Aan de nationale bittertafels en in de media zijn de afgelopen week opnieuw heftige discussies gevoerd over Europa. Aanleidingen genoeg. Is de Nobelprijs voor de vrede terecht toegekend aan de Europese Unie, heeft het zin de Grieken met miljoenenkredieten te blijven helpen, is het wel nodig de euro overeind te houden?
Europa is bijna permanent onderwerp van gesprek geworden. Dat is het grote verschil met vijftig, twintig en zelfs nog maar zeven jaar geleden, toen de Nederlandse burgers zich voor het eerst in een referendum over de Unie mochten uitspreken. Bijna ongemerkt is Europa in het politieke bewustzijn van de natie doorgedrongen. Dat kan als winst worden beschouwd.
Tot aan 2005 was Europa in Nederland geen politieke realiteit. Brussel produceerde beleid maar het was, zoals de socioloog Bram de Swaan dat noemde, beleid zonder politiek, zodat het zich niet kon verbinden met publieke hartstochten. Daardoor ontstond als vanzelf een democratische leegte die het staatkundig project nog altijd parten speelt: geen democratie zonder debat, geen debat zonder gemeenschappelijke taal. Achteraf gezien is het niet verbazingwekkend dat de voorstanders van Europese integratie nauwelijks verweer hadden tegen de nee-campagne van de SP en de PVV. Deze partijen konden zonder noemenswaardige tegenspraak spookbeelden oproepen van Europa als een ondemocratische superstaat en een bureaucratisch monster oproepen.
Jan Marijnissen, de toenmalige SP-leider, maakte zich de afgelopen week in het tv-programma Argos nog vrolijk over de overwinning die zijn partij toen behaalde. Twee van de drie Nederlanders stemden in het referendum tegen de zogenaamde 'Europese grondwet' en gaven daarmee de gevestigde politieke orde een tweede harde dreun in korte tijd. Met hun campagne legden SP en PVV de basis voor hun opzienbarende doorbraken bij de verkiezingen in 2006. De vrolijkheid over dat politieke succes is Marijnissen gegund, maar na zeven jaar terugkijkend moet hij zich afvragen of zijn zege niet een Pyrrusoverwinning was.
De politieke leegte die de Europese samenwerking hier de eerste vijftig jaar kenmerkte gold in de afgelopen decennia in feite ook de Nederlandse politiek. In Den Haag heerste in de jaren negentig het idee dat de natie vrijwel af was en dat kon worden volstaan met technocratisch beleid. Kenmerkend is nog altijd een uitspraak van de toenmalige VVD-leider Hans Dijkstal uit 2001, een jaar voor de eerste dreun: "Ik zit niet in de politiek voor het debat."
De overwinningen die de populisten in de jaren nadien behaalden, waren dus eerder het gevolg van de zwakte van de traditionele partijen, die waren verleerd politieke strijd te leveren, dan een eigen verdienste. SP en PVV zijn er in elk geval niet in geslaagd hun scepsis dan wel vijandigheid jegens de EU blijvende werfkracht te geven. De jongste verkiezingsuitslag heeft laten zien dat onder het Nederlandse electoraat het realisme de overhand heeft gekregen op de emotie. Na de hetzes tegen de steun aan Griekenland, de onzekerheid over de overlevingskansen van de euro en van het Europese project als geheel, is dat van meer dan gewone betekenis.
Bram de Swaan omschreef de Europese samenwerking in 2003 als 'een ongehoord avontuur in de geschiedenis van de mensheid'. Nooit eerder, zei hij, is zo'n groot verbond van staten tot stand gekomen zonder dwang en zonder dreiging van een vijand.
Op deze waarneming valt misschien wel iets af te dingen, maar de aantrekkingskracht is na de Koude Oorlog met de uitbreiding van 12 tot 27 landen onloochenbaar gebleken. Ook het avontuurlijke karakter van het project is gebleven. Het eindpunt hoeft niet een Verenigde Staten van Europa te zijn, analoog aan de Amerikaanse statenbond. Maar het is wel interessant, goed naar de overkant te kijken.
De diversiteit die de Oude wereld kenmerkt, is ook, in groeiende mate zelfs, in Amerika terug te vinden. Dat geldt niet alleen de samenstelling van de bevolking, waarin het aandeel van de Latijns-Amerikanen nog altijd toeneemt, maar ook de verschillen tussen de staten en niet te vergeten de oude, maar nog altijd met veel sentimenten omgeven, tegenstelling tussen noord en zuid. Wat hier smalend de 'knoflookgrens' wordt genoemd, is in Amerika de Mason-Dixonline; de latente afkeer van Washington kent een pendant in de argwaan tegen Brussel.
Het is niet overdreven vast te stellen dat de Oude en de Nieuwe wereld steeds meer op elkaar gaan lijken en dus ook het een en ander van elkaar kunnen opsteken. Zelfs het Amerikaanse voordeel van een gemeenschappelijke taal, wordt relatiever nu het Spaans als tweede taal oprukt. Dat heeft funeste gevolgen voor de democratie, omdat het publieke debat daarvan de ademtocht is.
De politieke gebeurtenissen in 2002 en 2005 in Nederland hebben dat afdoende aangetoond. Hoe Amerika dit nieuwe, en Europa dit oude probleem moet oplossen in de staatkundige vormgeving van de instituties is een vraag die niet gemakkelijk kan worden beantwoord, maar wel urgent op tafel blijft liggen. Zelfs urgenter nu Europa een dagelijkse politieke realiteit is geworden.
© 2013 - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.