Grote filosofen Nog steeds weet iedereen waar hij was toen hij op 11 september 2001 hoorde dat in New York de Twin Towers waren aangevallen. In het zwembad, op kantoor, bij de bushalte of - zoals ik - aankomend bij de muziekles van mijn dochtertje. Overal ging direct de televisie of de radio aan.
Als Joodse vluchteling voor de nazi's ondervond Hannah Arendt het belang van burgerrechten aan den lijve. Als filosofe bestreed ze dictatuur en totalitarisme.
Toch gebeurde het meest ontstellende pas enige tijd later. Ik doel niet op de inval in Afghanistan of Irak, maar op de bereidheid van een groot deel van de bevolking de democratische rechten en vrijheden in de ijskast te zetten en zich te laten regeren door een - al dan niet verlichte - dictatuur.
Dat gebeurde niet alleen in de Verenigde Staten, al was de inschikkelijkheid daar om begrijpelijke redenen het grootst en - om minder begrijpelijke redenen - ook het makst. Was America immers niet altijd the land of the free geweest, trots als geen ander op zijn democratische geest? Was zoiets als het Duitse nationaal-socialisme daar niet altijd ondenkbaar geweest: onverenigbaar met alles waar het land voor stond?
Voor alle duidelijkheid: bij de misdadigheid van het nazi-regime vallen de zonden van de regering-Bush in het niet. Deze president was geen Hitler; hij heeft er zelfs in de verte niet op geleken. Maar het Amerikaanse volk leek misschien wel meer op het Duitse van 1933 dan het zou hebben gewild. Terwille van veiligheid en rust was het bereid de eigen rechten en vrijheden in verregaande mate prijs te geven.
Het rechtssysteem bleek plots wel véél uitzonderingssituaties toe te staan. Vanuit regeringskringen werden burgers ertoe opgeroepen andere burgers te bespioneren. Marteling werd niet langer als barbaars beschouwd en daartoe werden gevangenen vastgehouden buiten het grondgebied van de staat. Vaak in volle, vanzelfsprekende openheid.
In 2001 was de filosofe Hannah Arendt al ruim een kwart eeuw dood. Wat zij gevonden zou hebben van dit onverwachte democratische tekort van haar toevluchtsland, weten we niet. Maar wel weten we dat ze in haar boeken altijd heeft gehamerd op het belang van de politiek en de rechten van de burger die daarvan het fundament vormden. Want er is geen burger zonder vrijheid en geen vrijheid zonder politiek. En omgekeerd.
Die les had Hannah Arendt geleerd toen zij als Jodin vanaf 1933 het ene na het andere burgerrecht verloor, statenloos werd en tenslotte in de VS belandde. Het doordrong haar van het besef dat iemand zonder politieke rechten bij voorbaat tot niets is gereduceerd. Maar ook dat die rechten plichten met zich meebrengen. Geen burger heeft de vrijheid zich te onttrekken aan de opdracht die zijn burgerlijke vrijheid van hem vraagt. Hij mag zich niet beperken tot zijn eigen natje en droogje. Hij zal zich ook bekommeren om de wijze waarop de samenleving is ingericht en de vrijheid wordt verdedigd.
Daar was zij streng in. Vrijheid ging voor haar boven alles, zelfs boven stabiliteit, veiligheid en in sommige gevallen het menselijk leven. Politiek mag nooit worden ingewisseld voor een comfortabel bestaan zonder bedreiging of risico's. Anders staat de deur open naar harde dictatuur. Of, wat misschien nog erger is, naar een zachte die iedereen wel best vindt.
Succesvolle democratieën hebben die laatste neiging altijd een beetje in zich. Onze rechten en vrijheden zijn zo vanzelfsprekend dat ze almaar minder gewicht in de schaal leggen tegenover het ongemak dat het leven nu eenmaal met zich meebrengt. Angst - voor terrorisme, voor boeven uit verre streken, voor buitenlanders in het algemeen, is daar een uitgelezen voorbeeld van. Niet alleen in de VS maar ook in Nederland waren burgers al snel bereid daar heel wat democratie voor in te leveren. Pim Fortuyn vroeg, kort na de aanslagen in New York, een paar jaar de vrije hand om alle rotzooi op te ruimen - en menigeen vond dat helemaal geen slecht idee.
Dat dacht ik allemaal nog niet toen ik op de muziekles van mijn dochtertje hoorde over de Twin Towers. Had Hannah Arendt nog geleefd, dan zou haar scherpzinnigheid zich daar ongetwijfeld direct rekenschap van hebben gegeven. In de daaropvolgende jaren zou ze - niet voor het eerst tegen de Amerikaanse publieke opinie in - almaar meer gelijk hebben gekregen. Zij had waarschijnlijk nooit kunnen vermoeden dat dat in haar land van toevlucht ooit nog nodig was geweest.
Ontleedster van het kwaad
Als filosofiestudente had Hannah Arendt (1906-1975) een affaire met haar leermeester, de filosoof Martin Heidegger. De verhouding beklijfde niet en ook politiek raakten de twee in verschillend vaarwater. Heidegger raakte gefascineerd door de nazi-ideologie, Arendt zag als Joodse het gevaar daarvan snel in en emigreerde na Hitlers machtsovername eerst naar Frankrijk en later naar de VS.
In 1951 publiceert zij 'The Origins of Totalitarianism', waarin zij het nationaal-socialisme en stalinisme beschrijft als twee vergelijkbare totalitaire systemen, die niets en niemand ontzien. In haar hoofdwerk 'The Human Condition' (1958) maakt ze een onderscheid tussen arbeid, werk en handelen, waarbij ze vooral op het laatste nadruk legt. Handelen is het politieke spreken, waarin de mens zich verwerkelijkt en geschiedenis maakt.
In 1963 raakt Hannah Arendt in opspraak door haar verslag van het grote Eichmann-proces in Jeruzalem. Ze ondermijnt het gangbare beeld van Eichmann als massamoordenaar. Hij wist welk kwaad hij veroorzaakte, maar ontweek zijn verantwoordelijkheid door zich te verschuilen achter zijn taak als burger van het Derde Rijk. Daarmee werd het kwaad volgens Arendt 'banaal' - maar zeker niet minder gevaarlijk: juist in deze banaliteit vormt het kwaad in haar ogen een van de grote bedreigingen van de toekomstige mensheid.
Hoewel haar ideeën over Eichmann nog steeds betwist worden, is Hannah Arendt een van de belangrijkste naoorlogse filosofen gebleven, en ongetwijfeld de meest geciteerde vrouwelijke denker uit de geschiedenis van de filosofie.
Nu ook Hannah Arendt exclusief bij de Trouw actie De Grote Filosofen.
© 2013 - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.