*

 
dossier

Archief

Een late zucht naar heroïek

door Gielt Algra − 09/11/02, 00:00

Dutchbat is met de handen op de rug gebonden naar Srebrenica gestuurd. Toen het vervolgens op een fiasco uitdraaide, eisten Mient Jan Faber, Ronald Giphart en Peter van Walsum alsnog het onmogelijke van de militairen. Volgens Gielt Algra van het Veteraneninstituut komen de verwijten aan Dutchbat voort 'uit een wel heel diepe leunstoel'.

In beschouwingen over de val van Srebrenica wordt vaak gesuggereerd dat de Nederlandse militairen zich daar heldhaftiger hadden moeten gedragen. Steeds weer wordt het Dutchbat-bataljon verweten het gevecht niet te zijn aangegaan. Dit staat in schril contrast met de beperkte mogelijkheden die veel militairen hebben ondervonden. Die militairen ervaren deze suggesties daarom als buitengewoon krenkend.

Toch heeft het ministerie van Defensie tot dusver niet gereageerd. Eerst werd het Niod-rapport afgewacht en daarna is het wachten op de parlementaire enquête. Veel militairen en ex-militairen voelen zich door dit stilzwijgen van het ministerie in de steek gelaten. Ze wachten op een antwoord dat recht doet aan de precaire situatie in de gebieden waar zij de vrede moesten bewaren.

De morele veroordeling van Dutchbat komt in een ander licht te staan wanneer we er historisch vergelijkingsmateriaal bij betrekken en bijvoorbeeld eens kijken naar de dramatische gebeurtenissen in 1982 in Libanon. Toen trokken twee zwaarbewapende Israëlische divisies het gebied binnen dat door Unifil werd beschermd. Door de opmars van de Israëliërs naar Beiroet zagen Libanese falangisten hun kans schoon om een massaslachting aan te richten in de Palestijnse vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Duidelijk is dat Unifil - en het Dutchbat dat daar toen deel van uitmaakte - met zijn mandaat en beschikbare materiaal hiertegen niet veel kon uitrichten. Als het Srebrenica-bataljon medeverantwoordelijk zou zijn voor de slachting na de val van de enclave, zouden de ex-Unifil-militairen zich dan ook verantwoordelijk moeten voelen voor het bloedbad in Sabra en Shatila?

Srebrenica is niet de enige Nederlandse militaire operatie die niet heeft geleid tot het beoogde doel. Zo dringt zich de vergelijking met Nieuw-Guinea op. Menige Nieuw-Guineaveteraan heeft het gevoel dat de plaatselijke Papoea-bevolking uiteindelijk door Nederland in de steek is gelaten. Achteraf weten we dat het een internationaal politiek steekspel was met dimensies die veel verder gingen dan de vooral moreel getinte overtuiging van de militairen die op deze missie gestuurd werden. Die morele overtuiging werd overigens onmiskenbaar gevoed door de toenmalige regering, wat het schuldgevoel bij de veteranen in stand heeft gehouden.

In de Nederlandse meningsvorming lijkt de val van Srebrenica soms een geïsoleerde gebeurtenis. Buitenlandse beschouwingen hebben vaak een ruimer perspectief. Navo-woordvoerder Jamie Shea ziet de situatie waarin het Westen vanaf 1993 verzeild was geraakt als een 'bridge over the River Kwai syndrome': 'In die film die zich afspeelt in Birma tijdens de Tweede Wereldoorlog, bouwen krijgsgevangen Britse officieren een brug voor de Japanners, die ze vervolgens weigeren op te blazen. Net zo werd de Britse aanwezigheid in Bosnië steeds meer bepaald door de noodzaak de Serviërs te gerieven, talloze kleine en verzwakkende compromissen in stand te houden, uit angst dat anders het humanitaire streven volledig in zou storten en gevolgd zou worden door een nog veel groter bloedvergieten. Het was een logica die volledig werd bepaald door de microkosmos van de situatie.' Bij het zoeken naar verklaringen voor de val van de enclave moet je rekening houden met deze context. In de Nederlandse berichtgeving wordt voor de situatie die Shea beschrijft vaak het woord 'doormodderen' gebruikt, een term die de complexiteit van die situatie in de verste verte niet benadert.

Buitenlandse commentaren maken vaak met ongeloof melding van de politieke consequenties van het Niod-rapport: het aftreden van de regering en het aftreden van generaal Van Baal. In een artikel in Die Welt (26-8-2002) met de kop 'Holland ist überall' vraagt Ian Buruma zich af hoe het mogelijk is dat Nederland überhaupt in Srebrenica terechtgekomen is. Hij zoekt het antwoord in de neiging van Nederland zichzelf te zien als gidsland in de internationale gemeenschap. Een positie die overigens niet alleen Nederland inneemt. Volgens Buruma bevat 'het treurige sprookje van de Hollandse goede bedoelingen' lessen die de grenzen van Nederland ver te buiten gaan. De kern is dat heel Europa sterk neutralistisch geworden is en vindt dat zijn macht en trots moeten liggen op economisch of cultureel gebied, maar niet meer op oorlogsgebied: 'De Hollanders werden op de vingers getikt, maar voor de massaslachting van Srebrenica zijn in werkelijkheid alle Europeanen verantwoordelijk. Want wanneer je tegenover moordenaars staat, voldoen goede bedoelingen niet meer.'

Ook Madeleine Bunting in The Guardian (18-4-2002) meent dat niet de Nederlanders fout zaten in Srebrenica, maar de wereld. De Nederlandse regering viel volgens haar alleen naïviteit te verwijten. Ze noemt het 'ironisch' dat de morele verontwaardiging die Dutchbat in Srebrenica deed belanden, veel gemeen heeft met de verontwaardiging die nu leidt tot zoveel aftredens: 'De heksenjacht is een manier geworden om boete te doen voor het nationale schuldgevoel. Wat verbrijzeld werd in Srebrenica, was het trotse geloof van Nederland in zijn nagenoeg onovertroffen internationalisme: een van de grootste budgetten voor ontwikkelingshulp ter wereld en een lange geschiedenis van vredeshandhaving. De aftredens werden een middel om die morele superioriteit te herwinnen door de schuld van de internationale gemeenschap op zich te laden. In elke andere politieke cultuur zou dit nergens op slaan. Is dit de erfenis van een Nederlands-calvinistische nadruk op morele zuiverheid? Of, wat nog waarschijnlijker is, zijn hier schaduwen te ontwaren van de Tweede Wereldoorlog?'

Deze buitenlandse beschouwingen dringen dieper door in de betekenis van het drama van Srebrenica voor Nederland dan de beschouwingen in eigen land. Hier blijft men hameren op de mogelijkheid dat de Serviërs zouden zijn teruggeschrokken als Dutchbat het gevecht in Srebrenica was aangegaan. Deze redenering gaat veel militairen en veteranen door merg en been, omdat ze voorbijgaat aan de uitgangspunten die golden op het moment van uitzending. Die uitgangspunten zijn voor veel soldaten de reden geweest om voor het met vredestaken aangeklede militaire vak te kiezen en zich voor uitzendingen te melden. De opdracht was toe te zien op een vredessituatie met een beperkt mandaat. De uitrusting en de instructies over het gebruik van geweld waren hieraan aangepast en zouden naar verwachting afdoende zijn. Dit zogenaamde 'blauwe optreden' wordt nu achteraf verweten niet 'groen' te zijn geweest.

Het gebrek aan werkelijkheidszin dat uit dit verwijt spreekt, valt misschien te verklaren met de opmerking die Jamie Shea maakte tijdens een lezing op 23 april jl. Shea zei dat het tegenwoordig moeilijker is dan vroeger om bij journalisten begrip te vinden voor typisch militaire situaties. De meeste journalisten doen immers de ene keer verslag van een conferentie over het broeikaseffect en zitten de volgende keer bij een briefing over de Kosovo-luchtoorlog. De hoofdredacteuren van Trouw en de Volkskrant roerden dit probleem aan toen zij na het verschijnen van het Niod-rapport opriepen tot zelfkritiek. Als voorzitter van het Genootschap van Hoofdredacteuren karakteriseerde Pieter Broertjes van de Volkskrant op 19 april de berichtgeving over Srebrenica als gemakzuchtig en provinciaal: 'Wij hebben een tamelijk stereotiep, versimpeld beeld geschapen van het Bosnische conflict en van de Nederlandse betrokkenheid.' Broertjes citeert met instemming het Niod-rapport dat spreekt van 'te veel moraal, te weinig feiten, te veel standpunten, te weinig analyse en te veel emotie'. Het gebrek aan journalistieke deskundigheid wijst mogelijk op een maatschappelijke verandering die de Amerikaanse militair-socioloog Charles Moskos de 'de-militarisation of society' heeft genoemd.

'De enclave viel, vele duizenden mensen zijn vermoord of officieel nog vermist, en Dutchbat ondernam geen serieuze poging om levens te redden.'

Zo oordeelde Ronald Giphart over de inspanningen van Dutchbat, in een oproep van 11 juli 2000 die veel dagbladen publiceerden en veel schrijvers en publicisten hadden ondertekend. Wie ook maar een van de vele verhalen van de Dutchbatters gelezen heeft over hun pogingen in elk geval de gewonden te redden en wat zij daarbij meegemaakt hebben, kan alleen maar bedroefd zijn over de resultaten. Maar Ronald Giphart en alle andere ondertekenaars, van Lydia Rood tot Freek de Jonge, past het schaamrood.

Ook NRC-verslaggever Peter Michielsen verwijt Dutchbat een te passief optreden. Door geen open gevecht aan te gaan, verspeelt het bataljon de kans om de mannen van Srebrenica te redden. Op 19 april 2002 schrijft hij: 'De Bosnische Serviërs hebben altijd hun uiterste best gedaan geen slachtoffers te maken aan de kant van de blauwhelmen. Die werden bestolen en getreiterd, geprovoceerd en geminacht, beschoten en dwarsgezeten, maar gedood werden ze niet omdat dat luchtacties van de NAVO zou betekenen. Als er blauwhelmen sneuvelden door Servische hand dan was dat onbedoeld. In de hele Bosnische oorlog was het tót het Srebrenica-drama maar één keer (op 27 mei in Sarajewo) tot een open gevecht gekomen tussen de Serviërs en de blauwhelmen.'

Met de laatste zin ontkracht Michielsen zijn betoog. Het betrof hier een openlijk gevecht van de Serviërs met de Franse blauwhelmen. De Serviërs bleken dus wel degelijk een gevecht aan te durven met een zelfs geduchtere politieke en militaire tegenstander dan de Nederlanders. Maar ook onder de Nederlanders hebben de Serviërs wel degelijk slachtoffers gemaakt, en echt niet onbedoeld. Soldaat Jeffrey Broere werd gedood met een artilleriebeschieting en sergeant Pieter van Wesel en soldaat Gaby van Loon raakten zwaar gewond toen hun pantserrupsvoertuig werd getroffen door een antitankgranaat.

In elk geval was de Britse onderofficier van de SAS-commando's, die ingedeeld was bij Dutchbat er zeker van dat hij omgebracht zou worden als hij en zijn Nederlandse en Britse collega's in de handen van de Serviërs zouden vallen. 'Als we, met onze uitrusting, gevangen waren genomen door de Serviërs, zouden we ter plekke gedood zijn', schreef hij in de Sunday Times van 21 juli jl.

In hetzelfde stuk beschrijft hij de onhoudbaarheid van de militaire situatie op de compound in Srebrenica na het instorten van het verzet in de enclave. Tot zijn eigen verbazing moet deze ervaren en deskundige militair weer in contact treden met Sarajevo om ook in die hopeloze situatie de luchtaanvallen te dirigeren. Door de radio schreeuwt hij ('in uiterste wanhoop'): 'Het is afgelopen - de enclave is gevallen'. 'Ik vertelde Sarajevo dat we nu een verschrikkelijke behoefte hadden aan voedsel, water en medicijnen.'

Tegen die achtergrond getuigt het van weinig kennis van zaken om te blijven denken in militair strategische opties. Het niet kiezen voor de militaire optie om zich in de compound als een soort 'last stand' te verzetten, wordt nog betreurd in de NRC van 12 juli 2000. Het IKV verwijt Dutchbat zelfs dat het de compound niet als een soort ambassadeterrein heeft afgeschermd van de Serviërs. Het schrille contrast met de observaties van de SAS-onderofficier en met de omstandigheden op de compound onder de burgerbevolking, zoals beschreven in het Niod-rapport, doet vermoeden dat deze oordelen wel uit een heel diepe leunstoel zijn voortgekomen.

In het NRC-hoofdartikel van 12 juli 2000 staat: 'Natuurlijk was het heroïscher geweest als Dutchbat een laatste poging had gedaan de moslimbevolking van het naderende onheil af te schermen.' Dit is in feite waar elk verwijt aan Dutchbat om draait: de zucht naar heroïek. Hoe lang is het geleden dat het nog als misdadig werd beschouwd dat in 1940 Nederlandse soldaten slecht uitgerust en slecht geoefend de Grebbeberg werden opgestuurd? Zich dood moesten vechten omwille van de zucht naar heroïek van de Mient Jan Fabers, de Gipharts en de intellectuele schrijvende pers van toen. Mag dat weer vandaag de dag? Wat nu als dat geweigerd wordt? Moeten we opnieuw deserteurs gaan executeren? Tijdens de Falkland-oorlog kregen Britse militairen, na herhaalde pogingen met omtrekkende bewegingen een Argentijnse stelling uit te schakelen, de opdracht het nog één keer te proberen en als dat niet lukte zouden ze er domweg op losstormen. De bevelvoerende commandant kreeg hierop van zijn manschappen te verstaan dat dit niet 'the fucking First World War' was.

Maar ook Peter van Walsum, voormalig directeur-generaal politieke zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken en voormalig permanent vertegenwoordiger bij de Verenigde Naties, wil nog altijd helden zien. In de NRC van 11 april 2002 verdedigt hij de stelling 'dat het op politiek-psychologisch niveau niet ondenkbaar was dat Mladic zou zijn teruggeschrokken voor een gevecht waarin aan UNPROFOR kant slachtoffers zouden zijn gevallen.' Elke Dutchbatter weet dat het politiek-psychologisch nog beter had gewerkt wanneer Dutchbat daar met een paar eskadrons Leopards, een batterij houwitsers en wat rondvliegende gevechtshelikopters had gestaan. Met dat materiaal heb je geoefend, daar heb je vertrouwen in en je weet dat een tegenstander zich twee keer achter de oren zal krabben voor hij daarmee het gevecht aangaat. Tot voor kort mocht je daar ook op rekenen als militair. Het lijkt er nu op dat we als samenleving een bataljon mogen uitsturen met de handen op de rug gebonden om aan een onzeker militair avontuur te beginnen, zonder dat te beseffen. Draait het vervolgens op een fiasco uit dan vraagt de samenleving alsnog het uiterste van haar militairen, om eigen gezichtsverlies te voorkomen.

Nederland heeft een vrijwilligerskrijgsmacht. Militairen worden weer uitgezonden op vredesmissies. De opofferingen die Van Walsum en het IKV van de manschappen verwachten en de kwistigheid waarmee zij willen omspringen met hun levens zijn funest voor het enthousiasme om zich aan te melden bij de krijgsmacht. Dan zullen we tragedies zoals in Srebrenica zelf niet meer meemaken. Want het betekent het einde van de krijgsmacht.

mailIcon print |