De beklaagde zegt tot de rechter: 'Edelachtbare, ik ben niet schuldig aan de dood van mijn schoonmoeder. Alles in de wereld verloopt via noodzakelijke wetten, vrije wil bestaat niet. Ik kon niet anders dan haar de hersens inslaan.' De rechter zegt: 'U hebt gelijk. Helaas heb ook ik geen vrije wil. Ik kan niet anders dan u veroordelen tot dertig jaar gevangenisstraf.'
Heel geestig is deze mop waarschijnlijk niet. Maar ze legt wel iets bloot van de misverstanden die het vraagstuk van de vrije wil oproept. De meest voor de hand liggende is misschien wel de gedachte dat elke moraal overbodig zou worden wanneer bewezen werd dat al onze handelingen causaal bepaald zijn. We zouden kunnen doen wat ons hart en onze begeerte ons ingeven. Het zou, letterlijk, een beestenbende worden.
Moraal moet op haar beurt weer redelijk zijn
Dat laatste vond aan het eind van de achttiende eeuw ook Immanuel Kant. Wie zijn aandrang klakkeloos volgt, is niet vrij maar maakt zich tot een slaaf van zijn lichaam. Hij doet volgens Kant niet méér dan wat een redeloos dier doet - en juist de rede maakt een mens tot mens en bevrijdt hem uit de kluisters van zijn lijf. Redelijkheid gaat dus samen met vrijheid en die weer met moraal. Wil het hele verhaal kloppen, dan moet de moraal op haar beurt redelijk zijn.
Dat paste goed in het klimaat van de Verlichting, waarvan Kant de belangrijkste Duitse vertegenwoordiger was. Hij schetste de grondlijnen van een volstrekt logische ethiek. De grondregel ervan sloot wonderwel aan bij het christelijke voorschrift dat je een ander niet moet aandoen wat je zelf niet wilt ondergaan.
Het sluitstuk van de redenering was daarmee nog niet gelegd. Want zonder vrijheid is moraal nog altijd zinloos, meende Kant. En hoe goed we ook in de natuur rondkijken, overal zien we de materie bewegen langs starre, berekenbare lijnen - alsof het hele universum één groot biljartspel was. En ook wij behoren tot de natuur. Waar zit dus die vrijheid?
Causaliteit denken we er zelf bij
Kants oplossing was ingenieus. We zien die biljartballen wel rollen, maar dat de stoot van de één de baan van de ander veroorzaakt, zien we eigenlijk niet. We nemen twee dingen waar die na elkaar gebeuren en concluderen dat 'erna' ook 'vanwege' is. De causaliteit, zou je kunnen zeggen, denken we er zelf bij. Niet dat we daarin een keuze hebben. We moeten volgens Kant de wereld wel zien zoals we haar zien. Maar dat betekent niet dat ze in zichzelf ook zo is. Onze waarneming brengt orde aan in onze zintuiglijke prikkels en het resultaat daarvan noemen we 'de wereld'.
Daarmee zette Kant de wereld op haar kop. Niet hoe zij ís maar hoe wij haar zíen, bleek vanaf dat moment doorslaggevend. We nemen de werkelijkheid niet passief waar, maar construeren haar. Hoe vreemd die gedachte ook lijken mag, ze is bepalend geworden voor de manier waarop wij nadenken over onszelf en onze kennis.
We zien realiteit niet zoals ze is
Maar hoe staat het inmiddels met de vrijheid? Uitstekend, zegt Kant. Wanneer causaliteit alleen maar een manier van zien is, dan hoeven we die in de werkelijkheid zelf niet te veronderstellen. We zien de realiteit immers niet zoals ze is. Maar we ervaren haar wel, wanneer we nadenken, alternatieven afwegen en tenslotte een besluit nemen. Aan onze ervaring van vrijheid hoeven we dus niet te twijfelen op grond van wat de natuurwetenschap zegt. We hoeven alleen maar te laten zien dat ze niet door de laatste wordt weersproken.
Overtuigt mij dat? Ik vraag me, ruim twee eeuwen later, af of die omweg nodig is. Want stel nu eens dat alles wat ik deed wél verliep volgens ijzeren wetmatigheid. Dan weet de schoonmoedermoordenaar, met de hamer in de hand, nog altijd niet of hij wel of niet zal toeslaan. Misschien staat dat vast, maar voor hem maakt dat niet uit. Voor zichzelf is hij nog altijd gedwongen tot wat wij een 'beslissing' noemen - hoe illusoir die op zich ook mag zijn. Is hij eventueel ergens toe voorbestemd, dan weet hij dat pas vijf minuten later.
Soms is het dan té laat. En zal de rechter zeggen dat ook hij niet anders kan dan net te doen alsof hij besluit tot een vonnis van dertig jaar - in een wereld die nu eenmaal is zoals we haar zien.
De grote filosofen: Immanuel Kant
Revolutionaire denker
Zijn dagelijkse wandelingen van precies een uur langs altijd dezelfde route zijn waarschijnlijk bekender dan zijn hoofdwerken. Immanuel Kant (1724-1804) staat bekend om zijn eentonige levenswandel en zijn lastige levenswerken. Hij werd in 1724 geboren in Koningsbergen, hoofdstad van Oost-Pruisen, tegenwoordig de Russische havenplaats Kaliningrad. Na zijn gymnasiumopleiding studeerde hij aan de universiteit van Koningsbergen filosofie en wis- en natuurkunde. In 1770 aanvaardde hij aan dezelfde universiteit een hoogleraarschap in de logica en metafysica. Dat hield hij ruim een kwart eeuw vol, tot 1796. Acht jaar later stierf hij op bijna tachtigjarige leeftijd.
Kant was een van de belangrijkste denkers uit de Verlichting, waarvan hij de grondregel omschreef als: 'Sapere aude! Heb moed om je van je eigen verstand te bedienen!' Aanvankelijk volgde hij in zijn filosofie het heersende rationalisme van zijn tijd, dat terugging op Descartes en het denkende 'ik' in het middelpunt plaatst.
Maar onder invloed van het Engelse empirisme - en met name David Hume (1711-1776) - maakt Kant een salto mortale en wordt hij, volgens eigen zeggen, gewekt uit zijn 'dogmatische sluimer'. De menselijke kennis richt zich niet naar de dingen, maar ons kenvermogen brengt de orde in de wereld juist voort - zo luidt zijn revolutionaire inzicht. Kant komt tot die bevinding via een kritische bezinning op de grenzen en mogelijkheden van ons kenvermogen. Het resultaat daarvan publiceert hij in 1781 in zijn 'Kritiek van de zuivere rede', nog altijd een van de moeilijkste boeken uit de hele geschiedenis van de filosofie.
© 2013 - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.