Onderschat niet hoe ongelooflijk belangrijk het is dat er eindelijk vrouwen uit Saoedi-Arabië meedoen aan de Olympische Spelen, schrijft Qanta Ahmed, een vrouw die daar twee jaar woonde.
Alle ogen zijn dezer dagen gericht op Sarah Attar, een jonge Saoedische atlete die uitkomt op de 800 meter, en op haar landgenote Wodjan Ali Seraj Abdulrahim Shahrkhani, die de eer van het koninkrijk verdedigt op de judomat.
Hun entree in de olympische arena is een triomf voor de Saoediërs - en voor alle niet-Saoediërs. Londen 2012 is met de eerste deelname aan Olympische Spelen van Saoedische vrouwen een mijlpaal. Dit vestigt de aandacht op moslima's, hun toegenomen mondigheid, maar ook op de voortgaande inperking van hun rechten.
Islamitische regimes voelen zich in toenemende mate als de ezel tussen twee hooibergen: ze willen dolgraag aan hun binnenlandse beleid vasthouden en de bewegingsvrijheid van vrouwen beperken, maar ze willen ook graag voluit deel uitmaken van de moderne internationale gemeenschap. Uit de Saoedische casus mogen we afleiden dat internationale druk van buitenaf en binnenlands activisme van onderop zelfs de meest dogmatische politiek kunnen doen schuiven.
Saoedi-Arabië is een groentje in de sport op oIympisch niveau. Pas in 2000 sleepte het koninkrijk de eerste medaille binnen, een zilveren plak voor Hadi Souan Somayli op de 400 meter horden.
Met Brunei en Katar is Saoedi-Arabië het enige land dat nog nooit een vrouw afvaardigde naar de Spelen. Brunei en Katar stuurden trouwens wel vrouwen naar de Islamitische Vrouwenspelen.
Katar troeft nu Saoedi-Arabië af: niet alleen stuurde het land maar liefst vier vrouwelijke deelnemers naar Londen, schutter Bahiya al-Hamad mocht ook meteen bij de openingsceremonie de nationale vlag dragen.
Saoedische vrouwen hebben nauwelijks toegang tot de trainingsfaciliteiten die nodig zijn om een olympisch niveau te halen. Mannen en jongens hebben de beschikking over maar liefst 153 officiële sportclubs, die onder het Algemeen Bestuur voor Jeugdwelzijn vallen. Daarnaast kunnen ze gebruikmaken van een onafzienbaar aantal fitnessruimtes en gezondheidscentra in hotels. Saoedische vrouwen en meisjes mogen daar geen stap zetten.
Zelfs de invloedrijkste Saoediërs vermochten daar geen verandering in te brengen. Prins Alwaleed Bin Talal, een Saoedische miljardair, probeerde het in 2009 door een vrouwenvoetbalteam te sponsoren, het eerste van het land: de Jeddah Kings. Het veroorzaakte een ongelooflijk publiek tumult en de prins zag zich genoodzaakt het team weer te ontbinden. Op dit moment is er nog wel een sportclub, Jeddah United. Die opereert zelfstandig; het is een onafhankelijk bedrijf met een basketbalteam dat speelt zonder koninklijk toezicht of steun van de overheid.
Dat ze geen toegang krijgen tot trainingscentra is een enorme handicap voor de ontwikkeling van Saoedische atletes. De weinige vrouwen die het klaarspeelden om op internationaal niveau te presteren, hadden hun trainingsarbeid vooral buiten het koninkrijk verricht.
Het bekendste voorbeeld is Dalma Malhas, de twintigjarige amazone die in Singapore tijdens de Olympische Jeugdspelen van 2010 brons won. Het zag er lang naar uit dat zij voor Londen de eerste vrouwelijke Olympiër uit de oliestaat zou worden, maar haar merrie raakte geblesseerd. Dat belemmerde haar deelname.
Malhas traint hoofdzakelijk in Italië, net als haar moeder deed, ook al een goed dressuurruiter.
Natuurlijk is de rol van enkelingen als Malhas belangrijk. Maar voor de komst van Saoedische vrouwen naar de olympische arena was meer nodig.
Volgens IOC-voorzitter Jacques Rogge was er in het Saoedische Olympisch Comité sprake van een 'bemoedigende evolutie'. Dat de Saoediërs hun vrouwonvriendelijke verzet hebben gestaakt is te danken aan zijn IOC: "Onze voortgaande dialoog heeft vrucht afgeworpen."
Maar dat is het halve verhaal. Beslissend was dat er gelijktijdig zowel vanuit het buitenland als vanuit Saoedi-Arabië zelf druk is ontstaan. De deelname van vrouwen is te danken aan het werk van mensenrechtengroeperingen en aan de inzet van een paar Saoedische burgers die zich hard hebben gemaakt voor een betere toegang tot sportactiviteiten voor vrouwen.
Daarbij hebben die niet-gouvernementele organisaties en individuele pleitbezorgers dankbaar gebruikgemaakt van de Arabische Lente, die de internationale aandacht voor sociale kwesties in de Arabische landen heeft vergroot.
Het koninkrijk kreeg door het IOC heldere eisen voor deelname door vrouwen voorgeschoteld. Want het Handvest van het IOC is ondubbelzinnig: "Sport is een mensenrecht. Elk individu dient zonder enige vorm van discriminatie de mogelijkheid te hebben om aan sport te doen"(art. 4). Dus dreigde het IOC de hele Soedische delegatie van deelname uit te sluiten als vrouwen werden geweerd.
Tegelijkertijd rapporteerde Human Rights Watch over oppositie van onderop, uit Saoedi-Arabië zelf, tegen de zeer ongelijke regels voor vrouwen en mannen.
Volgens dat rapport, 'Stappen van de duivel: vrouwen en meisjes wordt in Saoedi-Arabië het recht op sport ontzegd', zijn het de geestelijken die godsdienstige bezwaren hebben tegen deelname door vrouwen aan sportactiviteiten.
Volgens de Saoedische clerus begeven vrouwen zich door aan sport te doen op een hellend vlak; ze zouden afglijden richting de duivel. De Saoedische theologen beweren dat het toestaan van vrouwensport de weg vrijmaakt voor het maken van obscene bewegingen.
Dat gaat van het dragen van abnormale kleding, tot het optreden voor publiek. Vrouwen die sporten zouden zelfs direct in contact kunnen komen met mannen die geen familie van de atlete zijn, op plaatsen waar mannen en vrouwen gemengd verkeren, Dat allemaal leidt tot immoreel gedrag en de onherstelbare ontheiliging van de Saoedische vrouw.
Andere geestelijken, onder wie sjeik Abdullah Al Mani, lid van de raad van geleerden en adviseur van het koninklijk hof, hebben gewaarschuwd dat heftige bewegingen (vooral bij basketbal en voetbal), een bedreiging vormen voor de gezondheid van een 'maagdelijk meisje'. Die waarschuwing komt in Saoedi-Arabië hard aan, want het land kent een cultuur die helemaal draait om eer en schaamte, waarbij bijzonder veel medisch-juridische waarde wordt toegekend aan de maagdelijkheid van de ongetrouwde vrouw; haar kuisheid blijkt uit haar ongeschonden maagdenvlies.
De Saoedische koning Abdullah lijkt open te staan voor de boodschap van zulke mensenrechtenrapportages. Hij staat namelijk achter nogal wat hervormingen ten gunste van vrouwen, ook al vóór hij de troon besteeg. Zijn besluit om vrouwen te laten meedoen aan de Olympische Spelen is een volgende indicatie dat hij op de goede weg is. Eerder al had hij een vrouwenraad ingesteld en blijf-van-mijn-lijfhuizen en een telefonisch meldpunt voor huiselijk geweld laten oprichten. Daarnaast gaf hij goedkeuring aan de eerste postdoctorale opleiding voor mannen én vrouwen aan de Koning Abdullah Universiteit. Hij heeft vrouwenkiesrecht tijdens gemeentelijke verkiezingen in het vooruitzicht gesteld.
Meer dan symboolpolitiek zijn deze hervormingen niet, mopperen sommigen. Maar zij vergeten dat van symbolische handelingen een bijzondere kracht kan uitgaan. In de eerste plaats voor de vrouwelijke sporters die nu aan de olympische competitie kunnen meedoen. Sarah Attar, de 800-meter-loopster, beschouwt het gebaar niet alleen als een 'grote eer' voor haarzelf, maar ook als een opstapje voor meer Saoedische vrouwen die nu aan sport kunnen gaan doen. En de symbolische kracht kan nog veel sterker doorwerken, want die symboolpolitiek komt wel van de leider van een land dat voor de wereldwijde moslimgemeenschap een religieus en politiek ijkpunt is.
Ik denk dat de Saoedische beslissing om vrouwen af te vaardigen naar Londen 2012 in tal van opzichten een sprong voorwaarts is. Voor de sportsters was dat besluit - slechts 31 dagen voordat de Spelen begonnen! - een hele opluchting. Maar ook de meeste andere Saoedische vrouwen zullen er profijt van hebben. Nu al wordt het voor de Saoedische regering moeilijker om de sekseongelijkheid bij de toegang tot sportfaciliteiten overeind te houden. En misschien breidt dat zich ook wel uit naar andere delen van de maatschappij. Door in te stemmen met de eisen die het IOC aan gelijkheid stelt, legt een staat - die altijd ongevoelig leek voor druk van buitenaf of van binnenuit - zijn kwetsbaarheid bloot: hij blijkt toch gevoelig voor internationale normen.
Wat hun motieven ook zijn geweest, de Saoediërs bleken open te staan voor de eisen die de buitenwereld stelt. En wat nog belangrijker is: het land blijkt te reageren op binnenlandse vox populi. Dat sportvrouwen het stadion binnenmarcheerden met de Saoedische vlag, is reden voor een feestje voor de hele sportgemeenschap, en eigenlijk voor alle vrouwen overal. Dat het maar twee sportvrouwen betreft doet er niet toe, en dat ze niets winnen al evenmin. Ze zijn naar Londen gevlogen, naar de Spelen, en dat biedt perspectief voor veel meer moslima's, uitzicht op deelname aan atletiekwedstrijden, op een betere gezondheid, op meer gelijkheid.
De internationale gemeenschap doet er goed aan de namen Wodjan Ali Seraj Abdulrahim Shahrkhani en Sarah Attar breed onder de aandacht te brengen, zeker in Saoedi-Arabië zelf. Zodat de mijlpaal zichtbaar wordt voor alle Saoedische meiden met een olympische droom.
Qanta Ahmed is Pakistaans-Brits arts en publiciste te New York. Ze werkte twee jaar in het Koning Abdullah-ziekenhuis in Riad. Over haar verblijf schreef ze 'In the Land of Invisible Women: A Female Doctor's Journey in the Saudi Kingdom'.
Dit is een bewerking van 'A Leap Forward for Saudi Arabia', dat deze week verscheen op de website van de Canadian International Council, www.opencanada.org.
Katar loopt plotseling voorop
Mayassa al Thani is 29 jaar oud, ze woont in Katar en is verzot op kunst en sport. En ze is als dochter van de emir steenrijk. Al Thani is de drijvende kracht achter de fototentoonstelling 'Hey'Ya: Arab Women in Sport', gemaakt door de Franse zussen Brigitte en Marian Lacombe. Zij portretteerden meer dan vijftig moslimsportsters tijdens de Pan-Arabische Spelen in Doha, december 2011. Voor sommigen van hen is deelname aan de Spelen 'gewoon'; zo vaardigen Tunesië en de Comoren al langer vrouwen af. Katar, Bahrein en Saoedi-Arabië doen dat nu voor het eerst. Voor Somalische sporters is meedoen wel heel bijzonder: ze zijn in eigen land met de dood bedreigd door de militante islamisten van Al Shahaab. Voor zover de atletes al niet in het buitenland verkeerden, moesten ze onder strenge bewaking trainen binnen de poorten van het hoofdkwartier van politie in Mogadishu.
Dat een lid van de Katarese emirfamilie vrouwensport zo onder de aandacht brengt, is niet ver- wonderlijk. Vijf jaar geleden besloot het emiraat met voortvarendheid om zijn imago als paria in de sportwereld af te werpen. Het land nam de rol van voortrekker van vrouwensport op zich, onder aanvoering van de voorzitter van het Katarese Olym- pisch Comité - de broer van Mayassa al Thani. Deze revolte in het conservatief-islamitische oliestaatje was noodzakelijk: Katar wil in 2020 de Zomerspelen organiseren en zou zonder vrouwenafvaardiging bij voorbaat kansloos zijn.
Op school werd gym verplicht gesteld voor jongens en meisjes, hypermoderne sportfaciliteiten verrezen met daarbij een topsportprogramma voor veelbelovende talenten, en educatieve programma's moesten Katarezen van alle leeftijden doordringen van de noodzaak van beweging en een gezonde levensstijl.
Als voorlopig hoogtepunt mocht Katar in 2011 de genoemde Pan-Arabische Spelen organiseren, in het grondig gerenoveerde Khalifa International Stadium, genoemd naar de voormalige emir van Katar.
De foto-expositie over vrouwelijke sporters, die nu in Londen te zien is en daarna naar Katar verhuist - naar het museum waar Mayassa al Thani de scepter zwaait - onderstreept de Katarese omslag in het denken. De bezegeling was een week geleden voor iedereen te zien: schutter Bahiya al- Hamad mocht bij de openingsceremonie van de Olympische Spelen de Katarese vlag dragen.
De expositie 'Hey'Ya' is tot 11 augustus in het Londense veilinghuis Sotheby's te zien (George Street, Mayfair, 10-18u, toegang vrij).
Qanta Ahmed: Verbied sporten met hoofddoek
De Saoedische judoka Wojdan Ali Seraj Abdulrahim Shahrkhani kreeg deze week op het nippertje toestemming met een hoofddoek de mat op te gaan; haar vader verbood haar anders mee te doen. De judofederatie was tegen sporten met hoofddoek, maar zwichtte voor het compromis van een hoofddoek die veilig zou zijn.
De schrijfster van het essay, Qanta Ahmed, die zelf praktiserend moslim is, trekt de veiligheid in twijfel. Tijdens een besloten studiesessie in Katar, waar arts Ahmed aan deelnam, kwamen dit voorjaar medische bezwaren aan het licht. "Het dragen van een hoofddoek kent grote risico's, zoals oververhitting en ernstige schade aan nek en rug bij een tackle, of verstikking door een tegenstandster. Er zijn al doden gerapporteerd."
Ahmed noemt in The Huffington Post het toestaan van de hoofddoek 'een dreun voor de gelijkheid'. "Zeker, het vereenvoudigt de toegang tot sportbeoefening voor moslima's in landen als Saoedi-Ara- bië. Maar we moeten geen druk uitoefenen op het IOC om daarmee in te stemmen, want daarmee leg je de verantwoordelijkheid bij de verkeerde partij. De oorzaak ligt bij islamisten en wahabie-ten (dominante stroming in Saoedi-Arabië). Zij stellen dat het dragen van een hoofddoek een islamitische verplichting is, terwijl het een cultuurver- schijnsel is. Daarin meegaan betekent een overwinning voor de neo-orthodoxe islamisten die zich meester proberen te maken van de moslimidentiteit.
Hoezeer mijn sympathie ook ligt bij vrouwen die zonder hoofddoek niet mogen sporten, het dragen ervan is geen mensenrecht. Gaan en staan waar je wilt is dat wel."
© 2013 - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.