*

 
dossier

Hans Goslinga

Gezag van Rutte staat op het spel in Afghanistan-debat

Hans Goslinga − 15/01/11, 00:00

column Premier Rutte stond vorige week op zijn persconferentie nog druk uit te leggen waarom het kabinet een missie naar Afghanistan wil zenden om politieagenten op te leiden, toen bij verscheidene aanwezige journalisten hoorbaar een sms'je binnenkwam. De inhoud daarvan luidde: 'Slecht besluit kabinet om meer dan 500 man naar Afghanistan te sturen. PVV steunt besluit absoluut niet. Nederland heeft genoeg gedaan. Wat ons betreft niet 1 man meer voor wat voor missie dan ook daarheen. Ik hoop dat kabinet geen meerderheid bij links gaat vinden voor dit slechte besluit. Geert'.

De boodschap van PVV-fractieleider Wilders bevatte op zich geen verrassing, maar zijn timing was onbehoorlijk tegenover de premier en staatsrechtelijk zelfs destructief. Vanuit het adagium dat de regering regeert en het parlement controleert mag van Kamerleden minimaal worden verwacht dat zij van de argumenten van het kabinet kennis nemen. Dat doet niet alleen recht aan de aard van de zaak, die een ernstige is omdat er mensenlevens in het geding zijn, maar ook aan de wens van het parlement zelf om nauwer en nadrukkelijker bij de besluitvorming over internationale missies te worden betrokken.
Die wens ontstond in de jaren negentig, toen het doel van de krijgsmacht verschoof van landsverdediging naar wereldwijde operaties 'ter bevordering van de internationale rechtsorde'. De PVV is in zoverre consistent dat zij juist die bepaling uit de Grondwet wil schrappen. De partij vindt de binnenlandse veiligheid belangrijker dan de vrede en veiligheid buiten onze dijken. De inconsistentie begint daar waar zij in één adem Israël uitroept tot 'het centrale front in de verdediging van het Westen tegen de linksen en de mohammedanen'. In dat geval kan moeilijk over het hoofd worden gezien, laat staan genegeerd, wat er in Afghanistan gebeurt.
Het gebrek aan consistentie en brede oriëntatie blijft niet beperkt tot de PVV. In het Afghanistan-debat is het maar weinig partijen gelukt in de afgelopen negen jaar een duidelijke en doordachte lijn te volgen, uitgaande van de internationale rechtsorde en de bondgenootschappelijke verplichtingen van Nederland als Navo-partner. Als er al een lijn valt te ontdekken, ligt die opgesloten in de Britse politieke wijsheid 'waar je staat, hangt af van waar je zit'. Het komt erop neer dat in de oppositie partijen gemakkelijker 'nee' zeggen tegen een missie dan wanneer ze in een kabinet zitten, tenzij ze van dat kabinet af willen, zoals D66 in 2005.
De fractie van D66 onder leiding van Boris Dittrich wees destijds, nog voordat het kabinet een besluit had genomen, de missie in Uruzgan af. Het motief leek ingegeven door de vrees dat er van opbouw niets terecht zou komen en dat het vooral vechten zou worden. Maar in het Kamerdebat erkende Dittrich dat hij met het afwijzende standpunt had beoogd de PvdA te paaien en zo de val van het kabinet (Balkenende II) naderbij te brengen. Die opzet lukte niet. De PvdA van Bos liet de zaak prevaleren en versterkte aldus haar kansen op regeringssamenwerking met het CDA.
In het Afghanistan-debat is opvallend hoe vaak de linkse partijen verdeeld zijn. Bij niet één gelegenheid trokken ze één lijn. De PvdA heeft zich nu, net iets minder snel dan de PVV, maar nog voordat de inkt van de kabinetsbrief droog was, tegen de missie verklaard met het argument dat de Navo-strategie niet werkt. Daarover kan twijfel bestaan, maar wat niet kan, is beetje bondgenoot zijn. D66 en GroenLinks, die net als de SP tegen de missies in Uruzgan waren, hebben daarentegen zelf een opening gemaakt voor een trainingsmissie. Ze deden dat in de verkiezingstijd, waarmee ze hun streven naar regeermacht onderstreepten.
Ander voorbeeld van het moeilijk volgbare Haagse manoeuvreren: de VVD ging in 2007 alleen akkoord met verlenging van de Uruzgan-missie als het kabinet toezegde dat het in 2010 afgelopen zou zijn met onze aanwezigheid in de Afghaanse provincie. Deze toezegging, die haaks stond op de notie dat de wederopbouw van dit straatarme land een zaak van zeer lange adem is, was vervolgens weer de oorzaak van de breuk tussen CDA en PvdA vorig jaar. De PvdA houdt tot op de dag van vandaag vol dat het CDA die afspraak schond; de christen-democraten wijzen er, niet ten onrechte, op dat was afgesproken dat Nederland zijn rol als 'leidende natie' in Uruzgan zou opgeven. Dat liet dus nog ruimte voor een vervolgmissie, in Uruzgan of elders in het land. Er zijn nog wel meer voorbeelden te geven die duidelijk maken dat de besluitvorming over Afghanistan steeds onder het beslag van de nationale politieke verhoudingen heeft gelegen, meer dan onder overwegingen ontleend aan de zaak zelf, de wederopbouw van Afghanistan en de bestrijding van het terrorisme. De geloofwaardigheid van de missies heeft daar onder geleden.
Daarmee is ook het aanvankelijk brede draagvlak in de samenleving geleidelijk afgebrokkeld. De traditionele partijen hebben dat aan zichzelf te wijten en zij mogen het zich ook aanrekenen dat het kortzichtige populisme in de buitenlandse politiek aan invloed heeft gewonnen. De sms-inbraak van Wilders in de persconferentie van de minister-president is er het jongste bewijs van. Hoe kan een kabinet nog overtuigingskracht aan de dag leggen als een coalitiegenoot zo brutaal onder duiven van de premier schiet. De PVV is op dit vlak weliswaar niet gebonden aan afspraken met VVD en CDA, maar dat levert nog geen vrijbrief op een zorgvuldige besluitvorming te ondermijnen en te frustreren. Wil Rutte zijn gezag niet verspelen, dan zal hij aan deze kwestie een zwaar politiek gewicht moeten geven.
mailIcon print | |
<spring:message code='commonMessages.loading' />