*

 
dossier

Archief

Couzy nieuwe kop van Jut

Cees van der Laan en Teun Lagas − 29/11/02, 00:00

Drie weken lang verhoorde de parlementaire enquêtecommissie Srebrenica de hoofdrolspelers in dit drama rond de moslimenclave. In de verhoren moest vooral oud-bevelhebber Couzy het ontgelden. Is hij de kwade genius achter de 'onwil' van de Koninklijke Landmacht?

Zijn haar grijzer dan bij zijn laatste publieke optreden van twee jaar geleden, maar even correct en omstandig als altijd, stond VVD'er Joris Voorhoeve de enquêtecommissie twee middagen te woord. Met een ietwat gekwelde blik in zijn ogen kon het huidige lid van de Raad van State zijn ergernissen over oud-bevelhebber Couzy van zich afpraten. Die was de hoofdverdachte achter de onwil van de landmacht om de minister adequaat te informeren over het functioneren van Dutchbat, meende Voorhoeve.

Het was dan ook niet meer dan logisch geweest als hij de generaal toen de laan had uitgestuurd. Toch deed de minister dat niet. Dat zou juridische problemen opleveren en oproer in de landmacht veroorzaken. Bovendien had hij Couzy nodig om de landmacht te moderniseren. De generaal kon dat als geen ander.

Deze motieven om Couzy in het zadel te laten zitten tekenen de zwakte van minister Voorhoeve. Hij had geen grip op zijn departement, laat staan gezag. Voorhoeve was de machteloze kapitein van een op drift geraakt schip. Collega-minister H.A.F.M.O. van Mierlo (buitenlandse zaken) schetste dat fijntjes in zijn verhoor voor de commissie. ,,Voorhoeve dacht in buitenlands politieke termen. Hij dacht heel anders dan zijn departement. Hij zat daar heel moeilijk. Hij moest zijn departement gaan veroveren, terwijl bovendien zijn partij een andere mening had.''

Hij was platgezegd de verkeerde man op de verkeerde plaats toen het erop aankwam. Voorhoeve kwam van het Instituut voor Vredesvraagstukken Clingendael toen hij minister werd. De professor internationaal beleid is altijd voor militair ingrijpen geweest op de Balkan maar van militaire zaken en hiërarchie had hij geen kaas gegeten. Couzy ergerde zich daar wild aan, vertelde hij de commissie. ,,De minister was geneigd degene die het dichtstbij hem in de buurt zat een opdracht door te laten geven. Dan kwam er weer iemand van algemene beleidszaken of van voorlichting of van de juridische afdeling bij ons langs, terwijl de opdracht gewoon via de chef defensiestaf aan ons verstrekt moest worden. Dat gaf moeilijkheden.''

Een generaal gaat dan op zijn strepen staan. Verzoeken en bevelen lopen via de hiërarchische lijnen. Zo zijn militairen opgeleid. Ondergeschiktheid is de ziel van de krijgsmacht. Voorhoeve voelde ook de situatie in Dutchbat niet goed aan. De jongens en meisjes die de 'dood in de ogen hadden gekeken' en zes maanden lang in Srebrenica afgeknepen waren geweest, mochten van de minister na aankomst in Zagreb niet meer dan twee biertjes drinken. Ook dat irriteerde Couzy die trots was op zijn militairen en begrip had voor een glaasje extra.

Waar twee kijven hebben er twee schuld, maar in drie weken verhoren kreeg de gepensioneerde generaal het meeste in zijn schoenen geschoven. Na Dutchbat-commandant Thom Karremans, die tijdens de verhoren aardig opkrabbelde, lijkt Hans Couzy de nieuwe kop van Jut te worden. Ook andere getuigen repten van hun moeizame verhoudingen met de generaal, wiens vader ook al generaal was. Hij stond niet op goede voet met staatssecretaris Gmelich Meijling. Ze spraken nauwelijks met elkaar. De voorganger van Voorhoeve, Ter Beek, sprak van een dichtgeklapte relatie. Op het hoofdkwartier van het Nederlandse bevoorradingsbataljon in de Kroatische enclave Busovaca sliepen ze ooit samen in dezelfde kamer. De conversatie kwam niet verder dan 'welterusten'.

In alle van deze gemelde situaties ging het uiteindelijk om gezagsverhoudingen. Couzy gaf destijds als bevelhebber leiding aan circa 70 000 militairen en burgers. Maar hij was ook verantwoording schuldig aan de minister. ,,Hij erkende volledig het primaat van de politiek, maar het was erg ver weg. Hij vatte zijn taak erg ruim op'', beschreef de hoogste ambtenaar op het departement secretaris-generaal Barth. Toch zal de reputatie van Couzy als een wat stijle, afstandelijk en formeel operende generaal bij Ter Beek wel bekend zijn geweest toen hij hem in 1992 voordroeg als bevelhebber. Zulke kwaliteiten duiken niet plotseling op als een generaal een derde ster op zijn schouders mag naaien.

De verstoorde verhoudingen van Couzy met zijn politieke meerderen zijn illustratief voor de koude oorlog die er destijds heerste tussen het hoofdkwartier van de Koninklijke Landmacht in de Julianakazerne en Plein 4, het Haagse departement. ,,Als je de centrale organisatie belde kreeg je allemaal ministertjes aan de lijn'', vertelde generaal Van der Wind, verantwoordelijk voor de debriefingsorganisatie, geringschattend. Het werkte ook de andere kant op. ,,Bij de landmacht heerste een anti-stemming jegens de centrale organisatie. De medewerking van de landmacht was moeizaam en traag'', klaagde de gepensioneerde topambtenaar De Winter, in 1995 directeur van de directie algemene beleidszaken. Aan de andere kant sprak Bert Kreemers, plaatsvervangend directeur Defensie-voorlichting, over lijdzaamheid bij de burger-ambtenaren. ,,Bij de centrale organisatie bestond het gevoel: alles zal wel overwaaien. Ze probeerden ruzie en herrie met de landmacht te vermijden. Er bestond lankmoedigheid tegenover de landmacht.''

Deze verhouding begon echt te wringen toen in juli 1995 de enclave Srebrenica ten onder dreigde te gaan in het Servische geweld. Een luchtmachtman die was gestationeerd in Den Haag: ,,Er waren wrijvingen in de persoonlijke verhoudingen tussen de militairen van de landmacht en de mensen van het crisisbeheersingscentrum die contact hadden met de VN op de Balkan. Toevallig zaten daar alleen mensen van de luchtmacht, marine en marechaussee. Ik kan me voorstellen dat dit de wenkbrauwen deed fronsen bij de landmacht.''

De hoogste officieren voelden zich verongelijkt toen na de val van de enclave Dutchbat in de media en politieke arena de zwartepiet kreeg toegeschoven. ,,De centrale organisatie maakte ook fouten, maar daar hoorde je nooit van,'' kreeg de enquêtecommissie van Couzy te horen. Ook andere landmachtmilitairen spraken van blunders en fouten bij de ambtenaren onder Voorhoeve. Een kolonel op de Julianakazerne werd zo kwaad dat hij geheime informatie liet lekken om Voorhoeve politiek te beschadigen. Hij werd in bescherming genomen door Couzy, beschuldigden hoge ambtenaren van Plein 4. Commandant Fabius van de Koninklijke Marechausse kon verklaren waarom de al oude rivaliteit tussen de krijgsmachtdelen en Plein 4 weer opspeelde na de val van de enclave. ,,Dutchbat lag onder vuur in de publiciteit en als bevelhebber ga je dan achter je mannen staan. Ik kan me die emotie wel voorstellen. Per slot van rekening hadden de mariniers (van de marine) het goed gedaan in Cambodja.'' Positieve publiciteit is altijd handig als steun in de rug bij een van de vele bezuinigingsrondes.

Zouden de slechte verhoudingen ook geleid hebben tot een houding van onwil bij de landmacht om de waarheid rond het functioneren van Dutchbat te achterhalen? Voor de parlementaire enquêtecommissie onder leiding van D66-kamerlid Bert Bakker wordt dat oordeel heikel. De landmacht onder leiding van Couzy zou volgens het Instituut voor Oorlogsdocumentatie (Niod) onwelgevallige zaken onder de pet hebben gehouden. Deze conclusie, als gevolg waarvan bevelhebber Ad van Baal dit jaar moest aftreden, wordt betwist.

Twee hoge ambtenaren van de centrale organisatie, De Winter en Kreemers, vinden van wel. Alle landmachtgeneraals ontkennen deze aantijging. Oud-commissaris van de koningin Van Kemenade die in 1998 de Srebrenica-affaire onderzocht zegt hiervoor geen spoor van bewijs te hebben gevonden. ,,Ook in het Niod-rapport ontbreken bewijzen van het doelbewust achterhouden van informatie,'' zei hij tegen de commissie. Directeur-generaal Barth denkt dat feiten wel 'onderbelicht' zijn gebleven maar niet bewust 'weggedrukt': Ik heb geen bewijs voor zo'n zware beschuldiging. Ik deel op dit punt niet het Niod-rapport.''

Niod-directeur Blom die alle ophef heeft veroorzaakt, begaf zich op glad ijs toen hij de commissie moest uitleggen wat nu precies onwil is. ,,Het gebrek aan goede wil om op eigen initiatief de minister te informeren.'' Oud-defensieminister De Grave merkte hierover ironisch op: ,,Als dit de norm zou zijn dan houden we weinig ambtenaren over.'' Hij liet blijken vraagtekens te hebben bij de zware onwil-beschuldiging door het Niod. Tegelijkertijd onderschreef hij deze wel: ,,Je moet heel zware argumenten hebben als je het Niod-rapport waar vijf jaar aan is gewerkt en waar je zelf om hebt gevraagd, gaat aanvechten.'' Per slot van rekening is het kabinet mede over het begrip onwil gevallen. Vanuit deze optiek wordt het voor de commissieleden weer erg ingewikkeld om te oordelen dat er géén sprake is van onwil maar van onmacht, fouten en klungeligheid.

Of de enquêtecommissie zich aan zo'n oordeel zal wagen is vooralsnog de vraag. Voorzitter Bakker verklaarde begin november, voordat de verhoren begonnen, dat de commissie naar feiten zal vragen maar vooral verantwoordelijkheden van betrokkenen zal onderzoeken. Dat maakt het werk voor de commissie-Srebrenica ook iets makkelijker.

Het betekent ook dat de verantwoordelijkheden niet eenzijdig bij Couzy kunnen worden gelegd. Het is opvallend dat de commissieleden bij aanvang van de verhoren aan de hoogste ambtenaren en militairen scherp doorvroegen over de verantwoordelijkheden die aan de functie verbonden waren. Hebben alle betrokkenen ervoor gezorgd dat de minister alle informatie kreeg die nodig was voor zijn politieke functioneren? Alle betrokkenen antwoordden uiteraard bevestigend.

Maar moest deze verantwoordelijkheid niet alleen passief maar ook actief worden waargemaakt, kreeg secretaris-generaal Barth voorgelegd. ,,De informatie van de landmacht is wat het is, tenminste dat dacht ik'', was zijn niet zo overtuigende antwoord. Couzy zelf had ook een verantwoordelijkheid om de minister ongevraagd van informatie te voorzien, liet de commissie doorschemeren. In 1992 gaf de secretaris-generaal op het departement een instructie dat bevelhebbers 'alles moeten melden wat ze weten' dat voor het politiek functioneren van de minister van belang is. ,,Het is een heel centraal document. Het gaat over wat van een bevelhebber verwacht mag worden'', meende Niod-directeur Blom die melding maakte van dit vergeten stuk.

Couzy ontkende dat hij als bevelhebber informatie achterhield als hem dat werd gevraagd. De commissie lijkt echter van mening dat er ook verantwoordelijkheid ligt om ongevraagd alle politiek relevante feiten bij de minister op tafel te leggen.

Verantwoordelijkheid ligt er ook bij de hoogste ambtenaren, militairen, ministers en kamerleden. Die moesten zich ervan vergewissen of er luchtsteun aan de enclave geleverd zou worden. Blom wist te melden dat in 1992 bij ministers en de Tweede Kamer bekend was dat de bescherming vanuit de lucht hoogst discutabel was.

In het licht van de verantwoordelijkheden is het de vraag of de Tweede Kamer wel inzag hoe risicovol een uitzending naar Srebrenica was. De ministerraad maakte daar weinig woorden aan vuil, in de Tweede Kamer werd er pas over gesproken toen de militairen al op weg waren.

mailIcon print |