column Het drama van de jongste Kamerverkiezingen is natuurlijk toch het grote verlies van de christen-democratische stroming: in de negentiende eeuw ontstaan uit verzet tegen liberale bevrijdingsdwang, in de twintigste eeuw dominant in de Nederlandse politiek, lange tijd zelfs beschikkend over een absolute meerderheid, aan het begin van deze eeuw gemarginaliseerd, teruggeworpen op slechts dertien zetels.
Kuyper was beducht voor ontsporing van de democratie in tirannie van de meerderheid, of erger
Zoekend naar oorzaken stuit je al snel op de ironie dat de antithese waaraan de christelijke partijen hun bestaansrecht ontleenden, nog altijd een rol speelt in het politieke debat, de laatste jaren weer sterk zelfs door de komst van een uitheemse godsdienst die als bedreigend wordt ervaren voor de individualistische levensstijl. Maar anders dan toen, dreigt de christen-democratie er nu aan te bezwijken, en lijkt het erop dat de partijen die, in de woorden van Abraham Kuyper, 'God het meespreken in de staatkunde ontzeggen', het pleit ten langen leste hebben gewonnen.
AR-grondlegger Kuyper gebruikte die woorden toen hij in 1901 de antithese, het fundamentele onderscheid tussen christelijke en wereldse partijen, in het leven riep, daarmee de strijd aanwakkerend tussen wat toen rechts en links heette met als inzet de regeermacht. Nederland kende toen nog een districtenstelsel dat een tweedeling in de hand werkte en, anders dan nu, de machtsvraag reƫel maakte.
Tegenstanders bezagen de tegenstelling met andere ogen: zij maakten een onderscheid tussen protestantse en katholieke partijen aan de ene en democratische partijen aan de andere kant. De vraag is of dat helemaal terecht was. Kuyper meende dat er tussen God en de gelovige niemand anders moest staan, geen kerkvorst en geen wereldse vorst. De gelovige behoorde slechts te knielen voor God, niet voor een ander mens, laat staan voor het volk.
Deze visie levert nog altijd een bron van onbegrip op, met als voornaamste misverstand dat religie en democratie onverzoenlijk zijn. Iedereen herinnert zich nog hoe het VVD-Kamerlid Ayaan Hirsi Ali aan kinderen van islamitische scholen de vraag stelde wie of wat voor hen belangrijker was: Allah of de Grondwet? Geheel in de geest van Kuyper antwoordden de kinderen Allah, waarin Hirsi Ali het bewijs van haar gelijk zag dat de islam en democratie vijandig tegenover elkaar staan. Nog maar een halve eeuw geleden werd de eerste katholieke president in Amerika, John Kennedy, tijdens zijn campagne op dezelfde manier op de pijnbank gelegd: waar lag zijn eerste loyaliteit, bij de Paus of bij de Constitutie?
Kuyper bracht met zijn antithese protestanten en katholieken in politieke zin bij elkaar, waardoor het antipapisme, dat in de VS en elders nog zo lang doorwerkte, hier een stille dood is gestorven, zonder zoveel woorden bezegeld in de totstandkoming van het CDA in 1980. Toch lijkt me dat de diepe verdeeldheid die twee jaar geleden in de partij ontstond over samenwerking met de PVV, op dat hardnekkige misverstand is terug te voeren.
Uit de visie van Kuyper sprak een beduchtheid voor ontsporing van de democratie, in tirannie van de meerderheid of erger. Hij kon nog niet weten wat komen ging, maar zijn beduchtheid is niet misplaatst gebleken. Tegenover de volkssoevereiniteit plaatste hij, in staatkundige zin, het principe van de soevereiniteit in eigen kring, als voorwaarde voor de geestelijke vrijheid van minderheden en daarmee de individuele burger en als wapen tegen overheidsdwingelandij. Zowaar een fundament van de democratische rechtsstaat - zal Paars-in-aanbouw in Kuyperiaanse geest de weigerambtenaar in bescherming nemen?
De katholieke politiek viel aanvankelijk geheel en al samen met de pauselijke encyclieken en was, meer dan de protestantse, hiƫrarchisch van karakter met een grotere nadruk op de kudde dan op het individu. Het was dan ook niet onlogisch dat toen in de culturele revolutie van de jaren zestig alle gezag van boven werd betwist, de rooms-katholieken veel sneller seculariseerden dan de meer individualistisch ingestelde protestanten. Niettemin hebben katholieke politici als Verhagen en Hillen, de drijvende krachten achter de samenwerking met de PVV, altijd herstel van de oude beschavingsorde nagestreefd.
Ter rechtvaardiging van de coalitie verklaarde Verhagen een jaar geleden in een rede voor het Christelijk sociaal congres dat 'onze culturele waarden' leidend moesten zijn bij de integratie van immigranten. Geen soevereiniteit in eigen kring dus, maar aanpassing aan de Leitkultur. Meer dus dan een scheiding tussen protestanten en katholieken, voltrok de scheiding der geesten in het CDA zich in 2010 tussen een protestants, rechtstatelijk principe en een katholiek, zo men wil democratisch uitgangspunt - democratisch in de meest enge en kale zin dat de meerderheidscultuur bepalend is.
In dat perspectief was het veelbetekenend dat Verhagen in de Rijnhal weliswaar sprak van 'het feest van de democratie' maar geen woord van begrip richtte tot de minderheid die tegen samenwerking met de PVV was. Die minderheid moest zich eenvoudigweg naar het besluit van de meerderheid voegen en verder haar mond houden. Dat die minderheid zich daaraan niet heeft gehouden, is volgens deze logica dan ook als vanzelf de oorzaak van de grote nederlaag.
De oorzaak moet veeleer worden gezocht in de vergissing van Verhagen en Hillen dat Nederland terug zou willen naar een beschavingsorde die voorbij is. De electorale cijfers spreken klare taal. Cultureel rechts (VVD, CDA, LPF/PVV, SGP) haalde tien jaar terug 97 zetels, nu 72. Zolang het CDA de individualisering en de multiculturele samenleving in weerwil van Kuyper als louter negatief blijft zien, is er voor de partij geen toekomst.
© 2013 - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.