*

 
dossier

Archief

Duurzaam duiken

door Jeannette van Ditzhuijzen − 23/02/02, 00:00

De Antillen waren er vroeg bij: 2002 is door de Verenigde Naties uitgeroepen tot jaar van duurzaam toerisme, maar Bonaire en Curaçao begonnen daar een jaar geleden al mee. In samenwerking met de ANWB stimuleren ze toeristen en de toeristenindustrie zorgvuldig met de natuur op de eilanden om te gaan.

Duurzaamheid heet de nieuwste trend in de toeristenindustrie. De Verenigde Naties hebben er zelfs een heel jaar aan opgehangen: 2002 als 'jaar van het duurzaam toerisme'. Waarom? Omdat langzamerhand doordringt dat eindeloze stromen toeristen voor sommige vakantiebestemmingen wel eens te veel kunnen worden. Hoe populairder een (ei)land, hoe minder er van de aanvankelijke rust en ongereptheid overblijft. Bovendien heeft de lokale bevolking vaak het nakijken, omdat buitenlandse concerns de vakantie-industrie maar wat graag overnemen.

Op de Antillen, waar toerisme nog niet zo allesoverheersend is als op Aruba, wilden ze de neergang van natuur en cultuur als gevolg van het toerisme vóór zijn. Met de nota 'duurzaam toerisme' gaf de overheid in 1998 aan toeristen te verwelkomen, maar niet ten koste van natuur en milieu. Want zonder fraaie natuur hebben de eilanden (op de Curaçaose architectuur na) weinig te bieden.

Toevalligerwijs zat de ANWB in Nederland tezelfdertijd te bedenken hoe je toeristen en touroperators ervan bewust kunt maken dat er niet eindeloos van de natuur geplukt kan worden zonder iets terug te doen. ,,De ANWB is een belangenbehartiger van toeristen'', legt Martine van der Zee (ANWB) uit. ,,Wij vinden het belangrijk dat er iets aan de mondiale bedreiging van natuurschoon wordt gedaan. De keus voor een proefproject 'duurzaam toerisme' viel op de Antillen, omdat de eilanden zich als duurzame bestemming willen profileren.''

Mario Kleinmoedig van het Antilliaanse departement van volksgezondheid en milieuhygiëne (Vomil) vertelt dat het er in eerste instantie om ging de toerist vriendelijk voor natuur en milieu te laten zijn. ,,Daar kwam later bij dat zo'n project als drukmiddel te gebruiken is om het milieumanagement te verbeteren bij hotels, duikscholen en aanbieders van toeristische bezienswaardigheden. Want voorwaarde voor deelname is onder meer een milieubewust beleid; te denken valt aan hergebruik van afvalwater voor bijvoorbeeld de groenvoorzieningen en zuinig omspringen met elektra. Verder dienen deelnemers uiteraard respectvol om te gaan met de natuur en dit te stimuleren bij personeel en gasten.'' De KLM doet ook mee. Toonde haar voorlichtingsfilm aan boord vroeger beelden van koraalverpestende jetskiërs, tegenwoordig wordt de reiziger erop geattendeerd vooral zorgzaam met de lokale natuur om te gaan.

Duikpenningen

De meeste duikscholen nemen deel aan het Antillenproject en beloven daarmee de duikers te wijzen op een goede omgang met de onderwaternatuur. Ook ondersteuning van de vrijwillige duikpenningen behoort tot de eisen voor deelname. Althans op Curaçao. Op Bonaire zijn duikers en snorkelaars al sinds jaar en dag verplicht een duikpenning aan te schaffen. Van de opbrengst van deze 'duikbelasting' worden varende parkrangers betaald, die toezicht houden op de parkregels. Omdat de Curaçaose politiek laks is, heeft het eilandelijke onderwaterpark daar nog steeds geen wettelijke basis. Dus zijn enkele enthousiastelingen begonnen met de uitgifte van penningen die vrijwillig aangeschaft kunnen worden. Maar dat loopt nog niet zo lekker; vooral omdat niemand precies weet wie de centen beheert en wat er eigenlijk mee gebeurt.

Boven water doen enkele bezienswaardigheden en een paar hotels mee. Maar hét voorbeeld van duurzaam toerisme is een eco-resort in aanbouw: Plantages PortoMari. Behoud, herstel en gebruik van de natuur staan voorop bij deze voormalige plantage aan de zuidkust. Chester Rouse, een Statiaan, is de bevlogen beheerder van het 600 hectare grote terrein. Slechts vijf procent wordt straks bebouwd, vertelt hij. Met kleine huisjes die zoveel mogelijk zelfvoorzienend zijn: eigen elektriciteit uit zon en wind en eigen water. Daarvoor zijn onlangs de oude dammen hersteld. In de plantagetijd werden deze aangelegd om het schaarse regenwater op te vangen. Dat gebeurt nu weer en Rouse hoopt daarmee straks de landbouwgronden te bevloeien. Want 15 procent van het terrein is gereserveerd voor de teelt van groentes, zodat de toeristen voor (een deel van) hun voedsel evenmin afhankelijk zijn van externe aanvoer. Rouse heeft er alle vertrouwen in dat landbouw op Curaçao's schrale bodem gaat lukken. ,,Je moet de natuur gewoon teruggeven wat je eruit haalt'', doceert hij en wijst op stapels snoeihout. ,,Die gaan de versnipperaar in om daarna de grond te verrijken.''

Zeedruif

Het strand - zonder uitheemse palmen maar met schaduw van de lokale zeedruif - is inmiddels opengesteld voor publiek. Verder zijn op initiatief van Uniek Curaçao op de plantage enkele wandelingen uitgezet. Deze stichting probeert toeristen en Antillianen bewust te maken van de schoonheid van het eiland door natuurgebieden toegankelijk te maken. Onlangs gaven ze een fraaie gids met wandelroutes uit, waarin zelfs verstokte Curaçaoënaars een scala aan nieuwe recreatiemogelijkheden vinden.

Met al deze activiteiten hebben de eilanden inderdaad de potentie om een 'duurzame bestemming' te worden. Minpuntje is dat voorlopig alleen toeristen van Holland International en Arke geconfronteerd worden met dit ANWB-project. Voor hen is er na aankomst een folder met de do's and don'ts van duurzaam toerisme. Deze folders horen ook bij de aangesloten bedrijven te liggen - zodat lle toeristen er kennis van kunnen nemen - maar daaraan schort het nogal eens. Ook de certificaten met regels voor milieuvriendelijk toerisme hangen niet overal even prominent. Maar dat wordt nu allemaal geïnventariseerd, vertelt Kleinmoedig, en uiteindelijk verbeterd, zo is de bedoeling.

Intussen probeert de ANWB het aantal touroperators uit te breiden en contacten te leggen met duikorganisaties die duikreizen organiseren. Maar aan het eind van dit jaar trekt ze zich terug; tot verdriet van Vomil, want volgens Kleinmoedig is het moeilijk om vanuit de West de Nederlandse touroperators te bereiken. ,,Daarvoor heb je een Nederlandse poot nodig. Maar we gaan hier wel gewoon door. We willen het project zelfs uitbreiden naar niet-Nederlandse en lokale toeristen. Dit is nog maar een eerste stap.''

mailIcon print |