Sylvain Ephimenco −
21/12/11, 23:30
column
Samenvattend: volgens de Noord-Koreaanse media kon Kim Jong-il drie weken na zijn geboorte al lopen en na acht weken praten. De dictator schreef 1500 boeken, brak een wereldrecord bij het golfen en zijn kledingstijl werd door tout Hollywood overgenomen.
Is het dan verbazingwekkend in deze context dat de massale huilbuien die zijn verscheiden begeleidden, en die door dezelfde media strak werden geregisseerd, meer (korreltjes) zout bevatten dan men zou verwachten?
Tot mijn verbazing is er een serieuze discussie gaande in nationale en internationale media over de vraag of die Noord-Koreaanse tranen echt zijn of niet. En nog verrassender is dat een heel legertje deskundigen en psychologen vindt van wel.
De Noord-Koreaanse bevolking wordt dermate gehersenspoeld dat ze niet beter weet: de zon die hen warmde is gedoofd. Bovendien, zeggen de specialisten, zijn de rouwenden zo extreem van de buitenwereld geïsoleerd, dat je ze alles wijs kan maken. Wellicht. Maar zijn ze ook van hun familie, kennissen en vrienden uit alle uithoeken van het land afgesneden en weten ze niets van de onderdrukking, de hongersnood, de vluchtelingen en de steeds vollere kampen?
Het best is misschien om al die huilfilmpjes van de laatste 48 uur nauwkeurig te bestuderen. De herrie die alle huilebalken maken valt op. Alsof je een megastal binnenloopt waar miljoenen kippen hun avondmaal geserveerd krijgen.
Schreeuwen, hard janken en sirenegeluid bij het schreien duiden meestal op compensatiedrift. Want niet iedereen is in staat vloeibare tranen te persen. Droog huilen kan verdacht overkomen. Dan moeten het vervormde gezicht en vooral de keelklanken het overnemen. Hoe droger de wangen hoe harder er gebruld moet worden.
Op een plein waar de huilbrigade bijeen is gebracht, is bijvoorbeeld ook te zien hoe de eerste rijen als viervoeters janken waarbij veelvuldig met de handpalmen op de grond wordt geslagen. Soms zie je hoe schuin naar links en rechts wordt gekeken. Zit de buurman nog steeds te loeien en te slaan, dan zet de schuinkijker nog een tandje bij.
Een ware competitie lijkt tussen al die uitslovers te woeden. Zoals de Russische schrijver Solzjenitsyn het opmerkte in de 'Goelag Archipel': Wie als eerste met applaudisseren voor de bewindsman stopt, laadt de verdenking op zich. In Noord-Korea kun je beter niet eerder dan je buurman stoppen met wenen. Zeker zolang de camera's draaien.
Maar op een punt zijn deskundigen het wel eens: of de tranen 'echt' waren, zullen we pas na de val van het stalinistische regime wellicht vernemen. En misschien is niet de echtheid van belang maar het effect dat die de collectieve hysterie op ons kan sorteren.
Dat de autoriteiten met hun tranenregie ook het Westen willen imponeren, is duidelijk. Gemeten aan de reacties is het tegendeel bereikt. Na het ongeloof, de gêne en de perplexiteit, domineerden vooral cynisme, hilariteit en spot.
Bij mij was het veel erger en ik verontschuldig me alvast voor mijn Noord-Koreaanse broeders. Maar kijkend naar dat tranendal, gefingeerd of niet, krijg ik eerder een gevoel van walging dan perplexiteit bij zoveel slaafse onderwerping en gebrek aan waardigheid.