we ons pas een beetje realiseren hoe groot het probleem is.' © Benedicte Kurzen/NOOR

Fotojournalist Kadir van Lohuizen onderzocht en fotografeerde in zes wereldsteden hoe wordt omgegaan met afval. Dat resulteerde in een fotoserie en multimediale productie van eindeloze bergen plastic, karton, blik, metaal en andere troep.

Bekijk de fotoserie, video's en graphics op trouw.nl/wasteland

Lees verder na de advertentie

Huizen gebouwd op rommel, kinderen die met gevaar voor eigen leven tussen grote ­machines door laveren, enorme hopen vuilnis. Eindeloos, berg na berg na berg. De beelden spreken voor zich: de wereld heeft een ­gigantisch afvalprobleem. Ideeën om de afvalberg te verkleinen zijn er genoeg. Op Europees niveau wordt er druk over gediscussieerd, nationale en lokale overheden hebben goede voornemens, lanceren initiatief na initiatief en stellen doelen als: in 2025 is de helft van het plastic recyclebaar, in 2050 is onze economie circulair.

Maar dan zie je de beelden uit Jakarta. Waar de vuilnisbelten tot voorbij de horizon reiken, waar mensen met ­gevaar voor eigen leven iets waardevols tussen de rommel vandaan proberen te trekken. Die vuilnishoop wordt groter en groter. Dan zakt de moed je in de schoenen en denk je: dit komt nooit meer goed.

Ik kwam vaak op afgelegen ­eilanden in de oceaan, daar zag ik altijd plastic

Kadir van Lohuizen

Fotojournalist Kadir van Lohuizen stond er tot zijn knieën in. Hij foto­grafeerde de vuilnisbelten van Jakarta, Lagos, en São Paulo, waar vuilnisrapers een belangrijke rol spelen in de ­recyclingindustrie. Ook bracht hij in kaart hoe de afvalstromen in Tokio, Amsterdam en New York lopen. “Het idee ­ontstond eigenlijk door m’n vorige project, over de stijging van de zee­spiegel. Ik kwam vaak op afgelegen ­eilanden in de oceaan, daar zag ik altijd plastic. Overal, ook op onbewoonde eilanden, zelfs in de woestijn ligt plastic.”

Anderhalf jaar was Van Lohuizen ­bezig met zijn project. Hij fotografeerde gezinnen die wonen op een vuilnisbelt en bezocht ogenschijnlijk schone recyclingcentra in Tokio. In de haven van Amsterdam legde hij een schip vol metaal vast, bestemming Turkije. In New York liep hij ’s nachts mee met de vuilnisophaaldienst.

Tekst loopt verder na foto

Een vuilniswagen arriveert op de Olusosun vuilnistbelt in Lagos, Nigeria. © Kadir van Lohuizen

Gesleep met afval

Een groot deel van de tijd besteedde Van Lohuizen aan toestemming regelen om toegang te krijgen tot de vuilnisbelten, wat nog niet meeviel. Ook de research nam veel tijd in beslag, bijvoorbeeld in Amsterdam. Daar duurde het lang voor de gemeente met cijfers kwam. Niet per se uit onwil, maar ­omdat duidelijke cijfers er door de privatisering van de afvalindustrie vaak niet zijn, ontdekte Van Lohuizen. ­Verschillende bedrijven zijn verantwoordelijk voor het afval, met allemaal hun eigen administratie. “Dat laat ook het probleem zien”, zegt hij. Want als je niet kunt meten hoe groot het probleem is, hoe pak je het dan aan?

Door de privatisering wordt afval op zo’n manier verwerkt dat je er het meeste mee kunt verdienen

Kadir van Lohuizen

Door die privatisering wordt er veel gesleept met afval, zowel binnen ­Nederland als over de hele wereld. ­“Amsterdam krijgt het grofvuil van Rotterdam, Den Haag en Utrecht. ­Plastic dat Amsterdam scheidt, gaat naar Brabant. Amsterdam heeft een ­verbrandingsoven die veel te groot is, dus importeren we afval uit Engeland, dat met vrachtwagens hierheen komt”, somt Van Lohuizen op.

“Het is een gigantische business, het is handel. Door de privatisering wordt afval op zo’n manier verwerkt dat je er het meeste mee kunt verdienen. Het wordt de hele wereld over gesleept. Uit elke stad waar ik was, vertrokken containerschepen met plastic en papier naar China. Alleen al dat vervuilende transport is een probleem.”

Het transport naar China bleek niet houdbaar. Het land importeerde tot ­vorig jaar plastic uit de hele wereld, in 2016 bedroeg die import naar schatting acht miljoen ton afval. Maar sinds januari zijn daar zeer strenge eisen aan verbonden. Er mogen alleen nog maar halffabrikaten richting het oosten. Dat wil zeggen: plastic dat al is gesorteerd en schoongemaakt.

Zelf hebben de landen die afval naar China exporteerden de capaciteit niet om al dat plastic te verwerken, dus waar moet die acht miljoen ton nu heen? Groot-Brittannië bracht bijvoorbeeld 65 procent van het plastic afval naar China. Dat wordt nu deels verbrand en deels begraven. Een groot deel van het West-Europese afval verdwijnt naar ­Polen, waar niet goed verwerkt wordt en grotendeels verbrand.

Tekst loopt verder na foto

In São Paolo wordt blik gerecycled in familiebedrijf Master. Ze verwerken zo'n dertig ton per maand. © Kadir van Lohuizen

Maar als begraven en verbranden het alternatief is, is het dan echt zo erg om afval de halve wereld over te slepen? Ernst Worrell, wetenschappelijk directeur van het Copernicus Instituut voor duurzame ontwikkeling, onderdeel van de Universiteit Utrecht, denkt van niet. “De milieuschade die transport oplevert, is kleiner dan wanneer je afval ­verbrandt en nieuwe materialen blijft produceren.”

Ook onderzoeksbureau CE Delft concludeerde in 2012, weliswaar in opdracht van afvalbedrijf Twence dat afval importeert uit Groot-Brittannië, dat de milieu-impact lager is als afval getransporteerd en verwerkt wordt, dan wanneer het in het land van oorsprong zou blijven en daar op de vuilstort of onder de grond terecht zou komen.

“Papier en metaal zijn gewoon geld waard”, zegt Worrell. Dat het op de meest winstgevende manier verwerkt en dus getransporteerd wordt, deert hem niet. Het alternatief is erger. ­“Engeland en bijvoorbeeld ook Italië hebben zelf de capaciteit niet om het fatsoenlijk te verwerken.” 

Niet alleen uit de foto’s, ook uit de ­cijfers blijkt de omvang van het probleem. In Nederland wordt volgens voorlichtingsorganisatie Milieu Centraal per persoon per jaar zo’n 500 kilo afval geproduceerd, de helft ervan wordt gerecycled. Ook veel voedsel verdwijnt in de prullenbak, de Verenigde Naties becijferden dat grofweg een derde van het wereldwijd ­geproduceerde voedsel voor menselijke consumptie wordt weggegooid. Kosten: 750 miljard dollar. Zes keer zoveel als wordt uitgegeven aan ontwikkelingshulp.

Dan het plastic. Volgens het Worldwatch Institute gebruikt de gemiddelde Amerikaan of Europeaan zo’n 100 kilo plastic per jaar. De gevolgen zijn groot. Niet alleen stikken zeedieren in de ­plasticsoep – in Thailand spoelde pas een griend aan met 8 kilo plastic in zijn maag, in Spanje een potvis met 28 kilo – doordat het plastic afbreekt in heel kleine deeltjes belandt het via vissen op ons bord. Onderzoekers van de Volvo Ocean Race vonden microplastics in het water bij Point Nemo, het punt op aarde dat het verste van land vandaan ligt. Telkens als de Europese Commissie anti-plasticmaatregelen aankondigt, verkondigt ze: ga zo door en in 2050 zweeft er meer plastic dan vis in de oceaan.

Tekst loopt verder na foto

In Ryugasaki, Japan, wordt dagelijks 350 ton glas gerecycled. Kaori Kimchi (48) werkt sinds 2001 in de fabriek. Haar taak is het verwijderen van de rommel tussen de glazen flessen. © Kadir van Lohuizen

Onzichtbaar

Wereldwijd wordt maar 14 procent van het plastic afval gerecycled. Er zijn veel verschillende soorten plastic. Als je die samen recyclet tot een nieuw product, heeft dat niet altijd de gewenste kwaliteit, of het is te duur. Maar de techniek gaat vooruit. Wat eerst niet kon, kan nu wel: over een jaar staat in Nederland een fabriek, gesteund door Unilever, die een manier heeft gevonden om kleur uit ­plastic te halen zodat het een zuivere grondstof wordt. Chemiereus LyondellBasell kocht onlangs samen met afvalverwerker Suez een grote recyclefabriek op, die hoogwaardig gerecycled PE en PP levert, bijna net zo goed als traditioneel plastic. Voorheen waren deze, anders dan bijvoorbeeld PET, lastig te recyclen tot hoogwaardig plastic.

Ondanks de duizelingwekkende cijfers is het afvalprobleem een onzichtbaar probleem, vindt Van Lohuizen. “Je zet je vuilniszak aan de straat en dan komt de vuilniswagen die het meeneemt. Het ziet er om ons heen behoorlijk schoon uit, dat was twintig jaar geleden wel anders. In de grachten dreef veel afval, het leek wel een riool.” Hoogleraar Worrell is het met hem eens. “Door onze infrastructuur zie je het afval niet meer. We durven het ware probleem haast niet meer onder ogen te komen.”

Mensen moeten zich meer realiseren hoeveel rommel ze maken, vindt Van Lohuizen. Is dat besef er dan niet al met alle voorlichtingscampagnes, schokkende rapporten en media-aandacht? Niet genoeg, vindt hij. “Ja, mensen zamelen glas en plastic gescheiden in, maar bijvoorbeeld het scheiden van organisch afval voor compost heeft hier nog absoluut niet z’n intrede gedaan.” Van Lohuizen lacht en zegt: “Als de vuilnisophaaldienst hier twee weken zou staken, denk ik dat we ons pas een beetje realiseren hoe groot het probleem is.”

We moeten nadenken over ons gedrag, voegt Worrell toe. “We worstelen met de vraag: waarom consumeren we? Daar wordt wel onderzoek naar gedaan, maar geen enkele tak van wetenschap is daar al helemaal uit.” Het groeidenken is niet houdbaar, zegt Worrell. “We weten dat we minder moeten consumeren maar een overheid heeft dan minder inkomsten. De discussie over het veranderen van de huidige maatschappij, die is gebouwd op consumptie en groei, mag wel wat meer leven.”

Ook de producent moet verantwoordelijkheid nemen voor zijn product, door bijvoorbeeld verpakkingen actief te ­verzamelen, zegt Worrell. De Nederlandse overheid stelt zich daarbij te afwachtend op, vindt hij. “Bijvoorbeeld met het verbod op plastic tassen, daar werden dan weer zoveel studies naar gedaan. In plaats van te zeggen: dit lossen we op, werden we links ingehaald door de EU met regelgeving.”

Tekst loopt verder na foto

New York. Eugene Gadsen (58) verzamelt al dertig jaar blikjes. Die kan hij inwisselen voor geld. Officieel is dit 'beroep' illegaal, maar het stadsbestuur lijkt het te gedoden. gadsen verdient zo'n twintig dollar per dag. © Kadir van Lohuizen

Gevoel van urgentie

Een ander voorbeeld: de uitbreiding van statiegeld. Staatssecretaris Stientje van Veldhoven kwam onlangs met het plan om over twee jaar statiegeld uit te breiden naar kleine flesjes, tenzij het zwerfafval tegen die tijd drastisch is verminderd. Volgens critici zullen producenten en afvalbedrijven, doorgaans tegenstander van uitbreiding, daar wel voor zorgen, waardoor het plan alsnog niet doorgaat. “Terwijl tachtig procent van de bevolking achter uitbreiding staat.” In andere landen, waar je het misschien niet verwacht, is de overheid juist heel adequaat, merkt Worrell op. “In Kenia en Rwanda zijn plastic tassen nu verboden. Ze lopen voor op Europa, je ziet ze voorbij springen.”

Komt het goed? Jawel, denkt Worrell. “Er is alleen een lange adem nodig. Maar het moet wel, want er is geen plan B. ­Alleen het gevoel van urgentie ontbreekt nog.” Aan dat gevoel van urgentie kan de fotoserie van Van Lohuizen wellicht wat bijdragen. Inmiddels heeft hij met Wasteland miljoenen mensen bereikt, onder andere met een publicatie in The Washington Post. Hij ontving er een World Press Award voor. “Ik hoop dat mensen denken: allemachtig, ik wist niet dat dit zo’n groot probleem was, daar zou ik best eens wat beter over na kunnen denken. Eigenlijk kun je alles wat je ­weggooit wel op de een of andere manier opnieuw gebruiken, maar dat is niet hoe we nu naar afval kijken.”

Van Lohuizen is, net als Worrell, niet helemaal wanhopig. Hij vergelijkt het met zijn vorige project, over de stijgende zeespiegel. “Toen dacht ik, wat moet ik daar als individu nou aan doen? Je kunt nadenken over het verminderen van je uitstoot, minder vliegen, minder met de auto, enzovoort. Maar dat het water komt, staat vast, daar kunnen we niets meer aan doen. Aan die afvalberg wel.”

Meer foto's, video's, spectaculaire dronebeelden en verhelderende graphics zijn te zien in de speciale online productie van Trouw. Kijk daarvoor op trouw.nl/wasteland.

Wie is Kadir van Lohuizen?

Kadir van ­Lohuizen (1963) werkt sinds eind jaren tachtig als freelance fotojournalist. In het begin van zijn ­carrière hield hij zich vooral bezig met conflicten.

Hij publiceerde in De Groene Amsterdammer, Vrij ­Nederland, Trouw, NRC, de Volkskrant en in internationale media als The Independent en TIME.

Na verloop van tijd ging hij zich steeds meer richten op sociale en maatschappelijke projecten. In 1997 trok hij langs de zeven grote rivieren van de wereld om het leven langs de oevers vast te leggen. Dat resulteerde in het boek ‘Aderen’.

Van Lohuizens recente projecten gingen onder andere over de zeespiegelstijging, diamantmijnen en kinderen in gevangenissen. Het wereldwijde afvalprobleem is dus niet het eerste maatschappelijke ­onderwerp dat hij vastlegt, maar Van ­Lohuizen ziet zichzelf niet als activist. “Ik wil in de eerste plaats dat mensen door mijn werk gaan nadenken.”

Voor zijn werk ontving Van Lohuizen ­diverse prijzen, waaronder meerdere World Press Photo Awards.

Tentoonstelling

De tentoonstelling ‘Wasteland’ is te zien van 20 juni t/m 23 september in Overhoeks/Amsterdam-Noord, vlakbij filmmuseum EYE, dagelijks van 12 tot 20 uur. De expositie maakt ook deel uit van het WeMakeThe.City-festival van 20 t/m 24 juni.

Kijk voor meer informatie op dezwijger.nl/wasteland en wemakethe.city

Deel dit artikel

Ik kwam vaak op afgelegen ­eilanden in de oceaan, daar zag ik altijd plastic

Kadir van Lohuizen

Door de privatisering wordt afval op zo’n manier verwerkt dat je er het meeste mee kunt verdienen

Kadir van Lohuizen