Waarom komt Afrika niet vooruit? Hoe komt het dat al decennialang enorme kapitalen aan ontwikkelingshulp wegsijpelen? Noch de globalisering noch het Westen hebben daar schuld aan. Het probleem is de Afrikaanse economie van de afgunst. Die wordt gekenmerkt door de angst voor toverij. De Zwitserse etnoloog David Signer heeft drie jaar onderzoek gedaan in West-Afrika. ,,Abou is een jonge inwoner van Ivoorkust, die in de buurt van een busstation een telefooncel exploiteert. Maar per saldo gaat het hem niet beter dan zijn werkloze landgenoot.
'Eigenlijk levert niets doen meer op dan werken', zei hij op een dag tegen me.
'Waarom?', vroeg ik. 'Omdat het op hetzelfde neerkomt. Elke dag komen er tien mensen om geld van me te lenen. En er komen er nog eens tien om op de pof te telefoneren. Sinds twee jaar zie je me hier elke dag zitten zweten, maar ik ben geen centimeter vooruit gekomen. Ik wil naar Londen, ik moet hier weg'.''
In sport en muziek zijn Afrikanen wereldklasse. Maar als iemand geen Henri Camara heet zoals de Senegalese voetballer of geen Alpha Blondy zoals de reggae-ster maar gewoon Jean-Claude Dao bijvoorbeeld, dan zien de toekomstperspectieven er somber uit. Jean-Claude is een jonge, intelligente man in een kleine stad in het West-Afrikaanse Ivoorkust. Zoals zovelen van zijn leeftijd brengt hij zijn tijd vooral door met niets doen. In een gesprek klaagde hij erover dat er geen werk is en dat de economie in heel Afrika stagneert.
,,Maar weet je wat het eigenlijke obstakel voor de ontwikkeling in Afrika is?'', vroeg hij mij plotseling en gaf meteen zelf het antwoord: ,,Toverij''.
,,Bedoel je echt toverij of alleen het geloof in toverij?'', vroeg ik.
,,Toverij. Toverij is reëel. Tovenaars eten het liefst succesvolle mensen, studenten, jonge veelbelovende talenten uit de eigen familie. De tovenaar ontvoert 's nachts de onzichtbare dubbelganger van een familielid en verdeelt de buit in de kring van tovenaars. De 'gegetene' verliest zijn levenskracht, wordt ziek en sterft. De volgende keer is een ander lid van de tovenaarskring aan de beurt om een familielid te offeren. Zo gaat dat steeds verder. Als je een keer hebt meegegeten, sta je bij hen in het krijt. Als je dan niet regelmatig een van de jouwen opoffert ga je er zelf aan.''
Na een pauze vroeg hij: ,,Weet je waarom er in Afrika geen flats zijn?'' Nee, zei ik. Hij legde me uit dat wanneer iemand in Europa een huis van twee verdiepingen bouwt, zijn buurman er een van drie verdiepingen bouwt en diens buurman een van vier verdiepingen. Dat is vruchtbare jaloezie. In Afrika daarentegen zegt de buurman: ,,Haal je niks in je hoofd. Je zult niet oud worden in je huis.''
En hij vertelde dat het bij hem de broer van zijn vader was die op dubieuze wijze alle succes tegenhield. ,,Zijn eigen zonen slagen, maar alle andere familieleden stranden. Ik was zelf een goede leerling, maar voor het diploma zakte ik. Ik weet zelf niet waarom. Plotseling was mijn hoofd leeg. Ik moest mijn opleiding afbreken. Ik kan nu alleen nog maar hopen op een succes in de loterij.''
Jean-Claude beschrijft hier kernachtig een samenhang die in de sociale wetenschappen pas sinds een paar jaar in grove lijnen wordt gethematiseerd. Wat de Afrikanen 'toverij' noemen is niet gewoon een spookachtige fantasie, maar een sociale werkelijkheid. 'Toverij' is een metafoor voor dat soort afgunstige, 'kannibalistische' of 'vampierachtige' sociale verhoudingen die de rijkeren sparen zonder dat ze de armere echt rijker maken, onder het motto: het mag jou niet beter gaan dan mij.
Ook als men niet gelooft in bijeenkomsten waar veelbelovende familieleden worden geconsumeerd, kan men de vernietigende kracht van de afgunst in de Afrikaanse samenleving toch niet ontkennen. Deze kracht is meer dan alleen maar het product van achterlijke lichtgelovigheid. Het is niet voldoende om mensen voor te lichten. Want de druk van de familie op iemand die iets heeft, is er, of men dat nu 'toverij', 'hebzucht' of 'afgunst' noemt. Zij die om gunsten vragen zijn nooit tevreden, en de familiekring is nagenoeg oneindig. Dat 'toverij' niet valt onder psychologie of bijgeloof bewijst alleen al het feit dat iemand als Jean-Claude het probleem haarfijn omschrijft en er desondanks niet aan ontkomt.
'Toverij' is bij uitstek een middel waarmee een conservatieve samenleving poogt haar status quo te handhaven, veranderingen te onderdrukken of ze, wanneer ze onvermijdelijk zijn, te ontkennen. Tegelijkertijd kan zo elke kritiek teruggekaatst worden op de criticus (wie namelijk de starheid van het systeem aanklaagt, riskeert het om - als a-sociale, jaloerse excentriekeling - zelf van toverij te worden beticht).
Vatbaar voor toverij zijn samenlevingen met een economie waarin de winst van de één door een ander altijd als verlies wordt ervaren; een stagnerende, beperkte economie, waarin sociale verhoudingen autoritair en hiërarchisch zijn, waarin de verworven status (door prestatie, werk, kennis) slechts weinig voorstelt in vergelijking met de toegeschreven status (leeftijd, geslacht) en waarin geluk niet gevonden wordt in het eigen initiatief, maar in de onderwerping aan een patroon, die als tegenprestatie voor iemand moet zorgen. In een samenleving zonder arbeidsethos, die succes terugvoert op geluk, magie of de gunst van de goden, is het alleen maar logisch dat de vruchten van dit succes moeten worden gedeeld en dat het denkbeeld van 'welverdiend bezit' weinig ontwikkeld is.
Ook Abou is een jonge inwoner van Ivoorkust, die in tegenstelling tot Jean-Claude wél over een klein inkomen beschikt, omdat hij in de buurt van een busstation een telefooncel exploiteert. Maar per saldo gaat het hem niet beter dan zijn werkloze landgenoot. ,,Eigenlijk levert niets doen meer op dan werken,'' zei hij op een dag tegen me, toen ik op een verbinding zat te wachten.
,,Waarom?'', vroeg ik.
,,Omdat het op hetzelfde neerkomt. Elke dag komen er tien mensen om geld van me te lenen. En er komen er nog eens tien om op de pof te telefoneren. Ze praten net zo lang op me in tot ik toegeef. Er zit zoveel contant geld in de la dat ik niet kan zeggen dat ik niks heb. En ik kan me ook niet uit de voeten maken. Ze kunnen de hele dag tegen me aanpraten tot ze krijgen wat ze willen. En aan het eind van de maand heb ik weliswaar gegeten, maar heb ik geen cent overgehouden, net als degenen die van mij geleend hebben en zelf niet willen werken. Sinds twee jaar zie je me hier elke dag zitten zweten, maar ik ben geen centimeter vooruit gekomen. Ik wil naar Londen, ik moet hier weg.'' De twee spreuken die Abou achter zich op de wand heeft geschreven - 'De hel, dat zijn de anderen' en 'Wat is de mens zonder de mensen?' - lijken een perfecte illustratie van zijn situatie. Het Afrikaanse dilemma van gemeenschappelijkheid en kannibalisme kan nauwelijks scherper worden verwoord. Abou heeft eigenlijk alle eigenschappen om vooruit te komen. Hij toont initiatief. Naast het werk in de telefooncel handelt hij in alle mogelijke rommel. Hij is intelligent en geliefd. Hij heeft de provincie verlaten om in de stad te werken waar hij niet meer aan de benauwde beperkingen en verplichtingen van de familie is onderworpen. Toch heeft hij niet alle verbindingen afgekapt. Hij woont bij zijn oom en bezoekt van tijd tot tijd zijn geboortedorp. Hij smijt niet met geld maar is ook niet gierig. Hij is vrijgezel en hoeft nog geen kinderen te onderhouden. Hij drinkt niet en rookt niet. In een (toen) vredig, tamelijk welvarend land als Ivoorkust zou een man als hij eigenlijk vooruit moeten komen. Waarom openen zich voor hem geen perspectieven? Hij zegt het zelf: het ligt aan het soort sociale verhoudingen - aan de plicht permanent alles te delen en de daaruit voortkomende onmogelijkheid om iets te sparen.
Wat zou er gebeuren als Abou zou weigeren om kredieten te verlenen en geschenken te geven? ,,Ze zouden mijn leven tot een hel maken'', zei hij. Dat is letterlijk bedoeld: al die zelfbenoemde 'petits frères' zouden de godganse dag in zijn telefooncel hangen en hem met hun gejammer aan de rand van een zenuwinzinking brengen. Hij kan immers niet weg, hij is aan hen overgeleverd. En: ,,Ze zouden mijn naam bezoedelen''. Dat zou betekenen dat de klanten weg zouden blijven. Er zijn genoeg andere telefooncellen in de buurt. Maar bovenal kun je door iemand wiens woede je hebt gewekt, behekst worden.
,,De tovenaars zijn overal, je kunt niet aan ze ontsnappen. In een vloek en een zucht vliegen ze van hier tot Parijs.''
,,Wat kun je daartegen doen?''
,,Je moet vooral tegen iedereen vriendelijk zijn. Als iemand je om een gunst vraagt moet je hem niet afwijzen. Je moet altijd in het oog houden dat het jou beter gaat dan de anderen. Je moet voor de armere familieleden zorgen, anders doen ze je iets aan. Ik bescherm me ook met een koranvers dat mijn oom me gegeven heeft. Soms schrijf ik verzen op het bord, wis ze uit en drink het water uit de spons. Het is moeilijk om hier vooruit te komen. Ik ken een dorp waar negentig procent van de jonge mensen is ge-emigreerd. Arm geboren worden in Afrika betekent arm te zullen sterven. De luie is slimmer dan de vlijtige, want beide komen even weinig vooruit, alleen heeft de een een makkelijker leven dan de ander.''
Vaak ziet men het voor de hand liggende over het hoofd. Voor iedere Afrikaan is de samenhang duidelijk tussen de angst voor toverij, de destructiviteit van de afgunstigen en hun remmende werking op het eigen initiatief en het opbouwen van vermogen. Misschien hebben economen en ontwikkelingswerkers deze samenhang totnogtoe links laten liggen omdat ze zich niet serieus met het metafysische willen bezighouden; ofschoon ze sinds Max Webers 'protestantse ethiek' - een soort tegenmodel van het Afrikaanse systeem - beter zouden moeten weten. Godsdienstwetenschappers daarentegen houden zich in de regel niet bezig met kapitaalaccumulatie.
Een jonge vrouw uit Burkina Faso schetste de gevolgen van een te snelle carrière als volgt (en er is tussen Dakar en Dar-es-Salaam nauwelijks een stad te vinden waar je niet op soortgelijke verhalen stuit): ,,Een man uit onze streek had in de hoofdstad met succes een opleiding tot piloot gevolgd. Binnen twee weken zou hij met zijn werk beginnen. Hij benutte de tijd om een bezoek aan zijn dorp te brengen. Daar raakte hij volkomen van slag. Hij vouwde papieren en kaarten voor zich uit op tafel en riep: ,,Trappen intrekken, gordels vastmaken, klaar voor de start, volle kracht vooruit!''
Toen hij na twee weken niet op zijn werk bij de luchthaven was verschenen, liet men zijn baas weten dat hij gek geworden was. Die geloofde het niet en ging de piloot in zijn dorp opzoeken. Hij riep hem ter verantwoording. ,,Waarom ben je niet op je werk verschenen?''
De man antwoordde: ,,Geen probleem, baas. We beginnen meteen. Gordels vastmaken alstublieft, we starten over enkele minuten. We verzoeken u niet meer te roken en uw stoelleuningen rechtop te zetten.''
De baas keerde terug naar Ouagadougou en de man bleef achter in het dorp, waar hij tot op heden zijn eten tussen het afval zoekt. Je zou niet denken dat hij echt piloot was. Maar bij ons hakt men alles wat te snel groeit de kop af.''
Het is bij zulke vertellingen niet belangrijk of ze 'kloppen' of niet. Wezenlijk is dat ze een overtuiging uitdrukken en reproduceren die dwars door etniciteit, leeftijdsgroepen, bevolkingslagen, regio's en religies wordt gedeeld: carrière maken is gevaarlijk. Als de ander niet op enigerlei wijze kan deelhebben aan het succes, wordt de afgunst in stelling gebracht. Deze kan - in de vorm van toverij - dodelijk zijn. En je moet je het meest in acht nemen voor degenen die je het meest na staan. Dus maak je je- zelf maar beter heel klein en blijf je op je vastgestelde plek of je zoekt, als je groot wil worden, je geluk ergens anders. Maar ook aan het andere eind van de wereld kun je er niet zeker van zijn dat de afgunst van je familie je niet achterhaalt. De toverij is de nachtzijde van de verwantschap.
Het eerste Afrikaanse gebod luidt: Ge zult niet proberen u boven het u gegevene te verheffen en uws gelijken of zelfs de boven u gestelden te overtreffen. Wie poogt op eigen houtje zijn grotere broer of zelfs zijn vader te overtroeven, wordt 'naar beneden gehaald'. Door een tovenaar, zegt men. Maar 'tovenaar' is slechts een ander woord voor krachten in de samenleving die men egaliserend of castrerend zou kunnen noemen.
Nu is het in het moderne Afrika heel gewoon geworden dat een nieuwe generatie de oude inhaalt en dat de kinderen welvarender en hoger opgeleid kunnen zijn dan de ouders. Maar in de traditionele sfeer wordt deze vooruitgang vaak gevoeld als een provocatie van de van oudsher egalitaire en hiërarchische orde. De andersdenkende wordt tot de orde geroepen, wordt gedwongen terug te keren naar de hem toegewezen plaats (bijvoorbeeld wanneer een intelligente jongen de school ten gunste van zijn minder intelligente oudere broer moet verlaten, om de laatstgenoemde niet in zijn eer te krenken).
De Afrikaanse samenleving is tegelijk egalitair en hiërarchisch. Ze is egalitair in die zin dat een uitbraak uit het vastgestelde milieu of een inhalen van oudere broers en zussen meteen bestraft en weer genivelleerd wordt. Ze is hiërarchisch doordat met hogergeplaatsten (vader, baas, politicus) niet mag worden gerivaliseerd; sociaal onderscheid wordt gezien als een natuurlijk gegeven en daardoor gefixeerd. De machtige wordt weliswaar - als een soort biologisch gegeven - geaccepteerd, maar niet de promotie, de groei. Het zijn de ambitieuzen die afgunst wekken. Een systeem dat in een dorpsmilieu stabiliserend gewerkt kan hebben, leidt in de vrije markteconomie en de democratie tot een verlamming van elke ondernemingszin.
Een blanke of ook eenvoudig een goed geklede bezoeker van Afrika vraagt zich vrij snel af waarom hij voortdurend midden op straat door onbekenden wordt aangesproken met patron, boss of grand frère. Heel eenvoudig: omdat het een van de belangrijkste bronnen van inkomsten is om zichzelf klein te maken en zo aan de rijkdom en vrijgevigheid van de bazen te appelleren. En als je dan niets krijgt heeft ook de petit frère zijn methoden om het leven van de grand frère tot een hel te maken. ,,Omdat de arme de rijke niets anders kan geven, geeft hij hem problemen'', legde een jonge Senegalese mij uit en ze bedoelde daarmee niets anders dan de dreiging met toverij in het geval van gierigheid.
Dit soort relaties wordt aangeduid als patroon-cliënt-verhoudingen. De patroon geeft zijn beschermeling niet alleen werk, maar neemt ook de verantwoordelijkheid voor grote delen van zijn leven over. De cliënt is hem gehoorzaamheid en bewondering verschuldigd, als aan een machtige vader. Daarbij moet men zich realiseren dat arbeidskracht in Afrika nog altijd voor een groot deel door de familie gecontroleerd en uitgebuit wordt. De vader en verdere verwanten eisen een deel van het verdiende geld op, maar daarvoor in de plaats staan ze ook garant voor een mate van sociale en economische zekerheid.
Wanneer deze dorpsachtige organisatievorm wordt uitgebreid naar een groot bedrijf of een hele staat, dan krijg je onvermijdelijk problemen. De verhoudingen zijn volledig doortrokken van de uitoefening van persoonlijke macht: terwijl de cliënten hun chef gunsten betonen (deze hoffelijkheden worden bij ons corruptie genoemd), legitimeert deze zich enerzijds door zijn persoonlijke welstand tentoon te stellen en anderzijds door zijn vermogen het netwerk van relaties waarop zijn macht berust, te voeden. Dit cliëntelisme heeft natuurlijk weinig van doen met een moderne staat in westerse zin.
Met toverij wordt normaal gesproken het gevaarlijke ressentiment bedoeld van de mensen die zich tekortgedaan voelen. Maar ook iemand met een onaantastbare macht kan als tovenaar worden aangeduid. De kleine tovenaar zal men mijden, verbannen, uitsluiten of verdrijven. Over de grote tovenaar zal men daarentegen achterbaks en eerbiedig smiespelen. (De ex-president van Ivoorkust Houphouët-Boigny, die de staatsinkomsten gebruikte om zijn geboortedorp Yamoussokro als nieuwe hoofdstad uit te dossen, met een kopie van de Sint Pieter, wordt soms bewonderend de oude tovenaar genoemd.) Maar in beide gevallen is het effect hetzelfde: de sociale stijger wordt geïntimideerd door tovenaars of gedemoniseerd als tovenaar. Normale sociale mobiliteit is er niet.
In het geval van de sterke tovenaars dient het aura van het bovennatuurlijke er ook toe om vijanden af te schrikken. Zo wordt van veel Afrikaanse politici gezegd dat ze beschikken over magische krachten die hen onkwetsbaar maken en aanslagen bij voorbaat verijdelen. Ook de uitstalling van pracht en praal door de rijken, met haar intimiderende effecten op mogelijke uitdagers, behoort tot deze mystificatie van de macht.
Het is opvallend dat zich in Afrika, in tegenstelling tot andere continenten, bijna nooit sociale of culturele revoluties hebben voorgedaan. Weliswaar zijn er een massa staatsgrepen geweest, waarbij de ene patroon werd vervangen door een andere, maar vrijwel nooit aanzetten tot een radicale herstructurering van de samenleving. En wanneer zowel de Afrikanen als de Europeanen de Afrikaanse misère nog steeds uitsluitend toeschrijven aan de slavernij, het kolonialisme, de Wereldbank, de globalisering of een tekort aan ontwikkelingsgelden, dan zal dat ook nog wel een tijdje zo blijven.
De Kameroense econome Axelle Kabou heeft in een woedend manifest over de Afrikaanse onderontwikkeling ('Noch arm noch machteloos') de stelling geponeerd dat Afrika in zijn geheel als het ware de passieve, bedelende houding aanneemt van een infantiele cliënt tegenover een almachtige patroon: de Afrikanen zijn de enige mensen ter wereld die nog denken dat anderen dan zijzelf zich om hun ontwikkeling moeten bekommeren. Het is algemeen bekend dat het eeuwige teruggrijpen op de buitenlandse kredietverschaffers in Afrika niet als schande wordt ervaren. Minder bekend is de reden daarvoor, namelijk de omstandigheid dat de Afrikaan zich tegen het heden helemaal niet opgewassen voelt.
Vermoedelijk zijn ook de verwijten die een gekrenkt Afrika de gierige Europeanen maakt, slechts de vertaling van een relationeel model dat in Afrika het sociale systeem al sinds lang vorm geeft: een hiërarchische machtschappelijke ordening volgens het patroon-cliënt-model, het vermijden van concurrentie en een algemene neiging om zowel het kwaad (toverij) als het heil (de chef, de medicijnman) van buitenaf te verwachten.
Kabou zelf redeneert dat het mogelijk de angst van de rijken voor de afgunst van de armen en voor de tegen hen gerichte tovermiddelen van de Maraboes (islamitische wonderdoeners) is geweest die hen verhinderde erover na te denken hoe de welstand over een bredere massa uitgebreid kon worden.
Men kan niet genoeg benadrukken, schrijft zij, hoezeer het geloof in de magische krachten van de toverij de sociale ontwikkeling van Afrika heeft belemmerd en nog steeds belemmert. Hoe meer diploma's iemand in Afrika heeft, des te meer hij gelooft het doelwit van afgunst en magie te zijn, en des te meer hij ter bescherming een talisman gebruikt.
De Afrikanen wordt vaak verweten dat ze door hun kortzichtige zorgeloosheid niet in staat zijn tot sparen, kapitaalvorming en geldbeleggingen op lange termijn. Maar vermoedelijk is het probleem toch niet zozeer gelegen in de mentaliteit als wel in de sociale betrekkingen. Ook iemand die van goede wil is en in staat is om te sparen, wordt dat door zijn familieverplichtingen nagenoeg onmogelijk gemaakt.
Niet voor niets zijn de meeste zaken in Oost-Afrika in handen zijn van Indiërs en in West-Afrika van Arabieren. Deze buitenlanders slagen niet omdat ze per se bekwamer zijn maar omdat ze buiten de ruïneuze Afrikaanse familieverplichtingen staan.
De Afrikaanse bovenlagen die zich vastbesloten proberen af te schermen tegen beneden, zouden het hen willen nadoen, doordat ze letterlijk muren rond hun bezittingen optrekken om de aanspraak op verdeling in te dammen. De economie wordt zo ook niet levendig. Terwijl de gewone mensen solidair moeten zijn met de armeren, tot ze zelf weer arm zijn, blijven de rijken op hun luxe zitten.
Veel mensen die hogerop willen, onttrekken zich aan deze ondragelijke situatie door migratie. (Men zou de Afrikaanse braindrain eens vanuit dit aspect moeten onderzoeken.) Daardoor ontkomt men weliswaar aan de directe verwachtingen, eisen en verwijten, maar niet aan de wraak door toverij die niet aan plaats gebonden is. Hier dient - als een soort tranquillizer - de medicijnman zich aan. De medicijnman kan de angst voor degenen die zich tekortgedaan voelen, sussen door hen te identificeren en magische beschermingsmaatregelen te treffen. Maar doordat hij het overgrote deel van de sociale, psychische en gezondheidsproblemen uit toverij verklaart, houdt hij het systeem en de angst tegelijkertijd in stand. Hij biedt oplossingen voor problemen die hij - ten dele - zelf creëert.
Belangrijk bij de medicijnmannen zijn altijd de offers die gebracht moeten worden. Zelfs in een miljoenenstad als Abidjan in Ivoorkust met haar snelwegen en neonreclames brengt volgens een onderzoek meer dan de helft van de inwoners regelmatig offers als kippen en schapen.
Welnu, als door de toverij vooral diegene getroffen wordt die niet geeft, dan ligt niets meer voor de hand dan zijn angst weg te nemen door hem ertoe te brengen tóch iets te geven, en wel op een geritualiseerde manier, waarbij de gave tot een doel in zichzelf wordt. Precies dat betekent het offer. Het is een geschenk aan niemand en aan allen: God, geesten, medicijnman, familie, buren, armen, afgunstigen, zichzelf.
Wezenlijk is het bevrijdende gevoel iets gegeven te hebben en daarmee een evenwicht te hebben hersteld. Maar hoewel de offers misschien verlichting brengen en de angst bezweren, ze bevrijden niet van de ideologie van het verdelen en de economie van de toverij. Ze bevestigen de maatschappelijke theorie en praktijk dat het eigen succes gevaarlijk is en door anderen op ongrijpbare wijze kan worden vernietigd, maar ook gered.
Maar waarom lukt in de sport en de muziek, wat verder nergens lukt? De Afrikaanse voetballers zelf schrijven hun succes vaak toe aan de talrijke magiërs die hen van stadion naar stadion begeleiden. Maar misschien ligt de ware reden voor de uitzonderingsprestaties hierin dat elk doelpunt dat een Senegalees scoort voor alle Afrikaanse mannen en vrouwen wordt gescoord. De doelpuntenmaker neemt zijn broeders en zusters niets af, integendeel. En wanneer Alpha Blondy voor de duizendste keer 'Mon père avait raison' zingt, verrijkt hij niet alleen zichzelf, maar allen die zich met hem identificeren. Hij is niet hun rivaal, maar hun vertegenwoordiger, en zo heeft iedereen deel aan zijn succes.
Wanneer deze opvatting - dat elke uitmuntende prestatie uiteindelijk de gemeenschap ten goede komt - naar alle werkzaamheden uitgebreid kon worden, zou de Afrikaanse cultus van de middelmatigheid misschien aan zijn einde komen. Maar voorlopig geldt nog steeds de slogan van het minimalisme uit Mali: Falen wordt je vergeven. Succes niet.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.