*

 
dossier

Archief

Ephimenco

Sylvain Ephimenco − 30/04/02, 00:00

'Meneer, mag ik u wat vragen?' Met nog in de hand de fles wijn die ik zojuist van de schappen had gelicht draaide ik me naar de onbekende stem. En zoals verwacht had de stem een gezicht. Een getourmenteerd gelaat met diepe groeven en twee felle ogen. Deze man steunde op de stang van zijn boodschappenwagen als de drenkeling die zich aan de mast van zijn schip vastklampt. Ik keek de kromgebogen senior aan. Zijn blik straalde de bezorgdheid uit van een ongunstig weerbericht. Ik wachtte de storm rustig af. Of ik de schrijver was van het pas verschenen boekje 'Beetje dom' die vanochtend op Radio 1 te beluisteren was geweest Ik knikte. Kijk eens aan! Hij had me eerder op de regionale zender per toeval 'ontdekt'. Ik kroop in de huid van een gevonden voorwerp. En, was zijn volgende vraag, of ik me daarvoor niet schaamde. Ik zweeg.

Alweer de schaamte, maar dit keer met betrekking tot mijn eigen daden. In dat boekje, vervolgde de bejaarde man, nam ik ons koninklijk huis en de toekomstige koningin zo op de korrel dat het een schande was. Uit beleefdheid en ongemak verschanste ik me in een nog diepere stilte. Mijn gesprekspartner voelde zich hierdoor gesterkt en diende de genadeslag toe: 'Ziet u meneer, ik zal het niet lezen maar heb u wel beluisterd. Volgens mij houdt u niet van Nederland'. Mijn eerste reactie was er nu een van paniek. Hoe vertel je een volstrekt onbekende binnen een paar seconde en in één zin dat hij zich vergist? Hoe kun je, onmogelijke opgave, het bewijs leveren van je liefde voor het land waar je kinderen zijn geboren? Waarin je, 25 jaar na aankomst, nu reeds langer woont dat je ooit in je land van oorsprong deed. Het Wilhelmus aanheffen in een tijdperk van cultuurrelativisme leek me niet de juiste keus. Of een lied van meester De Groot. Ach, de Noordzee wijd en koud. Ik dacht dat ik op alles een passend antwoord had. Op bijna alles dan. Maar deze aantijging was dodelijk. En met een fles wijn in de hand stond ik op een zaterdagmiddag bij de drankafdeling van een supermarkt een beetje te sterven. In stilte. Ik zag de triomferende blik. De gelaatstrekken van de man ontspanden zich plots en er verscheen een bijna vredige glimlach op zijn lippen. De stang van zijn karretje was ineens een vlaggenstok geworden die hij fier vasthield. Kaarsrecht liep hij van me weg. Ik besefte op dat moment dat ik de onbekende een van de mooiste overwinningen van zijn leven had bezorgd.

mailIcon print |