Uw profiel is aangemaakt

U heeft een e-mail ontvangen met een activatielink. Vergeet niet binnen 24 uur uw profiel te activeren. Veel leesplezier!

In de familie Vos word je als boer geboren

Groen

Hans Marijnissen

Vier generaties Vos: Frans (94), Theo (40), Wessel (8) en Joos (68). © Hanne van der Woude
De Staat van de Boer

Op de akker in de polder van Bant staan vier generaties Vos. Hoezo staat het familiebedrijf onder druk? Ze worden gewoon als boer geboren.

Hij heeft even hulp nodig als hij voor de foto met zijn rollator van het beklinkerde erf het bietenveld in moet, maar dan staat hij er weer. Frans Vos, 94 jaar, met een tanig hoofd dat de nodige fierheid uitstraalt. Trots. Hij is het nog steeds.

Lees verder na de advertentie

Volgens zijn kinderen is opa ‘totaal versleten’, maar daar is weinig van te merken als hij streng over de akker tuurt. “Mooi hè”, zegt hij opeens, “die rechte lijnen van jonge bieten. Doen ze tegenwoordig allemaal met de GPS. Ik zaaide met het paard. Nou, in het begin kon ik die rijtjes maar niet recht krijgen.”

50% van de boeren denkt dat het familiebedrijf uitsterft

Er is veel veranderd in de zeventig jaar waarin Frans in de Noordoostpolder boerde. De mechanisatie kwam op en de techniek evolueerde. De gegarandeerde prijzen die na de wederopbouwjaren leidden tot boterbergen en melkplassen, verdwenen voor een harde markt van vraag en aanbod. De wetgeving drong door tot op het ooit vrije erf en daar was opeens het milieu.

En toch, sommige dingen veranderen niet. De verbondenheid met de grond bijvoorbeeld. “Boeren is loeren”, zeggen de Vossen altijd. Frans: “Een boer loopt nooit zomaar over zijn land. Hij ziet daar een beestje, hier een schimmeltje, verderop is het te droog en de afrastering kapot.”

Vanzelfsprekend

Die betrokkenheid bij het land is van alle tijden, herkennen ook de nieuwe generaties Vos. En ook de vanzelfsprekendheid om boer te worden. “Zo zijn we geboren”, zegt Joos (68), de zoon van Frans. Om de grote keukentafel van boerderij ’t Pontje zitten naast Frans en Joos ook zíjn zoon Theo (40). En zojuist is zíjn nageslacht uit school gekomen: Wessel van 8. “Over de vraag of je boer wil worden is bij ons nooit gesproken”, gaat Joos verder. “Mijn Theo trok als klein jongetje al de aardappelplanten uit de grond om te kijken of er al iets onder zat”, zegt Joos. “Gelukkig deed ie dat bij de buren. Maar dan weet je het wel: die wordt óók boer. Of beter: hij is het al.” En zo werd generatie op generatie het boerenvak door de ene Vos overgedragen op de ander, en vloeide ook steeds het bedrijfskapitaal van vader naar zoon.

Ze hebben allemaal het verhaal van hun eigen generatie. Zo vormt Joos het scharnier tussen het boerenleven van zijn vader Frans in de jaren vijftig en zestig, en dat van zijn zoon Theo in de huidige tijd. Hij is het die het boerenleven het meest zag veranderen.

“Mijn vader is in 1952 als boer uit het Zeeuwse Veere naar de Noordoostpolder gekomen”, vertelt Joos. “In Zeeland had de inundatie door de geallieerden plaatsgevonden, en dus mochten 118 Walcherse boeren deze kant opkomen.” Zij namen eigenlijk de grond in die was bedoeld voor de wachtende pioniers, maar dat was volgens Joos een politieke beslissing. Den Haag wilde de Zeeuwen tegemoetkomen, én ervaren boeren verleiden in de nieuwe polder te werken. Hoewel hij zelf als tweejarige met zijn vader en moeder meekwam, heeft hij ook nu nog een Zeeuws accent. “Opgegroeid op het erf van mijn Zeeuwse vader”, zegt hij lachend.

Joos heeft jaren samen met Frans geboerd op Schoterbrug, een gemengd bedrijf met zogenoemde ‘graslandverplichting’. Omdat de oude zeebodem nog te weinig kwaliteit als landbouwgrond had, werd opgelegd dat de boerderij twee zesde van de grond als grasland diende in te zaaien, en dit perceel moest steeds wisselen. “We hadden pootaardappelen, gras, tulpen, en elk jaar werd er weer een ander perceel bemest en met gras ingezaaid. Zo werd de bodem steeds een beetje beter, en dat kwamen ze ook controleren.”

Joos stapte na zijn huwelijk over naar De Woudhoeve, de boerderij van zijn schoonvader en verkocht deze uiteindelijk in 2004 vrijwillig omdat zijn land nodig is voor zandwinning en daarna wordt omgevormd tot natuur. De boerderij zelf bleef staan, zodat hij straks het mooiste uitzicht van allemaal heeft. Het kapitaal dat met de verkoop vrijkwam heeft hij weer geïnvesteerd in ’t Pontje, de boerderij van zijn zoon waar nu deze gevulde keukentafel staat. In plaats van de 17 hectare van opa Frans, hebben Theo en zijn vrouw Hanneke nu ruim 100 hectare. Hij zit fors in de pootaardappelen, voornamelijk frietrassen, maar hij doet ook in witlof, bieten, uien en verhuurt wat land voor tulpenteelt. Een ‘ouderwets’ familiebedrijf dus, maar dat maakt volgens hem het geheel wel extra sterk.

“Het werk van mijn vader was na de oorlog voornamelijk handwerk”, zegt Joos. “Van half zes tot half tien ’s avonds op de knieën, het onkruid tussen de bieten weghalen. Het was een voortdurende race tegen de klok om dat de baas te worden.” Zijn vader knikt. “Je moest een heel goed lichaam hebben. Toen was het werk arbeidsintensief, nu kapitaalintensief. Of laat ik het zo zeggen: toen had je het meeste aan een goed lichaam, nu aan een heel goed hoofd. Mijn zoon heeft tegenwoordig een heus kantoor op zijn boerderij, ik bewaarde mijn administratie in de la van de keukentafel.”

In het bedrijf van mijn vader kocht je pas wat als je geld had. Een boer had geen schulden

Boer Joos Vos

Ondernemerschap

Die inhoudelijke groei en specialisatie van het boerenvak is ook terug te zien in de opleidingen die de vier hebben gehad. Opa Frans had alleen lagere school, Joos Ulo en middelbare landbouwschool, terwijl Theo bedrijfskunde heeft gestudeerd. Zijn zoon Wessel zit nog op de basisschool, maar die verwacht dat hij ook nog wel even bezig is voordat hij zich als boer kan vestigen.

“Even afgezien van alle techniek die tegenwoordig in de agrarische sector wordt gebruikt”, zegt Theo, “is het grote verschil tussen het boerenleven van mijn opa en vader en dat van mij, dat zij werkten met een ‘ijzeren bouwplan’.” Zij teelden elk jaar hetzelfde, tegen een vaste prijs, zonder zich zorgen te maken over ‘de markt’. “Ik moet veel meer vooruit boeren. Ik moet de markt in de gaten houden, de grondbewerking plannen, het pootgoed bestellen, uitruilconstructies met de buren opzetten.” De planning is volgens hem de eerste winst. “In dat voortraject gaat heel veel energie zitten. Maar dat zie ik ook als echt ondernemerschap dat het boerenbedrijf zo interessant maakt.”

Die planning is voor een groot deel ook financieel. Joos: “In het bedrijf van mijn vader kocht je pas wat als je geld had. We boerden mét geld. Een boer had geen schulden.” Theo: “Mijn vermogen bestaat voor de helft uit eigen vermogen, de helft is van de bank. Maar die ouderwetse grappen van mijn vader hebben we hier ook hoor. Ik hanteer de regel dat alles van hout of ijzer door ons zélf wordt gefinancierd. Want dat wordt door de jaren heen alleen maar mínder waard.” Dus kisten voor de uien, of ­machines of trekkers, betalen ze uit eigen portemonnee, soms samen met andere boeren (liefst familie) om schaalgrootte te krijgen. “Alleen bij grondverwerving schakelen we met een goed plan de bank in. Daarom is eigen grond ook zo belangrijk: de bank ziet dat als het enige onderpand. Welke crisis ook toeslaat, die eigen grond houdt zijn waarde.”

Regels

Door de jaren heen kwam ook de overheid het erf op, merkten ze in Bant. Daar zijn ze geen fan van, maar ze erkennen ook dat regelgeving heeft ­geleid tot een kwalitatief beter bedrijf dat minder belastend is voor de omgeving. Joos: “In mijn tijd speelde dat milieuaspect niet. Ik heb nog met organische chloorverbindingen als DDT, dieldrin en aldrin gespoten, en met kwik. Daar maakten niemand zich zorgen over. En jaarlijks strooiden we in februari álle kunstmest op de akker, in één keer.”

Er is in die tijd gewoon met verkeerde middelen gewerkt, weten we nu, zegt Theo. “En er werd te veel mest gebruik, op de verkeerde momenten, vooral kunstmest. Langzaam maar zeker is het besef ontstaan dat we moeten kijken naar wat een gewas eigenlijk nodig heeft. We blijken met veel minder stoffen toe te kunnen, we kunnen ook bijspuiten met de hand aan de kraan én we kunnen heel gericht toedienen: bij het zaadje of de knol. Ik denk dat we als sector 75 procent minder milieubelastend zijn gaan werken, maar daar hoor ik nooit iemand over. Ook niet over de exportwaarde van 80 miljard, tegenover de 4,4 miljard aan subsidie die we krijgen.” Zeker ‘die groenen’, houden zich stil bij zulke cijfers, zegt hij.

Volledig biologisch worden, zit er bij Theo niet in omdat dit volgens hem niet loont bij pootaardappelen die vooral voor de export zijn bestemd. “Ik loop het risico ook liever niet dat een keer in de drie jaar mijn complete oogst mislukt. Maar ik volg de biologische sector wel op de voet, en probeer zo weinig mogelijk middelen te gebruikent.”

 Hij heeft zo een heel andere manier van kijken dan zijn vader en opa, en misschien dat Wessel, die óók zeker weet dat hij boer wordt, het straks weer heel anders gaat aanpakken. Op zijn achtste rijdt hij al op de heftruck, maar tegen die tijd komt daar vast veel meer bij kijken.

De Staat van de Boer is het grootste opinieonderzoek dat ooit onder agrariërs is gehouden. Met het onderzoek, en de verhalen die deze zomer volgen, wil Trouw een eerlijk en open debat over de makers van het voedsel van Nederland stimuleren. Lees meer over De Staat van de Boer op destaatvandeboer.trouw.nl.

Deel dit artikel

50% van de boeren denkt dat het familiebedrijf uitsterft

In het bedrijf van mijn vader kocht je pas wat als je geld had. Een boer had geen schulden

Boer Joos Vos