Hans Goslinga −
10/12/11, 11:00
column
Als de Eerste Kamer wordt afgeschaft, zullen alleen de boden daar om treuren, spotte een liberaal lid van de Tweede Kamer een kleine honderd jaar geleden.
Komende dinsdag is de, nog altijd springlevende, Eerste Kamer de laatste strohalm voor de joodse en islamitische minderheden in ons land die zich verzetten tegen een verbod op onbedwelmd ritueel slachten.
De Tweede Kamer sprak zich eerder dit jaar in meerderheid voor zo'n verbod uit. Alleen de drie christelijke partijen stemden tegen de initiatiefwet van het Kamerlid Thieme (Partij voor de dieren). Het lijkt erop dat de verhoudingen in de Eerste Kamer anders liggen. De kans bestaat dat het wetsvoorstel alsnog wordt verworpen.
Dat zou niet de eerste keer zijn dat in een maatschappelijk gevoelige kwestie de Eerste Kamer contrair gaat. Het beroemdste of beruchtste geval deed zich voor in 1976, toen de senaat een initiatiefwet van Tweede-Kamerleden van PvdA en VVD verwierp om abortus provocatus te legaliseren.
Dat gebeurde door toedoen van een aantal liberale senatoren, die niet schroomden tegen hun geestverwanten aan de overzijde in te gaan. De PvdA was daarover furieus en vermoedde dat het stemgedrag van de VVD'ers was ingegeven door het politieke motief het CDA te paaien. Vanwege deze obscuriteit vergeleek de sociaal-democraat Hein Roethof, een van de initiatiefnemers, de in die tijd toch al impopulaire Eerste Kamer met een 'Chinese opiumkit'.
De kwestie van het onverdoofd ritueel slachten is niet zo geladen als destijds de abortus, maar er is wel een overeenkomst. Ook hier komen religieuze gevoelens en opvattingen hard in botsing met een zich ontwikkelend rechtsgevoel dat aan een ander belang de voorrang wil geven, destijds het zelfbeschikkingsrecht van de vrouw, in dit geval het dierenwelzijn.
Een verschil is dat de krachtsverhoudingen zijn veranderd. De christen-democraten zijn niet meer de centrale machtsfactor die ze toen waren en de aanhang van de christelijke partijen is geslonken van ruim een derde tot minder dan een vijfde. Daardoor is de kwestie sterk in het teken komen te staan van de democratische gewetensvraag hoe je in een plurale samenleving omgaat met minderheden.
De seculiere partijen in de Tweede Kamer die Thieme steunden, hebben wel gepoogd een brug naar de geprangde minderheden te slaan. De initiatiefwet is aangevuld met een amendement dat de onverdoofde slacht toestaat, als kan worden aangetoond dat het dier niet langer lijdt dan bij verdoofde slacht.
Het bezwaar tegen dit compromis is dat het onuitvoerbaar lijkt - voor de senaat die toeziet op de kwaliteit van wetten een zwaarwegend punt. Het argument van de onuitvoerbaarheid werd destijds ook aangevoerd tegen het compromis in de abortuskwestie, arts en vrouw beslissen samen.
PvdA-leider Den Uyl zei in 1977: Ik kan niet middelen tussen de 'vrouw beslist' en 'de vrouw beslist niet'. Vier jaar later werd er onder verantwoordelijkheid van het kabinet-Van Agt/Wiegel een abortuswet ingevoerd waarin dat wel gebeurde. De wet heeft nadien, tegen alle scepsis in, zijn praktische uitvoerbaarheid bewezen.
Als het amendement niks voorstelt omdat de duur van het lijden onmogelijk is vast te stellen, komt de vraag of de meerderheid minderheden een deel van hun (godsdienst-) vrijheid mag ontnemen des te scherper op tafel te liggen. Ik noem dat welbewust een democratische gewetensvraag, omdat een democratie waarin een meerderheid onvoldoende rekening houdt met andersdenkende minderheden, laat staan dwang op hen uitoefent, die naam niet waard is.
Op hun beurt moeten minderheden oog hebben voor een veranderd rechtsgevoel; maar als dat wordt gecodificeerd moet dat wel uitputtend zijn gemotiveerd en kan er bezwaarlijk zoveel twijfel bestaan als hier het geval is.
In Nederland is de Eerste Kamer in 1815 in het staatsbestel opgenomen als bolwerk van de Kroon, een aristocratische wal tegen een al te driftige of grillige volkswil. Maar ook in een prille moderne democratie als de Amerikaanse werd eind achttiende eeuw betekenis toegekend aan een tweekamerstelsel.
Zo schreef John Adams in het onafhankelijkheidsjaar 1776 in zijn Thoughts on government dat er een representatieve assemblee moest zijn 'als exact portret in miniatuur van het geheel der bevolking'. Maar die assemblee mocht niet alle wetgevende macht bezitten, omdat ze 'net als een individu, met onbeperkte macht, onderhevig kon zijn aan vlagen van temperament, vooringenomenheid en vooroordeel'.
In de ogen van Adams was dus tegenwicht nodig in de vorm van een tweede, kleiner wetgevend lichaam. Dat is uiteindelijk de Senaat geworden.
Ook uit democratisch oogpunt is het dus goed dat er nog altijd een Eerste Kamer is. Te lang is er tegen dit Huis aangekeken vanuit het perspectief van zijn aanvankelijke bestaansgrond. Daarom had Roethof er in de radicale jaren zeventig geen moeite mee het smalend af te doen als een obscure opiumkit. Intussen is het tijd voor een herwaardering van de Eerste Kamer als een Huis dat niet alleen in enge zin de kwaliteit van wetten toetst maar er ook, in de ruimste democratische zin, op toeziet dat de geestelijke en politieke vrijheid van minderheden onaangetast blijft.
Voor John Adams, een van de stichters van de Verenigde Staten en een man die diep nadacht over de menselijke natuur en de betekenis van politiek, gold uiteindelijk als meest fundamentele stelregel van democratisch bestuur 'dat je nooit het lam moet toevertrouwen aan de wolf'.