De schrijver Leon de Winter gedraagt zich in zijn artikel 'J'accuse' als een Israëlische spreekbuis door de Palestijnse kant van het verhaal te veronachtzamen. Hij bedrijft propaganda en miskent de geschiedenis. De Winter klinkt als een koloniaal.
Als een schrijver zijn artikel de zeer pretentieuze titel 'J'accuse' meegeeft, roept hij zich uit tot moreel geweten. Hij laadt ook de plicht op zich om zijn kwestie met oog voor alle aspecten in grote zorgvuldigheid uiteen te zetten. Aan deze eisen voldoet het artikel van Leon de Winter niet (Letter & Geest, 13 april). Integendeel, het laat een auteur zien die bijna onverhuld optreedt als de behartiger van slechts een belang: dat van Israël. Zijn visie is in enkele zinnen samen te vatten.
De Arabieren zijn er schuldig aan dat Israël nooit vrede heeft gekend. De intifada is geen strijd voor grond of vrijheid, maar komt voort uit Palestijnse frustratie, jaloezie, antisemitisme, interne machtsstrijd en een oude, Arabische zelfmoordcultus. De Europese media, geleid door linkse journalisten, hebben voor de underdog gekozen. Ze zien vooral Israëls wandaden en niet de veel grotere gruwelen in de Arabische wereld. Zo missen ze het verband tussen het huidige geweld door het Israëlische leger in Jenin en het voorafgaande geweld van Palestijnen, met name hun zelfmoordaanslag op Seideravond waarbij tientallen slachtoffers vielen.
Hier is een essayist aan het woord die alle kwaad toeschrijft aan de wederpartij. Zijn artikel is een langgerekte tirade van openlijk beleden haat jegens Arabieren die worden beschuldigd van machtswellust, jodenhaat, corruptie, terrorisme, despotisme en narcisme, gevoed door een 'verziekte Arabisch-islamitische cultuur'. Het is niet vanwege deze verwijzing naar Arabische misstanden dat ik dit artikel eenzijdig noem. Het is voor mij niet taboe om hierover te schrijven. Anders dan De Winter poneert, zijn er ook in Nederland tal van auteurs die zich in dezen kritisch opstellen. Maar zij proberen om het Arabische denken voorzover nodig te begrijpen in zijn specifieke context.
De Winter kent de nuance niet. Hij demoniseert de hele Arabische wereld, ook in letterlijke zin. Zijn analyse van een (veronderstelde) zelfmoordcultus onder Palestijnen leidt hem tot het citaat: 'de duivel danst en hij danst onze kant uit'.
De Winter begint met een beschrijving van de zeer betekenisvolle Seideravond. Volgens het joodse denken, zegt hij, kan een aanslag op die avond alleen betekenen: joden zullen nooit geduld worden in het Midden-Oosten. Hij springt zonder meer naar deze conclusie die ook heel anders had kunnen luiden. Bijvoorbeeld: de dader gebruikt het extreemste wapen omdat Israël het Palestijnse volk een eigen staat onthoudt. Voor De Winter is de aanslag volledig bewijs van een algemene ontkenning van de joodse staat, ook een rechtvaardiging voor al het Israëlische geweld van nu.
De Winter vergeet aandacht te schenken aan de andere kant. Hij had na zijn eerste voorbeeld ook moeten tonen hoe Israëlisch geweld uitwerkt in Palestijnse families. Bij ontbreken van deze aandacht, geef ik een eigen voorbeeld. Het handelt over de verdrijving van een groep Palestijnse families van hun grond en woonhuis. Het gebeurde enkele kilometers noord van Gaza-stad. Ik trof ze oktober vorig jaar langs de weg, enkele tientallen personen: mannen, vrouwen en kinderen. Dat er geen doden bij zijn gevallen, komt door de overmacht van Israël. Het zet tanks in waarmee een volk van verre kan worden geterroriseerd en verjaagd.
De Winter is geen schrijver maar een spreekbuis. Zijn centrale premisse is ontleend aan propaganda. De Israëlische politiek is er alles aan gelegen om de aandacht af te wenden van de ware oorzaak van het conflict: de bezetting, de gewelddadige ontneming van grond aan de Palestijnen. Het artikel gaat daarin mee, noemt duizend en een oorzaken van de intifada maar ontkent het eigenlijke motief. Het is geen goedkope truc mijnerzijds om hier van propaganda te spreken. Israël zelf heeft historici voortgebracht, zoals Shlaim, Morris, Pappe en Avneri, die de officiële geschiedschrijving ontdoen van mythes. Aan deze 'nieuwe historici' ontleen ik het volgende overzicht.
De Verenigde Naties, in 1947 gedomineerd door Westerse landen, heeft zonder instemming van de Arabische landen 55 procent van het mandaatgebied Palestina -met een in meerderheid Arabische bevolking- toegewezen aan Israël. Deze overbedeling was deels geïnspireerd door schuldgevoel jegens de joden, deels door koloniale minachting voor de Arabische bevolkingsgroep (die als primitieve bedoeïenen werden beschouwd). Deze toewijzing bracht Arabieren tot begrijpelijk verzet. De daaropvolgende oorlog werd door Israël, in wapens en getal sterker dan de tegenstander, gewonnen hetgeen in 1948 leidde tot de annexatie van 80 procent van het mandaatgebied. Israël droeg tijdens de oorlog actief bij aan het ontstaan van het vluchtelingenprobleem. De oorlog van 1967, uitgelokt door Israël, leidde tot de controle van dit land over het hele mandaatgebied. In 1974 startte de regering het nederzettingenbeleid, een programma dat inmiddels 200 vestigingen, met in totaal 200000 bewoners heeft opgeleverd. Dit programma steunde in toenemende mate op een religieus geïnspireerd zionisme. Het gaat tot op de dag van vandaag door.
Wie deze geschiedenis overziet, ziet een strijd om grond. De Palestijnen resteert nog slechts 20 procent van het oorspronkelijke gebied. Hun verzet kan zeker worden geduid als een koloniale bevrijdingsstrijd. Het is onbegrijpelijk dat De Winter, die de gegevens evengoed kent als ik, het conflict verklaart met een beroep op allerlei marginale factoren. Juist of onjuist, deze factoren zijn irrelevant omdat ze worden overschaduwd door de enige echte factor: de strijd om teruggave van grond. De Winter verzaakt als essayist zijn plichten. Hij maakt waarheid ondergeschikt aan loyaliteit.
Ook in zijn behandeling van het tweede thema -de partijdigheid van de media- toont De Winter zich partijganger. Zijn stelling dat de Europese media kiezen voor Arafat moet sterk worden afgezwakt. Voorop staat, in elk geval in Nederlandse kranten, een onvoorwaardelijke ondersteuning van het bestaansrecht van Israël, maar binnen de grenzen van 1967. En er is geen lezer die van zijn krant een andere houding verlangt. Hooguit zijn er tegenwoordig enkele kranten met voorzichtige kritiek op de bezetting van de Palestijnse gebieden. Maar deze kritiek is in lijn met het beleid terzake van de Veiligheidsraad. Hij kan alleen in het gemoed van De Winter worden uitgelegd als fundamentele verandering van beleid ten aanzien van Israël.
Het artikel maakt aan het eind een vreemde wending. De Winter blijkt plotseling het idee van een Palestijnse staat te steunen. Zelfs spreekt hij van de ontmanteling van alle nederzettingen. Ik neem van deze ommezwaai met vreugde kennis. De vraag rijst alleen waartoe zijn voorafgaande tirade heeft gediend. Met zijn uitspraak komt hij ineens dicht bij de 'Europese media' die hij zo gehekeld heeft. Zelfs zijn voorwaarde dat Palestijnen in elk geval hun recht op terugkeer moeten opgeven, betreft een modaliteit die een definitieve regeling niet in de weg hoeft te staan.
Mijn gissing is dat De Winter nog een keer zijn woede heeft willen uiten over het onherroepelijk verlies van een koloniaal erfgoed. De toon waarmee hij zijn positie kenbaar maakt is tekenend, zijn woordkeus volstrekt onredelijk. Nadat de nederzettingen zijn ontmanteld, zegt hij, moet er direct 'een veiligheidshek' om Israël worden geplaatst waarna Palestijnen het recht krijgen 'om morgenochtend hun eigen Arabisch dictatuur te stichten'. En dan komt het dictaat. Voor vluchtelingen 'die door hun Arabische broeders (...) zijn gekneveld, belazerd en bedrogen is het opgeven van het recht op terugkeer naar het Joodse land zoals dat tot de grenzen van 1967 heeft bestaan een absolute conditie'. Hier is de koloniaal weer aan het woord. Niks geen gezeur meer over de oorsprong van het vluchtelingenprobleem. De Bedoeïenen mogen blij zijn met hun stukje grond en moeten verder hun mond houden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.