*

 
dossier

Archief

Korten op studies nekt de samenleving

Antoine Miltenburg en Joep van den Broek − 09/11/02, 00:00

Hoe meer onderwijs studenten hebben genoten, hoe groter hun bijdrage later aan de economie. Efficiënter werken in het hoger onderwijs, oftewel bezuinigen, komt de samenleving dus niet ten goede.

In de Tweede Kamer worden dinsdag de voorgenomen bezuinigingen op het hoger onderwijs besproken. Die omvatten 358 miljoen euro over een looptijd van vier jaar.

Het voorgenomen beleid van staatssecretaris Nijs draait kort samengevat om het volgende: universiteiten en hogescholen moeten door samenwerking en specialisatie topopleidingen ontwikkelen die kunnen concurreren op de vrije wereldmarkt voor onderwijs en kennis. Op die manier kan verhoogde kennis zorgen voor grotere economische groei.

Om bovenstaande te realiseren met minder geld, kiest Nijs voor een bedrijfsmatige aanpak. Verder zet zij in op flexibele marktmechanismen die de student kunnen helpen zijn rechten als consument op te eisen (een systeem met vouchers om onderwijs in te kopen). Daarnaast zijn verdere ontplooiing in de trant van tweede of derde studies en studeren na je 30ste onwenselijk en niet efficiënt. Eén titel, bij voorkeur een nog betaalbare Bachelor, is genoeg om de arbeidsmarkt te bestormen. De trend van Nijs' stellingname is duidelijk: de wetten die voor een economie van goederen gelden, moeten ook gelden voor het goed onderwijs.

Er zijn echter nogal wat redenen waarom deze bedrijfsmatige aanpak en financiering het onderwijs niet past. In de eerste plaats komt onderwijs niet alleen de student maar de gehele samenleving ten goede. Niet alleen leidt een hogere opleiding tot een betere benutting van hulpbronnen en daarmee tot een hogere mate van economische groei en welvaart, het vergroot bovendien het sociale kapitaal; het maakt van studenten kritische burgers en leidt tot een stabielere democratie. Dit maakt onderwijs tot een publiek goed, dat zijn vruchten afwerpt in non-materiële zin en op de lange termijn.

Daarnaast is kennis geen product. Kennis is geen goed waarin een directe relatie bestaat van producent naar consument. Kennis ontstaat via interactie en samenwerking tussen docenten en studenten. Een student is geen product dat gevormd wordt door de kennis die er wordt ingestopt.

Ten derde is de scholier die een studiekeuze moet maken zeer onvolledig geïnformeerd. Hij of zij kan niet voorspellen of er werkgelegenheid is in de gekozen richting en welk salaris daarbij hoort. Scholieren zullen voor zekerheid kiezen. 'Direct-resultaat-studies' als economie, bedrijfskunde en rechten zullen de bovenhand voeren, terwijl studies die het algemeen belang en de langere termijn dienen naar de achtergrond verschuiven (zoals filosofie, geschiedenis en letteren).

Bovendien heeft een scholier niet altijd de mogelijkheden om voor het beste onderwijs te kiezen. Vanwege de grote huisvestingsproblematiek bijvoorbeeld wordt het merendeel van de scholieren gedwongen een studie dichtbij het ouderlijk huis te kiezen. Dit is een concreet voorbeeld van een 'marktimperfectie' die meer dan de helft van de studenten in Nederland treft.

Ten slotte wordt door alle bezuinigingsdrift het beeld gecreëerd dat de overheidsuitgaven aan onderwijs heel hoog zijn. Dit is een misverstand. De overheidsuitgaven zijn minder dan 2 procent van het BBP, waarmee we gezien de Oeso-norm zelfs buiten de subtop van Europa vallen. Ook de, tijdens de EU-top in Lissabon overeengekomen, norm van 3 procent van het BBP in 2010 is dus nog een heel eind uit zicht. Dus als we internationaal willen scoren met Topmasters moeten we vooral niet op zijn Hollands voor een dubbeltje op de eerste rij willen zitten.

De conclusie is dat de overheid snel haar verantwoordelijkheid moet nemen en richting moet geven waar het heen moet met het Nederlands onderwijs. Niet alleen in woord en geschrift maar gewoonweg met meer geld. Alleen dan zal Nederland een leidende positie op het gebied van kennis en onderwijs kunnen innemen en wordt de economische groei bevorderd.

mailIcon print |