Hans Goslinga −
04/02/12, 10:00
column
Het kabinet-Den Uyl (1973-1977) was het laatste dat doelbewust streefde naar een egalitaire samenleving, waarin de topinkomens niet hoger mochten zijn dan ruwweg vijf keer het minimumloon.
Liesbeth den Uyl zag het daarom als een wraakoefening van koningin Juliana dat zij de ministers van het kabinet en hun echtgenotes bij de kennismaking op paleis Soestdijk een uiterst karige maaltijd voorzette.
Dat was een te snelle gevolgtrekking. Naderhand begreep de premiersvrouw dat de soberheid standaard was op het paleis. De koningin wilde 'iedere Bourgondische schijn vermijden' en de kok had zich aan die oekaze gehouden.
In de afgelopen tien jaar is er een verhit debat gevoerd over het vrijheidsbegrip, met de opkomst van de SP, een partij die meer Uyliaans is dan de PvdA zelf, lijkt nu ook het debat over het begrip gelijkheid heropend.
In beide gevallen draait het om de vraag hoe inhoud moet worden gegeven aan de democratie, de staatsvorm die steunt op de idee van vrijheid en gelijkheid. Dat zijn uiterst lastige begrippen, niet alleen in zichzelf maar ook omdat het gelijkheidsbegrip een beladen geschiedenis meedraagt en met vrijheid op zeer gespannen voet lijkt te staan.
De Franse filosoof Montesquieu (1689-1755), de grondlegger van de moderne democratie, loste de puzzel op met zijn stelling dat vrijheid niet kan zonder de politieke deugd van liefde voor de gelijkheid. Hij bedoelde daarmee dat, anders dan in een despotisch systeem, degene die toeziet op de naleving van wetten ook zelf aan die wetten is onderworpen.
In een democratie is er dus een extra drijfveer nodig, zowel bij burgers als bestuurders, ter vervanging van "de constant geheven arm van de despoot die alles regelt en bedwingt."
Montesquieu doelde niet alleen op gelijkheid voor de wet, maar ook op een geest van soberheid, niet te verwarren met gelijkvormigheid. De een mocht meer verdienen dan de ander, als de vergaarde rijkdom maar ten goede kwam aan de natie. In een democratie die steunt op de handel, zoals de Nederlandse, hoefde rijkdom niet tot verval van de democratie te leiden.
De handelsgeest gaat immers hand in hand, schreef hij, met spaarzaamheid, matiging, arbeid, rust en orde. "Het kwaad geschiedt pas als een overmaat aan rijkdom de handelsgeest vernietigt. Dan treden plotseling de ontwrichtende effecten van de ongelijkheid aan de dag."
Met haar sobere maal voor Den Uyl en de zijnen handelde koningin Juliana dus geheel in de geest van Montesquieu. Die geest komt nu meer dan ooit van pas. Het mag een verrassing lijken dat de filosoof ruim twee eeuwen geleden al zo trefzeker het scenario schreef voor het ontsporen van de democratie. De verklaring daarvoor is dat hij zich verdiepte in de menselijke natuur en in de aard der dingen, wat ik hier vertaal als de politieke mechanismen.
Zo schreef hij dat een democratie in verval raakt niet alleen wanneer de geest van gelijkheid verloren gaat, maar evenzeer als deze geest in het extreme doorslaat en iedereen gelijk wil zijn aan degene die hij kiest om het gezag over hem uit te oefenen.
Het kost niet veel fantasie om te onderkennen dat beide verschijnselen zich in de westerse democratieën voordoen. In de opkomst van de populistische PVV kan het boze en opstandige individu worden waargenomen 'dat geen eerbied meer heeft voor senatoren, rechters en magistraten'; in de groei van de SP weerspiegelt zich de afkeer van degenen die door inhaligheid 'een prooi zijn geworden van hun geneugten'.
De vraag is natuurlijk of deze verschijnselen zijn te bestrijden met schijnbaar eenvoudige middelen, zoals een stop op immigratie uit islamitische landen of de invoering van een 'graaitax'. Net zo min als het antwoord ligt in oostindische doofheid van een elite, die hoopt dat de bui zal overtrekken.
Het is duidelijk dat de democratische landen een probleem hebben dat deze staatsvorm onder zware druk zet. Het onvermogen van de traditionele partijen is daarvan net zozeer een symptoom als de verbale felheid van populisten. Dat probleem krijgt nog meer reliëf nu halfwassen of opkomende democratische landen (Turkije, Indonesië, India, Brazilië) en dictatoraal geregeerde staten (China) veel meer profiteren van de globalisering dan de westerse democratieën, waarvan bij deze ontwikkeling steeds duidelijker wordt dat zij, dankzij geleend geld, boven hun stand leven.
Dat vereist een politiek van de terugtocht, die weinig oriëntatiepunten kent, simpelweg omdat zij nooit is beproefd. Lubbers kon zijn pijnlijke bezuinigingen in de jaren tachtig nog doorvoeren met de belofte dat het daarna beter zou worden, hetgeen ook uitkwam. Dat perspectief ontbreekt thans, althans in materiële zin.
Bovendien zijn de mogelijkheden van herverdeling, anders dan de SP suggereert, beperkt. De inkomensverhoudingen in Nederland zijn in Nederland nog altijd gematigd, al is er sinds Den Uyl nooit meer een kabinet aangetreden dat doelbewust op nivellering aanstuurde.
Alleen in de jaren tachtig was er door de bezuiniging op de uitkeringen sprake van een forse denivellering. Sindsdien is volgens het Sociaal en cultureel planbureau het beeld van evenwichtige inkomensverhoudingen constant. Een graaitax, een hoger fiscaal toptarief en beperking van de hypotheekrenteaftrek zullen vooral een symbolisch effect hebben, wat in de geest van soberheid die Juliana tegenover Den Uyl en de zijnen aan de dag legde zeker niet zonder betekenis is.
De politiek van de terugtocht zal vooral draaien om de brede middenklasse, die immers de bulk van het geld verdient maar zich ook al snel als melkkoe voelt gebruikt. De kunst zal zijn vrijheid en gelijkheid met elkaar in balans te brengen.
In dat perspectief is een kabinet van VVD en SP, van Rutte en Roemer, niet zo vreemd als het lijkt.