Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

Dichter Marieke Lucas Rijneveld toont haar ongebreidelde fantasie in haar laatste werk

Cultuur

Janita Monna

Marieke Lucas Rijneveld. © Mark Kohn

Marieke Lucas Rijneveld, de vijfde dichter in de serie over ‘De moeder de vrouw’, beschikt over een ongebreidelde fantasie: ‘Als ik ga schrijven, gaat er een heel register open, wat soms ook gevaarlijk is, want ik kan mezelf heel bang maken.’

‘Ik wilde vroeger heel graag oma worden. Ik dacht dat dat een beroep was en dus schreef ik het ook in vriendenboekjes: ‘Oma worden’. Geen idee dat daarvoor eerst allerlei andere dingen moesten gebeuren.

Lees verder na de advertentie
Om dit gedicht zou ik kunnen huilen, ik herken er van alles in

Oma’s vond ik zo lief en mijn eigen oma vooral. Als ik bij haar ging logeren, dan haalde ze kroketjes en frietjes en wat over was, aten we de volgende dag.

Ze stierf toen ik in groep vijf zat, of zes. Ik vond het heel erg om haar te verliezen. Bij de begrafenis zei de dominee dat de dood haar op de hielen zat. Ik dacht: maar ik heb helemaal niemand gezien! Als ik dat had geweten, dan had ik ’m tegen kunnen houden.

Het maakte me totaal van streek, dat ik niet begreep wat er gezegd werd.

Mijn opa’s en oma’s leven niet meer en dat vind ik jammer. Daarom voer ik ze graag op in mijn werk, zodat ze er toch nog een beetje zijn. En dan fantaseer ik er van alles bij.”

Het begon op de dag dat ze oma vonden als een toffee, haar uitgestrekte / armen en benen in elkaar gekruld op bed, ze had geen gedag gezegd.

 Bijzonder literair talent

Marieke Lucas Rijneveld (1991) praat in lichte zinnen die als vanzelf lijken te komen, ongeveer net zoals ze schrijft. Haar tweede dichtbundel ‘Fantoommerrie’ is net uit - “Ik vind het spannender dan bij mijn vorige boeken.” Haar eerste bundel, ‘Kalfsvlies’, werd met gejuich onthaald. Rijneveld gold als een bijzonder literair talent, kreeg de C. Buddingh’-prijs voor het beste poëziedebuut.

Haar roman, ‘De avond is ongemak’, een deels autobiografisch verhaal over een streng gereformeerd boerengezin dat na de dood van de oudste zoon volkomen desintegreert, werd misschien met nog wel meer lof omgeven. Om het schurende verhaal en om de beeldende zinnen, waarmee ze het alsmaar donkerder wordende leven van hoofdpersoon Jas sprankeling gaf.

Voor de moeder was in die roman - evenals overigens in haar poëzie - een grote rol weggelegd. Toch schreef ze voor Trouw een gedicht over haar oma.

“Dat vond ik makkelijker dan een gedicht over mijn moeder.”

Vraag je waarom, dan pakt ze de ‘Verzamelde gedichten’ van Ida Gerhardt erbij. Ze leest voor, ‘Sonnet voor mijn moeder’.

Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen.
Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant.
Wij horen in dit stormbevochten land
van kavels, tussen dijk en stroom geslagen.

Ik heb uw gang: die driftige en toch trage
voetstap, die onverzettelijke trant.
Uw harde hand herken ik in mijn hand,
onwrikbaar om de schrijfstift heengeslagen.

Machtig zijn wij, in liefde en in haat.
Gij hebt u dóódgehaat, hatend het meest
uzelve, om de liefde die gij schond.

Ik ben genezen van het bitter kwaad.
En eer in stugheid, wie gij zijt geweest:
van mijn talent de donkere moedergrond.

Genezen van het bitter kwaad

“Om dit gedicht zou ik kunnen huilen, ik herken er van alles in. Hoe Gerhardt de lastige band tussen moeder en dochter beschrijft, met zoveel diepgang en zoveel pijn en zo dichtbij alsof er niks aan verzonnen is, vind ik ongelooflijk knap. Zelf schrijf ik daar ook over, maar de moeder in mijn werk is niet één op één mijn eigen moeder, ik maak haar lelijker, ik maak haar mooier. Hier lees ik de pijn van een kind met een moeder die zichzelf niet leuk vindt, net als het verlangen naar een moeder die er ís. Maar ik lees ook vergeving: Ik ben genezen van het bitter kwaad.”

In uw roman en in uw gedichten is de moeder een afwezige figuur: ze stopt met eten, staat met haar rug naar de kinderen als zij aan tafel zitten. In een van uw recente gedichten schrijft u: Wat ons zo raakt: moeder kwijt tussen alle zorgen opgestapeld als / verhuisdozen.

“In mijn werk zit een gemis, ja, van een moeder die als je thuiskomt uit school, vraagt hoe je dag was.”

Soms droomde ik dat (…) mijn moeder eindelijk eens gewoon thee ging zetten, de bank bewonen.

“Dieuwertje Blok werd in mijn roman een soort ideale moeder, wat ze denk ik ook is, zo ziet ze er tenminste uit. Hoe hard het ook stormt en wat voor chaos de pieten er ook van maken, zij houdt alles onder controle. Dat wil je van een moeder. Als kind kun je ernaar verlangen om als een schuimpje of taaitaaipopje in de armen van Dieuwertje Blok te liggen.”

Dieuwertje Blok als oermoeder, dat kan alleen Rijneveld verzinnen. Zoals een beeld als In dit huis zijn ochtenden als botte messen, de keuken staat blauw / alsof de zee een stoel heeft gekregen of Mama bladerde vluchtiger door // mij heen dan door het blad alleen in haar poëzie voorkomt. Van dat soort beelden bedenkt ze er wel honderd, of nog meer, die ze in stromende regels over elkaar heen laat buitelen. 

Waar komen die fantastische beelden vandaan?

“Het verhaal gaat dat Roald Dahl ooit een vliegtuigongeluk had gehad. Hij viel daarbij op zijn hoofd en daardoor kon hij schrijven. Volgens mij heb ik ook zoiets meegemaakt, alleen weet ik er niks meer van.

Ik heb een enorme fantasie. Als ik ga schrijven, gaat er een heel register open, wat soms ook gevaarlijk is, want ik kan mezelf heel bang maken. Ik geloof nog in monsters, daarom heb ik nu een krokodilknuffel van bijna twee meter gekocht. Dan voel ik me veilig.

Ook als kind was ik bang. Mijn dagboeken staan vol gebeden: ‘God, maak oma alsjeblieft beter, dan zal ik voortaan mijn bord leeg eten.’ Ik was een heel slechte eter, vandaar.

Nee, die gebeden werden niet verhoord. En toch durfde ik niet boos te worden op God, stel dat ie nóg iemand zou weghalen, mijn vader of mijn moeder.

Vraagt iemand me nu of ik in God geloof, dan zeg ik geen nee. Dat vind ik dan ook weer zielig, alsof ik iemand kwets. Wie weet zit ie daar op de wolken. Hem helemaal verliezen zou ik niet willen. Ik houd mijn lijntje.”

Zijn die kolkende zinnen ook een manier om dichter bij de angst te komen?

“Ik voel me een woelmuis, altijd alles aan het omspitten en daar dan kunst van maken. Ik kan niet weg van de angst of het donker, ik wil ernaar toe, omdat ik daar het beste over kan schrijven. Zo kan ik het leven begrijpen, en vasthouden, door het aan te gaan.

“Als ik bang voor iets ben, voor de tandarts bijvoorbeeld, kan ik er altijd nog een gedicht over schrijven. Dan maak ik het een beetje behapbaar.”

Gedichten schrijft ze makkelijker dan proza.

“Bij poëzie voel ik meer vrijheid. Maar ik zou nog wel van Gerhardt willen leren: zoveel zeggen in zo weinig woorden en zo strak.

Vroeger was ik heel slordig. Wim Brands, bij wie ik poëzieles volgde, zei ooit: ‘Je doet maar wat.’ Daar schrok ik van. Maar hij had gelijk: ik wilde heel graag en ik had zoveel woorden om uit te spreken dat ik soms te veel in één gedicht wilde stoppen. Nu probeer ik iets compacter te schrijven, de beelden meer ruimte te geven, anders verdwijnen ze in die enorme hoeveelheid taal en dat vind ik zonde.

Anna Enquist was mijn grote voorbeeld. Ik las voor het eerst een gedicht van haar bij logopedieles, dat hing daar aan de muur. ‘Slaap je niet, dan lig je toch’, die regel is mij altijd bij gebleven. Bij Enquist las ik gedichten over rouw, dood, verlies. Ik kende alleen de taal van de Bijbel, bij haar zag ik hoe je ook kunt schrijven.

Nu werk ik weer aan een roman. Dan moet ik doen alsof ik niet onzeker ben. Tegen mezelf zeggen: ‘Dit is het beste wat ik maak.’ Mijn schrijven is vallen en doorgaan. Als er één zin niet goed staat, kan ik niet verder, een slap hoofdstuk kan ik niet laten liggen met het idee dat komt later wel. Nee, want die lelijke zin, dat lelijke hoofdstuk, die beïnvloeden alles wat volgt. Maar het is ook magisch, hoor.”

Speelt uw autobiografie in die roman ook weer een rol?

“Ergens las ik dat ik al drie boeken lang een obsessie had met mijn jeugd. Waarom zou dat niet mogen? Als het maar goed gedaan is. Kijk naar Wolkers.

Maar, ja. Die roman wordt deels autobiografisch en deels verzonnen. Hij speelt zich af in Zeeland. Er mogen van mij alleen geen koeien in voorkomen!

En ik schrijf vanuit het perspectief van een zestienjarige jongen. Het wordt rauwer, ik heb meer lef. Dat personage doet ook iets met mij, ik ben veel bezig met mijn gender.”

In ‘Fantoommerrie’ zitten gedichten over het meisje dat zich jongen voelt.

Zoals je bij kippen aan de oorlellen kunt zien wat voor kleur / eieren ze leggen, zo zou je aan het meisje de jongen in haar / moeten herkennen.

“Eigenlijk wilde ik een hele bundel over gender maken, maar er zijn wat gedichten gesneuveld.

Op dit moment denk ik dat ik liever een jongen zou zijn. Tussenin is lastig: aangesproken worden als meisje of als vrouw, dat klopt niet. Als man ook niet, maar als jongen? Misschien. Het is fijn om dat in een romanpersonage te proberen, maar ik schrijf ook voorzichtig, want voor je het weet, ga je er helemaal in mee. Ik wil niet de jongen worden die ik opvoer in mijn boek. Die heb ik verzonnen. Hij ligt dichtbij mij, maar ik ben hem niet.”

Marieke Lucas Rijneveld zou het liefste een ‘mensenkind’ zijn: Dag lief mensenkind, groei maar groot en onbevreesd.

“Iemand die heel belangrijk voor me is, noemde me ooit zo. Mensenkind, dat vind ik zo lief en warm. Zo zou ik altijd genoemd willen worden, zo voel ik me.”

En oma worden, is dat nog een wens?

“Het zou héél gek zijn als ik oma word. Moeder zou ik al gek vinden, ik kan me niet met dat woord identificeren. Overigens, mannen kunnen vader en moeder tegelijk zijn, vind ik. Maar voor mij voelt het veel te groot. Kun je kinderen krijgen als je zelf nog een kind bent?”

© Mark Kohn

Vissersgeduld, van Marieke Lucas Rijneveld

In iedere kamer van het huis liet oma een gebloemd zakdoekje
achter alsof ze wilde onthouden dat ze tot stof zou wederkeren.

Had haar liever tussen de plantenpers gelegd, zachtjes aandrukken,
wat je verliest gaat bij je horen, het hart een bloemenvaas, ik

zou haar goed schuin afsnijden zoals me was geleerd. Tegen haar
borst aangedrukt als een diep geheim leerde ik alles waar juffen

van zeiden dat het nooit goed zou komen: klokkijken, deelsommen,
aardrijkskunde. Nooit wist ik precies waar we op de kaart woonden,

maar wel dat ik bus 53 naar oma moest nemen, koud geworden
kroketjes in mijn rugzak, wat Donald Ducks. Tot ze op een dag zei:

de dood heeft niet langer last van vissersgeduld, en wie ben ik nou,
een piraat wachtend op een wak voor het schip. Ik had mijn armen

om haar heen gelegd als om een mooie bos bloemen, luisterde over
hoe een wolf haar had gevraagd of ze misschien wat suiker in huis

had en meteen bij haar introk. Vanaf de rand van haar bed keek
ik toe hoe oma zo wit werd als een custardpuddinkje, de verhalen die

ze vertelde hadden niet langer meer een gelukkig einde, niet in
één sprookje kwam kanker voor, of hoe je een wolf de deur weigerde.

Aders lagen als wortels over haar handen, nergens in huis vond ik
een zakje snijbloemenvoedsel of hoe ik haar kon helpen. Alle doden

zijn van aardewerk gemaakt, zei oma, voor eeuwig staan ze in de
servieskast van het hoofd, nooit zal je me vergeten. Ik kamde haar

krullen, als een spierwitte ruimtevaarder wachtte ze voor vertrek, ik
stuurde talloze gebedjes naar de hemel maar kreeg ze ongeopend weer

terug. En voordat ze ganzenbord had uitgespeeld lag ze al op haar rug,
vakje achtenvijftig, net de put getrotseerd, en nu dit, hoopte nog zo:

gooi hoog, alsjeblief. Op de achtergrond de ruis van het acht-uur
journaal. Stop de wereld, stop de wind, gooi het vervoer plat, zeg de

zee niet zo wild te spelen, de custardpudding is ingezakt. Huilde daarna
om de spierwitte ruimtevaarder, om de verroestte schroefjes van de

plantenpers, om het huis dat nu eeuwig in zondagsrust verkeerde, de
zakdoekjes opgevouwen, het schip vertrokken, de wolf opgerot.

Marieke Lucas Rijneveld

Marieke Lucas Rijneveld (1991) studeerde een jaar Nederlands aan de docentenopleiding in Utrecht en aan de Schrijversvakschool in Amsterdam. Ze won de Hollands Maandblad Aanmoedigingsbeurs 2014/2015 en het C.C.S. Crone-stipendium 2015.

In juni 2015 verscheen haar dichtbundel ‘Kalfsvlies’ die werd bekroond met de C. Buddingh’-prijs 2016 voor het beste poëziedebuut.

In 2018 verscheen de roman ‘De avond is ongemak’, een bestseller die belandde op de longlist van de Libris Literatuurprijs 2019.

Onlangs verscheen haar tweede dichtbundel ‘Fantoommerrie’. Rijneveld werkt twee dagen in de week op een melkveebedrijf.

Lees ook:

‘De moeder de vrouw’

Eerder afleveringen in de serie ‘De moeder de vrouw zijn hier te lezen.

‘Fantasie is altijd mijn grootste overlevingsstrategie geweest’

Tien geboden. Marieke Lucas Rijneveld (Nieuwendijk, 1991) won met haar in 2015 verschenen dichtbundel ‘Kalfsvlies’ de C. Buddingh’-prijs. Op 31 januari verschijnt bij uitgeverij Atlas-Contact haar romandebuut ‘De avond is ongemak’.

Deel dit artikel

Om dit gedicht zou ik kunnen huilen, ik herken er van alles in