Op vrouwen had Arthur Schopenhauer het niet erg begrepen. Hij vond ze kinderlijk, oppervlakkig en wispelturig. Of hij daarin erg verschilde van zijn tijdgenoten is de vraag. Het heeft niet verhinderd dat hem tegen het eind van zijn leven, toen zijn roem zich over heel Europa begon te verspreiden, ook van vrouwen heel wat fanmail en verering toevielen. Elke filosoof is óók een kind van zijn tijd.
Maar opmerkelijk is Schopenhauers misogynie wel. Want hoe weinig fiducie hij ook heeft in het vrouwenverstand, het is wel van de moeder dat wij ons intellect erven, zo schreef hij in zijn hoofdwerk 'De wereld als wil en voorstelling'. Van de vader ontvangen wij onze wilskracht, van de moeder het denken.
Dat laat zich moeilijk verenigen met Schopenhauers tirades over de vrouwelijke 'kinderlijkheid', waaraan hij vooral op latere leeftijd lucht gaf. Zijn hoofdwerk publiceerde hij vlak voordat hij dertig zou worden, en dat is voor een filosoof erg jong. Was hij vrouwen toen nog goedgunstiger gezind dan als mopperige oude man? Die schijn bedriegt. Want van het intellect dat hij hun toeschrijft heeft hij in werkelijkheid helemaal niet zo'n hoge pet op.
Veel belangrijker dan het denken is de wil, zo meende Schopenhauer: het mannelijke element. De werkelijkheid wordt niet bestierd door rede maar door drift en blinde stuwkracht. Rationaliteit is alleen maar een oppervlakteverschijnsel: een soort make-up waarmee we ons de illusie geven de wereld te begrijpen en te beheersen. In werkelijkheid zijn we een speelbal van krachten die elk begrip te buiten gaan.
Die gedachte was al net zo revolutionair als het intellect toeschrijven aan de vrouwelijke lijn. Millennialang had de filosofie beklemtoond dat de wereld redelijk was en juist daarom door ons kon worden doorzien. Schopenhauer gooide dat allemaal overboord. Ook wetenschap houdt zich alleen maar bezig met de bedrieglijke wijze waarop de wereld aan ons verschijnt, zo meende hij. Haar ware aard is ongrijpbaar, steeds veranderlijk en bezeten van een tomeloze, redeloze wil, waartegen elk intellect het moet afleggen.
Dat klinkt ons intussen niet meer zo vreemd in de oren. Wij horen er onmiddellijk Freud in doorklinken. Het onbewuste dat hongert naar voedsel, seks en geweld is sinds ruim een eeuw onze tweede natuur geworden. En ook wij weten hoe machteloos het bewustzijn daar vaak tegenover staat. Een beetje schipperen in de marge: veel méér dan dat kan het vaak niet doen. Direct onder het oppervlak roeren zich de lust en de begeerte - en panisch sussen wij onze onrust met de illusie dat we dat allemaal keurig in toom houden.
Een filosoof weet wel beter, aldus Schopenhauer aan het begin van de negentiende eeuw. Hoe rationeel de moderne mens ook lijkt, die werkelijkheid blijft te sterk. Daarom zal hij altijd aan het bestaan blijven lijden. Hij kan zich er meester van wanen, maar in het uur van zijn dood zal hij zijn onmacht moeten erkennen. Dan moet hij zich overgeven aan de anonieme krachten, op de golven waarvan hij een tijd lang heeft mogen meedobberen.
Leven is lijden en daar valt weinig aan te doen. Met die boodschap stond Schopenhauer haaks op het optimisme van de negentiende eeuw. Maar hij kreeg de wind in de zeilen toen diezelfde eeuw haar eigen schaduwzijde begon te ontdekken. De wetenschap wekte in haar de hoop dat de mensheid ooit de hele werkelijkheid zou kunnen beheersen. Schopenhauers filosofie hield haar voor dat zij nooit meester is in eigen huis.
Van die twee gedachten zijn wij nog altijd de erfgenamen. We leven tussen overmoed en ontgoocheling in - en net als Schopenhauer zoeken sommigen ook nu een uitweg in de Indiase mystiek, die ons leert ons 'zelf' zoveel mogelijk uit te wissen. Want als ons 'ik' verdwijnt, is er ook geen 'ik' meer dat lijden kan. Dat is de enige troost die Schopenhauers pessimisme nog bieden kan, voor wie de hoop op een christelijke verlossing is vervlogen.
En Schopenhauers vrouwenhaat? Die heeft de tijd minder goed overleefd. Intellect koppelen we niet meer zo gemakkelijk aan onze lichamelijke gesteldheid. Metafysica en sekse kunnen beter gescheiden blijven: dat leert ons het voorbeeld van Schopenhauer en zovele anderen. Hun verwarring heeft heel wat onzin voortgebracht - en doet dat helaas nog steeds. Ook de drift dáártoe is kennelijk ontembaar.
Beroemd en gevierd in zijn tijd
Arthur Schopenhauer stamt uit een rijke koopmansfamilie met Hollandse wortels. Geboren werd hij in 1788 in Danzig, in een verlicht en kosmopolitisch milieu. In zijn jeugd reisde hij veel, woonde enige tijd in Frankrijk en Engeland en leerde zo de wereld kennen. Vooral het leed dat hij overal waarnam maakte diepe indruk.
Aanvankelijk studeerde Schopenhauer medicijnen aan de universiteit van Göttingen, maar vervolgens ging hij naar Berlijn om filosofie te studeren. "Het leven is een hachelijke onderneming," schreef hij. "Ik heb besloten het te besteden aan het nadenken erover".
In 1818 publiceerde hij het eerste deel van zijn hoofdwerk: 'Die Welt als Wille und Vorstellung', een van de meest leesbare en meeslepende boeken uit de geschiedenis van de filosofie.
Aanvankelijk werd het boek nauwelijks opgemerkt. Toch kreeg Schopenhauer in 1820 een aanstelling aan de universiteit van Berlijn. Hij gaf zijn lessen op hetzelfde tijdstip als Hegel, de belangrijkste filosoof van zijn tijd, die hij daarmee hoopte uit te dagen. Bij Schopenhauer kwam echter maar een enkele toehoorder opdagen. Na een jaar hield hij zijn universitaire loopbaan voor gezien.
Het tweede deel van Die Welt als Wille und Vorstellung publiceerde Schopenhauer in 1844. Maar pas met de verschijning van de vlotte essaybundel 'Parerga und Paralipomena' in 1851 werd hij een veelgelezen schrijver. Daardoor kwam er eindelijk ook belangstelling voor zijn hoofdwerk.
Schopenhauer stierf in 1860 in Frankfurt als een beroemd man. Tot aan het begin van de twintigste eeuw zou hij een van de invloedrijkste filosofen van Europa blijven.
© 2013 - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.