Moet het Nederlands voetbalelftal in de zomer van 1952 wel meedoen aan de Olympische Spelen van Helsinki? Twee maanden voor het begin van dat evenement stellen de leiders van de KNVB zich die vraag. Er is sprake van grote twijfels, want Oranje zit in de put. Schrijven we in, dan doen we eigenlijk mee met het tweede van Nederland. Vijftig jaar later is in het Nationaal Sportmuseum Olympion te Lelystad een Finse expositie over de Spelen van Helsinki te zien. Ook aan het Nederlands elftal van die dagen is aandacht besteed.
De beste voetballers van Nederland zijn sinds 1949 in snel tempo naar de profcompetities van Frankrijk, Italië en Duitsland vertrokken. Wie we zoal hebben verloren: Faas Wilkes aan Inter Mi laan, Kees Rijvers aan St. Etienne, Frans de Munck aan 1. FC Köln, Cor van der Hart aan Lille, Piet Steenbergen en Arie de Vroet aan Le Havre, Bram Appel aan Stade de Reims, André Roosenburg aan Fiorentina, Theo Timmermans aan
N & ICIRC;mes, Rinus Schaap aan Racing Paris, Gerrie Vreeken en Jan van Geen aan Nantes, Bertus de Harder en Joop de Kubber aan Bordeaux en Fred Röhrig aan Rot-Weiss Essen. Oranje moet het voortaan doen met spelers van de tweede en derde categorie, want profs mogen niet voor het Nederlands elftal spelen.
Nadat Faas Wilkes in de zomer van 1949 voor een droomcontract in Italië heeft gekozen, speelt het Nederlands elftal tot aan de Spelen van Helsinki nog veertien interlands. De amateur-internationals kunnen die last niet dragen: elf nederlagen, twee keer een gelijkspel en welgeteld één overwinning. We verliezen van alles en iedereen, zelfs met ruime cijfers van Finland, Noorwegen en Zwitserland. Geen wonder dus dat de KNVB lang aarzelt over de reis naar Helsinki. In de voorbereiding komt de Oranje-selectie zelfs niet verder dan een moeizame 3-3 tegen de nationale ploeg van de Nederlandse Antillen, met de reusachtige doelman Hato tussen de palen. Maar goed, wegblijven staat ook zo raar. Een verdienstelijk gelijkspelletje tegen Zweden (0-0) doet de bondsbonzen uiteindelijk besluiten toch maar een Nederlands elftal naar Finland af te vaardigen.
De belangrijkste Nederlandse voetballer die dan nog trouw gebleven is aan de amateurstatus, Abe Lenstra, doet helaas niet mee. Het Friese fenomeen is van oordeel dat de leden van de Keuze Commissie sukkels zijn. Volgens Abe is het zo eenvoudig als wat: hij is een geboren linksbinnen. Dat hij in Oranje af en toe rechtsbinnen moet spelen is nog tot daar aan toe, maar Keuzeheren als Rat Verlegh en Harry Mommers (internationals uit de jaren twintig) zien in hem ook gewoon een midvoor, een rechtsbuiten of een linksbuiten. Abe heeft geen zin meer in nieuwe discussies en gaat in Friesland vissen.
Hoewel voor de eerste ronde meteen al tegen Brazilië is geloot (een ploeg die uit studenten bestaat, zo wordt beweerd, maar de Nederlandse journalisten geloven er niks van - het zijn gewoon verkapte profs) stuurt de KNVB maar liefst zeventien spelers naar het hoge noorden. Doorgaans wordt de selectie beperkt tot vijftien man, maar wie weet, misschien krijgen de jongens van Oranje ineens de geest. Niet dus. In Turku is Brazilië drie klassen beter. Souplesse contra poldervoetballers. Techniek tegenover brede schouders. Kortom, 5-1.
Maar denk niet dat het Hollandse journaille veel waardering heeft voor die vreemdelingen uit Zuid-Amerika. Voetballers van verre - daar heeft de beroemdste voetbaljournalist van het land, ir. Ad van Emmenes, in 1928 tijdens de Olympische Spelen van Amsterdam al enige moeite mee. Uruguay heeft dan de kleurling José Andrade als grootste attractie in de ploeg en dat is bepaald een kwestie van wennen voor De Voetbalprofessor. 'Andrade behield zelfs in de regen zijn kleur, en dus bewees hij onomstotelijk de deugdelijkheid van zijn negerschap. De tribune heeft zich er bovendien van kunnen overtuigen, dat zijn gehele lichaam zwart is; hij achtte het namelijk gewenst om van broekje te wisselen.'
Een Duitse collega van Van Emmenes, Franz Richter van het weekblad Fussball, maakt het nog iets gekker. Hij heeft met verbazing naar het kopwerk van Andrade zitten kijken en schrijft: 'Negers schijnen schedels als kokosnoten te hebben'.
Voor dit genre kiest ook de beroemde Dick van Rijn na het pak slaag in Turku. Waar Van Emmenes dit keer alleen even rept over 'komedie-achtige taferelen' van de Brazilianen, heeft de overtuigde vaderlander Van Rijn zich werkelijk dood zitten ergeren. De gymleraar-radioverslaggever-boekenschrijver is in zijn boekje 'Oranje voetbal' van oordeel dat die rare mannetjes uit Brazilië onze eerlijke jongens zwaar van streek hebben gebracht. Dik geeft overigens eerst onze midvoor Jan van Roessel nog een compliment. Want: 'Jan heeft weerstand kunnen bieden aan de met 100 000 gulden rammelende profduivels uit Italië!'
Vervolgens wordt het nuchtere, zakelijke voetbal van Oranje geprezen, er wordt door Dick gejubeld bij de 1-0 door Jan van Roessel, maar hierna gaan die 'Zuid-Amerikaantjes' toch lullig doen! 'Van venijnige charging waren ze zeker niet afkerig. En na het fluitsignaal speelde men dan de vermoorde onschuld. Gevoel voor 'show' hadden ze ook. Met de Finse vlag kwamen ze het veld op en ze gaven de Finse meiskes bloemen!'
Maar het ergste is volgens de teleurgestelde reporter toch wel te zien na de goals. 'De schutter liep dan met hoog geheven armen over het veld, achtervolgd door een horde juichende medespelers. Even later werd hij door deze spelerslawine bedolven en na heel veel accoladen en andere omhelzingen, mocht de verfomfaaide goalgetter zijn plaats in het veld weer innemen. De Nederlandse ploeg raakte door dit vreemde huldebetoon helemaal uit het lood!'
Collega Klaas Peereboom, de auteur van het Olympisch Logboek 1952, denkt er al net zo over. 'Misschien had Wim Landman onder de lat het vuur van de wedstrijd beter aangekund dan Piet Kraak, die wel heel balorig naar het geknuffel en het gezoen van die koffiekleurige jongens stond te kijken.'
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.