Sylvain Ephimenco −
25/01/12, 23:30
column
Er zaten voor mij heel wat herkenningspunten, gisteren in de column 'Belangrijk' van Anniek van den Brand. Zeker als het gaat om het schuldgevoel dat werkende vaders of moeders overhouden, wanneer zij hun kroost naar een crèche moeten brengen.
Maar met de kloof die de voorbijtrekkende jaren in mijn perceptie hebben geslagen, lijkt me nu dat dit sentiment nooit op rationele grond heeft berust. Zoals ook blijkt aan het eind van het stuk van Anniek, is het soms je omgeving die je dwingt de verkeerde richting in te slaan.
Dat ik als jonge vader van 25 jaar mijn zeer jonge dochtertje iedere ochtend naar de crèche moest brengen, ervoer ik zeker niet als een misdaad tegen de menselijkheid. Het kinderdagverblijf lag dicht bij het kantoor waar ik werkte en was door toegewijde en zachtaardige krachten bemand.
Zodra we een voet in het gebouw hadden gezet, voelde dochterlief zich bovendien als een prinses die haar kasteel betreedt. Nooit een traan, nooit een schaduw in haar blik.
Het echte probleem was de reis er naartoe. Een lang en vermoeiend traject dat meer dan 20 kilometer besloeg. Eerst een lange zit in de regionale bus om de rand van de grote stad te bereiken, dan de metro en vervolgens een laatste kilometer te voet. En gedurende deze kruisgang, de afkeurende blikken en de met medelijden of irritatie gevulde blik van de omstanders.
Vooral in de winter als ik bij de dorpsbushalte aan kwam lopen, met het ingepakte meisje in mijn armen geklemd. Je zag het groepje staande schaduwen licht trillen in het halfduister. Je voelde hun doordeweekse gedachten door hun nog slaperige hoofden gonzen. Wat moet dat kindje hier bij de bushalte, om kwart voor zeven. Kindje hoort in bed en niet half verscholen in vaders armen, onschuldige prooi voor koud en wind.
Ze zeiden het niet echt, ze zeiden trouwens helemaal niets. Geen woordje in die paar jaar. Het schuldgevoel begon dus onder een vale lichtbundel bij de bushalte. Alsof we voor een verkeerd toneelstuk waren gecast. Alsof we de orde der dingen kwamen verstoren.
In de metro van de grote stad verdween wel voor even de dorpse benepenheid. Maar als er aan het einde van de werkdag weer een verplaatsing wachtte, kreeg mijn schuldgevoel een nieuwe dimensie.
Kon ik er wat aan doen dat dochterlief, opgewekt en klaarwakker, de terugweg op haar manier wenste te vieren? Dat wil zeggen veel te luidruchtig voor al die vermoeide ambtenaren met een hoofd nog vol kettingformulieren en ponskaarten. 'Niet zingen, niet zingen' fluisterde ik in haar oortje. Tevergeefs. Ik zag al die dommelende ruggen (ik ging altijd zoveel mogelijk achterin zitten) verstijven van schrik en soms ook een achterom kijkend gezicht waar de irritatie van afspatte.
Alweer die ontaarde vader met zijn gemaltraiteerde kroost. Naast het gevoel van schuld kon de schaamte er ook wel bij. Achteraf gezien, zei ik, was dit allemaal negatieve energie die door anderen werd aangemaakt en gratis uitgedeeld.
Want het is misschien tijdens die talrijke reisuren dat ik het leukste contact met haar kreeg. Met dat prille leventje dat, tegen mij aangedrukt, onbekommerd zong en babbelde.