*

 
dossier

Archief

DE GIDS

T. van Deel − 20/04/02, 00:00

Vandaag en morgen vindt het Vijfde Poëziefestival in Landgraaf (Limburg) plaats. Het openingsforum handelt over dichten en vertalen: vier dichters/vertalers bespreken welke invloed hun vertaalwerk heeft op hun dichterschap. Het zijn Maarten Asscher, Anneke Brassinga, Menno Wigman en Jan Eijkelboom. De eerste drie leveren aan De Gids, die in het kader van dit festival verschijnt, een mooie bijdrage over dit onderwerp. Ook forumvoorzitter Ton Naaijkens, hoogleraar vertalen, doet dat. Brassinga zet de toon met haar eerste zin: ,,Als ik geen vertaler was, zou ik niet zijn gaan schrijven''. Zij werkt deze stelling vervolgens voorbeeldig en persoonlijk uit, en concludeert: ,,Wie dichter is, moet de taal zijn gaan ondervinden als het element waarin hij leeft, als de lucht die hij ademt, het water waarin hij als een vis beweegt.

Een vertaler wordt gaandeweg in dat element opgenomen en aldus verleid tot schrijven, dichten.'' Asscher onderscheidt vier motieven om tot vertalen van poëzie over te gaan: de uitdaging van de puzzel, de bewondering voor het werk, het in de greep zijn van de poëzie in kwestie en ten slotte het lacunemotief, waardoor met een vertaling voorzien wordt in een lacune in het eigen werk. Huub Beurskens heeft zich fris en volkomen gestort in de poëzie van William Carlos Williams, vooral zijn Brueghel-gedichten. Hij kwam er achter dat beeldgedichten niet afhankelijk zijn van het bedichte beeld, maar zich een eigen beeld ervan kunnen vormen. Dit Gids-nummer telt heel wat belangrijke essays over het onderwerp, van H.C.ten Berge, Paul Gellings, K.Michel, en daarenboven veel vertalingen, van werk van Williams, Samuel Beckett, Johannes Bobrowsky en Wislawa Szymborska. Ook nieuwe gedichten van René Puthaar, Hans Hoenselaars en K.Michel.

mailIcon print |