*

 
dossier

Archief

Kabinet-Kok respecteert Kamer met vroege val

Willem Aantjes − 20/04/02, 00:00

Het kabinet-Kok heeft met het vroege aftreden vorige week laten zien het parlement serieus te nemen. Het is niet zo dat het eerst een debat met de Kamer had moeten voeren. Een ander scenario dan het kabinet hanteerde, was uit democratisch oogpunt niet beter geweest.

Bij alle breed geuite waardering voor de verklaring waarmee premier Kok het aftreden van het kabinet bekend maakte en motiveerde, zijn er toch ook vraagtekens geplaatst bij de gevolgde procedure. Dit is begrijpelijk, want de wijze waarop dit kabinet ten val is gekomen is uniek.

Er was geen conflict met de Kamer, dat was althans niet gebleken. Het had ook niet kunnen blijken, want aan het besluit tot aftreden was geen kamerdebat vooraf gegaan. Er was ook geen conflict met een van de coalitiepartners waardoor de politieke basis aan het kabinet zou zijn ontvallen. Ook was er geen conflict van een coalitiefractie met een van haar geestverwante ministers. Evenmin was er een intern conflict binnen het kabinet (als men de oprispingen van Pronk buiten beschouwing laat). Van al deze gevallen zijn in de parlementaire geschiedenis voorbeelden aan te wijzen, die tot de val van een kabinet hebben geleid. Geen van deze gevallen deed zich hier voor. Ook was er niet na verkiezingen een nieuwe parlementaire periode aangebroken, waarbij volgens vast gebruik het zittende kabinet zijn ontslag aanbiedt.

De reden waarom het laatste kabinet-Kok tot aftreden besloot is een unicum in de parlementaire historie. Het is dus niet verwonderlijk, dat er vraagtekens bij werden geplaatst, niet alleen omdat het niet eerder is vertoond maar ook en waarschijnlijk vooral omdat er precedentwerking van zou kunnen uitgaan. Weinig begrippen kunnen in de politiek zoveel stekels overeind zetten als het begrip precedent. De beslissing op zich is misschien nog wel begrijpelijk, maar zal zij in de toekomst geen navolging ondervinden? Wordt hier geen nieuwe parlementaire geschiedenis geschreven, waardoor met een beroep op het recente gebeuren ook in de toekomst kabinetten tot hun aftreden kunnen besluiten zonder dat er een parlementair debat is geweest? Zal de wijze van aftreden van het laatste kabinet-Kok op termijn niet leiden tot een verdere uitholling van de toch al zo aangetaste positie van het parlement?

Het zijn allemaal zeer terechte vragen, die het stuk voor stuk waard zijn ernstig te worden genomen. Niettemin ben ik van mening, dat het kabinet een terechte beslissing heeft genomen. De rechtvaardiging ligt in een afweging, die aan iedere politieke beslissing ten grondslag behoort te liggen, namelijk een afweging tegen de mogelijke of beschikbare alternatieven. Dit geldt voor een wetsontwerp tot gemeentelijke herindeling, maar evenzeer voor euthanasie-, abortus- en huwelijkswetgeving. Het geldt ook voor het optreden en aftreden van een kabinet. Zelden is het de vraag of een beslissing op zichzelf goed is, maar meestal of zij in de afweging tegen de mogelijke alternatieven de minst slechte is. Wie die afweging niet wil maken en daaruit de consequenties trekt, verdient alle respect maar moet niet voor de politieke katheder kiezen maar voor de kansel.

Wat waren de alternatieven geweest voor Kok en de zijnen? Hij had ervoor kunnen kiezen voor de Kamer te verschijnen, daar een verklaring afleggen over het regeringsstandpunt inzake het Niod-rapport, het parlementaire debat aangaan en aan de hand van de uitkomsten van dat debat zijn politieke conclusies kunnen trekken. Stel dat dit debat was uitgemond in een (aangenomen) kamermotie waarin het regeringsbeleid zou zijn afgekeurd. Dan zou het kabinet zijn afgetreden. Het zou niet zijn weggegaan maar weggestuurd. Zo'n motie zou echter geen andere conclusie hebben bevat dan die de regering ook zelf al had getrokken. Zo'n debat zou een schijnvertoning zijn geweest. Aan het kabinet zou terecht zijn verweten daar aan te hebben meegewerkt. Bepaald geen dienst aan zuivere politieke verhoudingen dus.

Nog erger zou zijn geweest, als het kamerdebat niet in een motie van afkeuring zou zijn geƫindigd. Logisch zou zijn, dat het kabinet dan zou zijn aangebleven maar dan wel op grond van een impliciete goedkeuring van het beleid waarvan het voor zichzelf al tot de conclusie was gekomen dat het gefaald had. De onwaarachtigheid ten top. Als het kabinet dan op grond van de eigen overtuiging toch alsnog aftreedt, zou het kamerdebat echt een farce zijn geweest.

Theoretisch zou het ook nog mogelijk zijn geweest, dat de regering in de Kamer een verklaring zou hebben afgelegd over haar eigen standpunt, om vervolgens schorsing van de beraadslagingen te vragen. Aan iedereen zou duidelijk zijn geweest, dat die schorsing er alleen maar toe zou dienen om de minister-president in de gelegenheid te stellen zich bij het staatshoofd te vervoegen teneinde het ontslag van zijn kabinet aan te bieden. Het daarna met de Kamer te voeren debat zou het echter evenzeer in demissionaire staat hebben moeten voeren als nu. Een weinig waardige procedure in de verhouding tussen regering en parlement.

In de afweging van de alternatieven heeft het kabinet dan ook terecht de conclusie getrokken, dat zijn eigen oordeel over het gevoerde beleid tot zijn ontslagname diende te leiden, ook voordat het kamerdebat was gevoerd. In de gegeven situatie getuigt dit niet van miskenning van de positie van het parlement maar veeleer van respect ervoor. Volgende kabinetten dienen zich echter wel te realiseren, dat dit niet een vrijbrief oplevert om op vergelijkbare wijze te handelen. Iedere situatie behoeft en verdient haar eigen afweging en dus ook haar eigen conclusie.

mailIcon print |