column In de Stadhouderszaal waar het fundament voor het kabinet-Rutte/Dijsselbloem wordt gelegd, schijnt het nog steeds voortvarend te gaan. In de omgeving van de onderhandelaars is zelfs een lichte euforie bespeurbaar, die doet denken aan de sfeer tijdens de totstandkoming van het eerste paarse kabinet in 1994. Mogelijk is er eind oktober al een regeerakkoord en kan de nieuwe ploeg half november op de trappen van paleis Noordeinde staan. We zullen zien.
Wat zijn de condities waaraan moet worden voldaan, wil de hernieuwde samenwerking tussen VVD en PvdA een succes worden en het kabinet de rit volbrengen? Het allerbelangrijkste is natuurlijk dat er wederzijds vertrouwen bestaat. Dat is belangrijker dan een ver uitgewerkt regeerakkoord, zelfs als daar niet alleen rechts Nederland, maar ook links Nederland de vingers bij zou aflikken. Het is al een hele stap vooruit als de partijen dergelijke termen vermijden.
Dat vertrouwen is niet alleen van betekenis voor de onderlinge relatie, maar ook voor de houding tegenover het parlement en de samenleving. Niets is fnuikender dan een doorgefourneerd coalitiemonisme, zoals de afgelopen decennia een- en andermaal is gebleken. Alle kabinetten beginnen op dit punt met goede voornemens, maar bij het eerste het beste conflict hebben zij de neiging naar binnen te keren en tot krampachtigheid te vervallen.
Het kabinet Rutte/Dijsselbloem (het ligt voor de hand dat de medeonderhandelaar van de PvdA vicepremier wordt) kan zich een gesloten houding niet permitteren, al was het alleen maar omdat het in de Eerste Kamer als een minderheidskabinet zal moeten opereren. VVD en PvdA beschikken in de senaat over slechts dertig zetels. Het kabinet zal dus telkens een meerderheid moeten verwerven. Dat is geen ongelukkige omstandigheid, maar een zegen, omdat er een beroep moet worden gedaan op de overtuigingskracht in plaats van de automatische piloot van het regeerakkoord; niet alleen in senaat, maar ook al in de Tweede Kamer. Dat vraagt om ministers met een sterke persoonlijkheid.
Een open, dualistische, misschien zelfs wel ontspannen houding van het kabinet is dus gewenst, ook om recht te doen aan de verkiezingsuitslag waaruit een sterke behoefte spreekt aan samenwerking en nuchterheid in plaats van polarisatie en geschetter.
Die houding is ook nodig om het wegvallen van de buffers en filters in het midden te compenseren. Die functie wordt nog altijd vereenzelvigd met het CDA, maar de vraag is of deze partij de laatste jaren nog wel die schakelfunctie vervulde. De christen-democraten waren met hun economisch liberale en cultureel conservatieve politiek veel meer bezig met de slag om de dominantie op de rechterflank, uiteindelijk ten koste van hun eigen geloofwaardigheid.
De Nederlandse politiek heeft na de oorlog altijd sterk gesteund op het overleg- of harmoniemodel, dat met steun van alle drie de grote stromingen tot stand kwam om het rauwe kapitalisme te beteugelen. Impliciet betekende het model de erkenning van de PvdA als staatsdragende partij en de vakbeweging als onmisbare gesprekspartner. De voordelen waren evident en in het belang van de democratie, die in de jaren dertig zo ernstig in diskrediet raakte: een beheerste loonontwikkeling, arbeidsrust, politieke stabiliteit en een gunstig investeringsklimaat.
De christen-democraten waren lang het schakelpunt in dit systeem, maar onder de kabinetten-Kok bleek het ook zonder hen te functioneren en kreeg het zijn nieuwe, paarsgekleurde naam: poldermodel, een term die ironisch genoeg werd gemunt door CDA-senator Eef Rongen. Dat dit model nu zo gebrekkig functioneert, ligt niet direct aan de politiek, maar aan de verdeeldheid van de vakcentrale FNV. Dat is vervelend voor het kabinet-Rutte/Dijsselbloem, want dat zou bij een sociaal akkoord dat aan het bedrijfsleven zekerheid biedt, zeer gebaat zijn.
Het eerste kabinet-Lubbers (1982-1986) werd ondanks een pijnlijk bezuinigingsbeleid een succes, mede door het Akkoord van Wassenaar, waarin de vakbeweging instemde met loonmatiging in ruil voor arbeidstijdverkorting (waardoor de deeltijdbaan een hoge vlucht kon nemen). Het nieuwe kabinet zal, net als Lubbers I, veel pijn moeten verdelen, maar de omstandigheden zijn nu zo anders dat het moeilijker zal zijn daarvoor de offers te vragen.
Voor Rutte zal het na zijn premierschap van een kabinet van stilstand en verschansing een hele opgave zijn het geloofwaardige gezicht te worden van een kabinet van hervorming en openheid. Hij heeft van de kiezers voldoende krediet gekregen, dat zal helpen.
Het zal ook helpen dat PvdA-aanvoerder Samsom in de Kamer blijft, waardoor niet elk meningsverschil in het kabinet direct in de partijpolitieke prestigesfeer wordt getrokken - het grote euvel van het kabinet-Balkenende/Bos. Bovendien versterkt het de positie van de Kamer dat de aanvoerder van een van de coalitiepartijen daar domicilie kiest. Het schept evenwicht en maakt het kabinet minder kwetsbaar.
Ten slotte stelt het Samsom in staat de bredere meerderheden te smeden die meer dan eens nodig zullen zijn. Hij heeft er nachten van wakker gelegen dat hij bij het Lenteakkoord de boot miste, maar die ervaring heeft hem wat geleerd. Dat kan het nieuwe kabinet en het politieke klimaat ten goede komen.
© 2013 - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.