In 1995 konden Nederlandse militairen de val van Srebrenica noch de daarop volgende moord op duizenden moslimmannen verhinderen. Deze ramp blijft het politieke geweten van Nederland achtervolgen. Telkens duikt het spook op, ook nu weer, nu bekend is geworden dat luitenant-generaal Van Baal waarschijnlijk tot bevelhebber van de landstrijdkrachten benoemd zal worden.
Snel wordt geconstateerd dat deze benoeming een politiek risico betekent omdat deze Van Baal bij de besluitvorming over Srebrenica betrokken is geweest.
De suggestie is dat ook hem wel blaam zal treffen en dat zo iemand dus eigenlijk maar beter niet tot zo'n hoge post geroepen moet worden. In zo'n suggestie steekt iets onrechtvaardigs omdat de betrokkene zich er nauwelijks tegen kan verdedigen. Tegelijk wijst het op de schizofrene wijze waarop in Nederland tot nu toe met het drama is omgegaan.
Enerzijds blijft het gevoel dat er van alles is misgegaan en dat de verantwoordelijken daarvoor gestraft moeten worden. Anderzijds zien we dat tot op de dag van vandaag de volksvertegenwoordiging het regeringsbeleid gesteund heeft en geweigerd heeft vast te stellen wie waar en wanneer gefaald heeft.
Of het nu ging om het bizarre gedoe met de mislukte fotorolletjes of om doofpotaffaires, telkens overleefden de betrokken ministers het kamerdebat. Daarmee, zo zit ons stelsel nu eenmaal in elkaar, werd ook het handelen van hun ambtenaren goedgekeurd, ook al verdiende dat niet, zoals de Nederlandse witwasformule luidt, de schoonheidsprijs.
Wanneer destijds een motie van afkeuring tegen Voorhoeves beleid was aangenomen en dus het optreden van Dutchbat, waarvoor hij verantwoordelijk was, openlijk veroordeeld was, zou Karremans niet bevorderd zijn, en zou ook de carrière van Van Baal al lang gebroken zijn.
Keer op keer wanneer Srebrenica en zijn nasleep aan de orde kwamen, heeft de volksvertegenwoordiging nagelaten een dergelijk negatief oordeel uit te spreken. Dat betekent, hoe bizar dat ook mag klinken, dat de volksvertegenwoordiging keer op keer vaststelde dat er geen ernstige, verwijtbare fouten zijn gemaakt. Dit hangt samen met de weigering van de volksvertegenwoordiging die ene fundamentele vraag te beantwoorden: hoe en waarom is Dutchbat in een situatie gebracht waarin het voor hen onmogelijk was hun taak, de bescherming van de moslimbevolking, naar behoren uit te voeren.
Dat is de vraag naar de politieke verantwoordelijkheid voor de uitzending van Dutchbat op een toen al door de secretaris-generaal van de VN als mission impossible omschreven expeditie, voor hun ontoereikende bewapening, voor de krakkemikkige bevelsstructuren bij Unprofor en bijvoorbeeld voor het weigeren van nadrukkelijk gevraagde luchtsteun.
Op 11 juli, de zwarte dag, reisde Van Baal in opdracht naar Zagreb om bij de VN-commandant te pleiten voor krachtige luchtsteun, diezelfde middag belde Voorhoeve naar diezelfde commandant met het verzoek daarvan af te zien, alleen om te horen dat dat verzoek al door de VN was afgewezen.
Bijna zes jaar lang al weet onze volksvertegenwoordiging die ene politieke vraag te ontwijken. In plaats van een parlementaire enquête, waarin de politieke verantwoordelijkheden duidelijk zouden kunnen worden en waarom de militairen vragen, koos de volksvertegenwoordiging voor een tijdrovend historisch onderzoek door het Niod.
Het is de vraag of dit onderzoek meer op tafel zal brengen dan nu al bekend is. Hoe dan ook kan dit historische onderzoek nooit de plaats innemen van een politiek eindoordeel, hoe graag sommige politici dat ook zouden willen.
Zolang dat politieke oordeel uitblijft, zal het spook van Srebrenica ons niet loslaten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.