*

 
dossier

Archief

De onmetelijke kracht van het vergeten

door Nausicaa Marbe − 23/02/02, 00:00

Schrijfster Nausicaa Marbe vindt het vreemd dat in het debat over het multiculturele drama met geen woord gerept wordt over de talloze Tsjechen, Hongaren, Russen, Roemenen, Polen en Bulgaren die zich geruisloos hebben aangepast in het Westen. 'Alsof de Bohemer die hier zijn draai vindt, een belediging zou zijn voor de Berber die dat niet doet.' De diepere motor achter een succesvolle integratie is het vermogen te vergeten. 'Het is de migrant die moet vergeten, niet zijn gastland. Een goed gastland is het zijn nieuwkomers verplicht een historisch houvast te geven. Als blijk van zelfrespect. En er is niets dwingends aan. Migranten zijn immers vrij om te komen en te gaan.'

In barre communistische tijden ging in Roemenië een Tsjechisch griezelverhaal van mond tot mond.

Er was eens een meisje dat in 1968 in Praag medicijnen studeerde. Toen de Russen het land binnenvielen, werd de mentor bij wie ze afstudeerde gearresteerd. Omdat ze zijn beste student was, werd zij ook opgepakt. Een jaar later kwam ze vrij, maar de studie mocht ze niet hervatten. Ze vond daarop werk in een fabriek, maar als intellectueel stond ze onder permanente verdenking. Wie met haar in contact stond, was ook verdacht. Dientengevolge werd haar vader opgepakt en opgesloten. Het meisje diende een emigratieverzoek in. De represailles die van staatswege volgden, werden haar moeder fataal: die bezweek aan een hartaanval. Het meisje, inmiddels in de dertig, besloot over de grens te vluchten. Dat lukte, in 1975. Ze kwam in Duitsland aan, waar niemand haar verhaal geloofde. Soms zei iemand met de beste bedoelingen: 'Je bent toch hier, waar maak je je nog druk om?'

'Dit verhaal was geenszins bedoeld om het collectieve slachtoffergevoel van Oosteuropeanen te versterken. Wel was het een waarschuwing voor de schaduwzijde van de vrije wereld. De aspirant-vluchteling die lering trok uit dit verhaal, vertrok naar de vrije wereld in de wetenschap dat zijn waarden en normen, zijn wanhoop en vertwijfeling, zijn angsten en dromen - gekweekt in communistische tijd - buiten het IJzeren Gordijn hun betekenis konden verliezen. Als hij aan zijn denkpatroon vasthield, zou hij onherroepelijk zichzelf ook verliezen. Veel beter was het om zich de westerse denkwijze eigen te maken. En om met het begrip 'vrijheid' emotioneel zo te jongleren dat hij de onverschilligheid zou kunnen delen van degene die vrijheid als vanzelfsprekend ervaart. Een oefening in aanpassing, dus.

Je vaderland verlaten, je geheugen achterlaten, je identiteit in twijfel trekken: het zijn de grote thema's in de romans van Milan Kundera. Ook in zijn laatste roman Onwetendheid treffen we geëmigreerde Tsjechen aan. De een is Deen geworden, de ander Française, en dat van ganser harte. Tot de val van de Muur hun de mogelijkheid biedt terug te gaan naar het geboorteland en weer Tsjech te worden. Ze gaan, maar in Praag worden ze nog meer gesterkt in hun Deens- en Frans-zijn. Dus keren ze terug naar het Westen, de angel van de heimwee voorgoed uit hun hart.

Ook in de niet-fictionele werkelijkheid blijken Oost-Europeanen - enkele tragische uitzonderingen daargelaten - een wonderbaarlijk talent te hebben om modelburger in den vreemde te worden. Sinds de emigratiegolven in de late jaren veertig (toen de meeste Oost-Europese landen een communistische regering kregen), in 1956 (na het neerslaan van de Hongaarse opstand), in 1968 (na de Russische inval in Tsjechoslowakije), heeft de Oost-Europeaan zich geruisloos aangepast in het Westen. Ook in Nederland namen veel Hongaren, maar ook een paar duizend Tsjechen, Russen, Roemenen, Polen en Bulgaren rustig hun plaats in in het geheel.

Een heel ander verhaal dan de gebrekkige integratie van grote groepen niet-Europeanen die sinds de jaren zestig in Nederland zijn komen wonen. Het is dan ook vreemd dat in het debat rond het multiculturele drama met geen woord gerept wordt over de stille integratie van Oost-Europeanen. een belediging zou zijn voor de Berber die dat niet doet.

Natuurlijk, het multiculturele debat ging over allochtonen: de onelegante term waarmee vooral Turken en Marokkanen worden aangeduid - zonder oog voor de diversiteit binnen die etnische groepen. Een woord dat synoniem lijkt te zijn voor: onaangepast en problematisch, vatbaar voor criminaliteit. Kortom: de allochtoon (in het hedendaags Nederlands ingeburgerd als tegenpool van autoch-toon, als denominatie van het anders-zijn) wordt als een Fremdkörper in de Nederlandse samenleving gezien. Alleen al het taalgebruik verraadt dat.

Zo'n Fremdkörper zou bijvoorbeeld de dichteres en Kundera-vertaalster Jana Beranova niet kunnen zijn; zij wordt steevast geïntroduceerd als Tsjechische Nederlandse, zoniet als Bekende Rotterdamse. Ook de schrijfster en publiciste Dubravka Ugresic, gevlucht uit Kroatië, wordt als een Nederlandse opiniemaker gezien. Haar Nederlandse uitgever zou ervoor passen haar als allochtoon in zijn fonds op te voeren. Dat ligt anders bij auteurs als Moses Isegawa, Kader Abdolah, Abdelkader Benali en zelfs bij de in het Frans schrijvende Fouad Laroui: zij worden opgevoerd als exponenten van de allochtone cultuur. In vergelijking met hen zijn de Oost-Europeanen kennelijk in het hoofd van de Nederlanders naadloos geïntegreerd.

Het constateren van deze voorsprong is één ding. Belangrijker is dat die observatie nader begrip oplevert van wat de deelnemers aan het multiculturele debat van de Oost-Europeaan in het algemeen en van Kundera in het bijzonder kunnen leren. Indien tenminste de vraag wordt gesteld waarom Oost-Europeanen zo goed in het Westen zijn geïntegreerd.

Het eerste antwoord ligt voor de hand: omdat ze Europeanen zijn. Tsjechië, Polen en Hongarije zijn zelfs pijlers van de westerse cultuur. Maar ook de bewoners van de exotische rafelranden van de Balkan, zagen Parijs en Berlijn als toonbeeld van beschaving.

De Oost-Europeanen integreerden ook goed omdat zij - vóór 1989 - zelden om economische redenen vluchtten. Zij kozen hun gastland vanwege de daar geldende democratische normen en waarden, die eertijds in hun eigen land eveneens bestonden, in de precommunistische tijd. Oost-Europeanen kwamen bovendien, voorzover ze geen atheïst waren, als christen naar het christelijke Westen, zoals een moslim naar zijn Mekka gaat. Wat thuis onderdrukt werd, was in het Westen namelijk mogelijk: in God geloven in plaats van in de Partij.

Nog belangrijker voor de integratie van de Oost-Europeaan is zijn onvoorwaardelijke, definitieve breuk met het vaderland. Wie niet terug kan moet hier aanpakken. Een geslaagd leven is tenslotte de beloning voor het grote offer van de breuk met thuis.

Daarnaast is de Oost-Europeaan flexibel. Wie in een dictatuur leeft, leert een dubbelleven leiden. Aanpassen wordt een tweede natuur. De Oost-Europeaan heeft zich aan het communisme aangepast, waarom dan ook niet aan het Westen? In zijn essays over de tragiek van Midden-Europa, beschrijft Kundera dit stukje wereld als een gebied waar geen staat zeker van zijn grenzen is, waar buren in elkaars territorium happen, waar grote landen kleinere van de kaart vegen. Grenzen verschuiven voortdurend en zo kun je als Midden- en Oost-Europeaan zelfs als je nooit verhuist, in het ene land geboren zijn, in het andere geleefd hebben en in weer een ander sterven. Wie deze culturele bagage heeft, kan de hele wereld aan.

Zijn dat de geheimen van integratie? Mogelijk. Want ik had even goed kunnen beweren dat de integratie van Oost-Europeaan gedoemd was om te mislukken. Een van de redenen zou een gebrek aan sociale verantwoordelijkheid kunnen zijn. De communistische dictatuur maakt burgers monddood en ontneemt het individu zijn initiatief. Geen fraaie visitekaart voor een leven in een vrij land. Het is ook niet ondenkbaar dat de Oost-Europeaan haat koestert jegens het Westen dat hem heeft uitgeleverd. Zaten Churchill en Roosevelt immers niet samen met Stalin rond de samovar toen deze in Jalta de rode streep door Europa trok? Maar zelfs de niet-rancuneuze Oost-Europeaan kan soms zijn oude leven niet van zich afschudden. Wat hij in het Westen beleeft, ziet hij als een surrogaat-leven, terwijl het ware leven elders op hem wacht. Hij doet hier dus nooit zijn best.

De nationalistische en megalomane vluchteling is de ergste. De bezetting door de Russen, maar ook de voorgeschiedenis van zijn vaderland met schommelende grenzen, hebben deze Oost-Europeaan geleerd dat zijn minderwaardigheidsgevoel met succes in megalomanie kan omslaan, in het verheerlijken van de eigen natie en cultuur. En wie zijn eigen natie en cultuur boven alle andere stelt, hoort in den vreemde niet thuis en gedijt daar ook niet.

De mate van integratie hangt maar gedeeltelijk af van bovengenoemde zaken. In een ander land thuis zijn en naar tevredenheid deelnemen aan een andere cultuur, heeft een diepere motor. In Onwetendheid geeft Kundera die prachtig gestalte: in het vergeten. Het is het vergeten dat mensen in staat stelt in het nu en in de toekomst te leven, zonder de ondraaglijke last van het verleden. Het is het vergeten dat hen leert hun identiteit opnieuw te definiëren.

Het lijkt misschien onzinnig om verklaringen voor sociale verschijnselen in de literatuur te zoeken, maar Kundera is bij uitstek de schrijver die tot dergelijk gespeculeer uitnodigt. In zijn cultuurpessimistische essays over het verdwijnen van de Europese cultuur zegt hij dat het slecht is voor de maatschappij als zij niet meer gevoed wordt door ideeën uit kunst en filosofie. Dat betekent dat de cultuur zich terugtrekt. Europa lijdt aan politisering en bureaucratisering van het leven, en dat maakt een maatschappij per definitie acultureel. Kundera betreurt het dat de grote vragen niet meer gesteld worden door denkers, maar door beleidmakers en mediapersoonlijkheden. Tegelijkertijd wil hij zijn romans beslist niet politiek noemen, want literatuur hoort in zijn visie volkomen vrij en onpartijdig te zijn. Over het vergeten zelf zei hij twee decennia geleden al in een interview: 'Ik schrijf geen boeken om niet te vergeten, mij interesseert juist wat het vergeten is'.

In Onwetendheid ligt de vergetelheid al in de titel besloten. Wie in onwetendheid leeft is veel vergeten. Als verklaring voor de verfransing van zijn naar Parijs gevluchte heldin Irena, laat Kundera zien dat ze haar Tsjechische geheugen kwijt is. Een geheugen blijft slechts intact als het regelmatig gevoed wordt met oefeningen in herinneringen. Kundera schrijft: 'Emigranten die bij elkaar klitten in kolonieën van landgenoten vertellen elkaar tot vervelens toe dezelfde verhalen, die daardoor onvergetelijk worden. Maar zij die geen contact hebben met landgenoten (...) krijgen onvermijdelijk met geheugenverlies te kampen.'

Is geheugenverlies een voorwaarde voor integratie? In eerste instantie niet. Want het vergeten kent, waarschuwt Kundera, een nukkige tweelingbroer: heimwee. Over de emigranten zegt hij: 'Hoe sterker hun heimwee, hoe minder herinneringen zij hebben'. 'Want heimwee versterkt de werking van het geheugen niet, het roept geen herinneringen op, maar heeft genoeg aan zichzelf.'

Heimwee en vergetelheid hebben nog een stiefzus: de nostalgie. Kundera interpreteert nostalgie als 'de pijn van het onvervulde verlangen om terug te keren'. De pijn van heimwee dus, en daarmee ook de pijn van de onwetendheid. 'Mijn land is ver weg en ik weet niet wat er gebeurt', luidt de conclusie.

Vanaf dit kruispunt van verscheurende gevoelens, kan de (e)migrant drie kanten op. Terug naar huis. Blijven waar hij is en zich op de toekomst richten. Of pendelen tussen het nieuwe land en thuis, met de economische wortels op de ene plek, het hart op de andere.

De Oost-Europese emigrant kon niet terug of pendelen. In zijn land van nostalgie zou hij in levensgevaar zijn. Hij kende de luxe niet van een tijdelijke economische binding met een nieuw land, gepaard met veelvuldige mogelijkheden van luchthappen thuis. Hij kende ook de buffer niet van een grote eigen gemeenschap in den vreemde, waarin hij naar hartelust zijn cultuur kon beleven, de warme schoot van degenen die hem begrijpen, de verleiding om door deze koestering zijn eigen cultuur zo te gaan verheerlijken, dat hij zich boven alles en iedereen verheven voelde. Voor hem ook geen integratie met behoud van eigen cultuur, want niemand in het Westen die zich daarvoor interesseerde.

In Onwetendheid vertelt Irena hoe het haar aanvankelijk in haar Franse bestaan verging: 'Weet je, Fransen hebben geen behoefte aan ervaring. Ze hebben voor elke ervaring hun oordeel al klaar. Toen we daar aankwamen hoefden ze niets te weten. (...) Ze waren niet geïnteresseerd in wat wij dachten, ze waren alleen in ons geïnteresseerd als levende bewijzen van wat zíj dachten.'

De Oost-Europese emigrant kwam, bleef, leed pijn, vergat en overwon. Hoe groter zijn onwetendheid over zijn vaderland, hoe meer zijn besef en begrip van het nieuwe land kon groeien. Hoe sneller hij vergat, hoe rapper hij ook verse, in de nieuwe andere cultuur geïntegreerde herinneringen kreeg. Hoe meer hij zijn Oost-Europa verloor, hoe meer hij van het Westen werd. Doordat hij niet terug kon, was integratie zijn enige optie. Niet dat het hem geen zelfdiscipline kostte om wortels te krijgen. Integratie was immers een individuele opgave, een persoonlijke verantwoordelijkheid. Een pact van de enkeling met zijn geheugen, de afspraak dat als hij zijn verleden inlevert, hij een toekomst in ruil daarvoor krijgt.

Beleidmakers zeggen zich het hoofd te breken over het multiculturele drama. Effectief beleid blijft al decennia lang uit. Juist in dit vacuüm moet de nadruk op de persoonlijke mogelijkheden en verantwoordelijkheden van de individuele immigrant worden gelegd. Niet door de wet, wel door de maatschappij. Het 'integratiepotentieel' van de immigrant, om het eens in Haagse terminologie te zeggen, manifesteert zich het beste als de nieuwkomer een duidelijke identiteit, een duidelijk waarden- en normenpakket, als uitgangspunt kan nemen.

De laatste tijd zijn in de Nederlandse media, van De Groene tot NRC Handelsblad, pleidooien te lezen voor een vervaging van de traditionele Nederlandse identiteit. Nederland zou vooruit moeten kijken en zich daartoe eerst een offer moeten getroosten: Gooi die ouderwetse pretentie van een nationale identiteit, enkel gebaseerd op eeuwen Europese beschaving - tegenwoordig een even verdacht begrip als apartheid - weg! Opdat eindelijk die verhoopte, geslaagde multiculturele samenleving kan ontstaan. Waarom zouden we vasthouden aan eigen normen en waarden, in een wereld waarin juist het loslaten daarvan gelijkstaat aan vooruitgang?

Hiermee gaat men voorbij aan de kern van de zaak. Het is de migrant die moet vergeten, niet zijn gastland. Een goed gastland is het zijn nieuwkomers verplicht een historisch houvast te geven, als voedingsbodem voor integratie. Niet als blijk van nationalisme, maar van zelfrespect. En er is niets dwingends aan. Migranten zijn immers vrij om te komen en te gaan. Om kennis te nemen van de Nederlandse cultuur en zich daar een mening over te vormen. Wie het klimaat in Nederland verwerpelijk en onverenigbaar met de eigen waarden en normen vindt, heeft de keuze uit talrijke andere gastlanden op deze wereld die misschien beter bij zijn mentaliteit passen.

De term 'Nederlandse cultuur' is tegenwoordig ook in diskrediet geraakt. Sommigen spreken zelfs in volle ernst van een 'witte-mannencultuur'. Alsof met de denominatie van het geslacht en de huidskleur al bij voorbaat het vergrijp vaststaat.

Ik stel voor om de Nederlandse cultuur te laten bepalen door degenen die, alloch-toon of autochtoon, zich in Nederland geen vreemde en ook geen slachtoffer voelen. De cultuur van dat deel van de bevolking dat bereid is in een herkenbare maatschappij te investeren. Het is voor ons land te hopen dat het gros der bevolking daartoe bereid is.

Onder een dergelijk gelukkig gesternte, blijft het de taak van het individu voor zichzelf uit te maken in hoeverre hij compatible is met het land waarin hij woont. Hij zal zelf de balans moeten opmaken van wat hij moet vergeten en wat hij moet bijleren, wil hij ergens thuis zijn. Voor alle migranten geldt: het vergeten is een aanlokkelijke optie. Per slot van rekening hebben ze daarmee een sleutel tot integratie in eigen hand.

En wat voor een. Want als het niet-vergeten, het vasthouden aan het oude al zo'n onherroepelijk stempel op hele bevolkingsgroepen en landen kan drukken, hoe ronduit overweldigend zal de kracht van het vergeten dan niet zijn?

mailIcon print |